Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5450

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
200.145.127-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet tijdig betalen griffierecht. Het EVRM staat eraan in de weg dat een griffierecht wordt geheven dat, mede gelet op de betrokken belangen en de financiële positie van de justitiabele, een wezenlijke belemmering vormt voor de toegang tot de rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2014/90

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.145.127/01

(zaaknummer rechtbank C/17/129564 / FA RK 13-1620)

beschikking van de familiekamer van 3 juli 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E.J.A. van Leuveren, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. van Haaf-Noot, kantoorhoudende te Deventer, die zich nog niet gesteld heeft in hoger beroep.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 12 februari 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 10 april 2014;

- de brief van mr. Van Leuveren van 18 juni 2014.

3 De motivering van de beslissing

3.1

Het hof stelt vast dat de man het door hem verschuldigde griffierecht niet binnen de betalingstermijn van vier weken na indiening van het beroepschrift heeft betaald.

3.2

Namens de man heeft mr. Van Leuveren desgevraagd bij faxbrief van 18 juni 2014 het volgende daaromtrent aangevoerd.

3.2.1

De oorspronkelijke nota voor het griffierecht is op zijn kantoor niet ontvangen; binnen veertien dagen nadat de aanmaning werd ontvangen is door zijn kantoor het griffierecht voldaan.

3.2.2

Het was echter niet de bedoeling het griffierecht te voldoen, omdat de man een beroep wenst te doen op artikel 282a lid 4 Rv. Daartoe wordt aangevoerd dat de financiële omstandigheden van de man zodanig zijn dat deze aan (volledige) betaling van het griffierecht in de weg staan; uit het beroepschrift valt af te leiden dat de man een bijstandsuitkering heeft en de man stelt dat daarop door diverse instanties beslag is gelegd en dat zijn vermogenspositie negatief is. De man doet een beroep op het in artikel 6 lid 1 EVRM (en artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en wijst er op dat er een reparatiewet voor de Wgbz in de maak is waarin een extra hardheidsclausule wordt opgenomen voor onvermogende natuurlijke personen die niet in staat kunnen worden geacht het laagste griffierechttarief te betalen. Onder de gegeven omstandigheden behoort volgens de man niet-ontvankelijkverklaring in zijn beroep achterwege te blijven, omdat hij geacht moet worden met het achterwege laten van betaling van het griffierecht niet in verzuim te zijn.

3.3

Het hof stelt vast dat het griffierecht, een bedrag van € 308,-, wel voldaan is, maar te laat. Het daartoe aangevoerde argument, namelijk dat de eerste nota voor het griffierecht niet ontvangen is, gaat naar vaste jurisprudentie niet op, omdat men - in elk geval de advocaat - wordt geacht te weten dat het griffierecht binnen vier weken na indiening van het beroepschrift dient te zijn voldaan, ook wanneer daarvoor geen nota wordt ontvangen. Aldus is voor de te late betaling geen valide reden aangevoerd die tot toepassing van de hardheidsclausule van artikel 282a lid 4 Rv zou dienen te leiden.

3.4

Het beroep van de man op omstandigheden die tot (gedeeltelijke) vrijstelling van betaling van het griffierecht behoren te leiden is feitelijk in strijd met het feit dat het griffierecht voldaan is. Niettemin zal het hof inhoudelijk op dit beroep ingaan.

3.5

Het EVRM staat er aan in de weg dat een griffierecht wordt geheven dat, mede gelet op de voor de man betrokken belangen en zijn financiële positie, een wezenlijke belemmering vormt voor de toegang tot de rechter. In de beoordeling of van een dergelijke belemmering sprake is dient, naar vaste jurisprudentie van het EHRM, betrokken te worden de hoogte van het griffierecht, in welke verhouding dit griffierecht staat tot het belang van de zaak, en of rekening is gehouden met de draagkracht van de rechtszoekende. Dat zich een dergelijke belemmering hier voordoet is - gelet op voornoemde toetsingscriteria - door de man onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat hij een bijstandsuitkering heeft leidt niet tot die conclusie. De juistheid van zijn stelling dat er beslagen op zijn uitkering zijn gelegd en zijn vermogenspositie negatief is blijkt niet uit de stukken en heeft hij niet onderbouwd. Hier komt bij dat het veelal mogelijk is om voor de betaling van griffierecht bijzondere bijstand te verkrijgen; niet is gesteld of gebleken dat de man dergelijke bijstand heeft aangevraagd (en dat die geweigerd is).

3.6

Op een wettelijke regeling die nog niet is vastgesteld of in werking getreden komt de man thans geen beroep toe, gelet op het stadium van behandeling van dit wetsvoorstel, zodat het hof het gestelde omtrent een reparatiewet in het midden zal laten.

3.7

Uit een en ander trekt het hof de conclusie dat niet-ontvankelijkverklaring van de man in dit geval niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 282a lid 2 Rv zal de man daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep.

4 De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de bovengenoemde beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. J.H. Lieber en

mr. M.P. den Hollander, bijgestaan door de griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2014.