Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5426

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
21-004714-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2012:BY2675, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid aan woningoverval. Forensisch bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2014, afl. 5, p. 182

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004714-12

Uitspraak d.d.: 8 juli 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van 6 november 2012 met parketnummer 06-950238-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] (Iran) op [geboortedatum],

thans verblijvende in HvB [detentieadres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 10 juli 2013, 4 februari 2014 en 24 juni 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek en tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.559,- en tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag subsidiair 35 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr M.J. Lamers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 15 september 2011 te Vaassen, gemeente Epe, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer EURO 1.240,00) en/of een portemonnee met inhoud, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij -verdachte- tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- voornoemde [slachtoffer] (met kracht) in de nek, althans op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer] heeft gericht en/of

- ( vervolgens/daarbij) voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Je moet braaf zijn en zeg maar waar het geld ligt. Wij zijn ver vandaan gekomen om geld. Ik ga zonder geld niet weg", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- de handen en/of de voeten van die [slachtoffer] met tape heeft vastgebonden en/of de mond van die [slachtoffer] met tape heeft afgeplakt en/of (vervolgens)

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer] heeft getoond en/of (vervolgens)

- voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen de benen, althans op/tegen het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of (vervolgens)

- meermalen, althans eenmaal zijn voet op de kaak van die [slachtoffer] heeft gezet (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het (linker boven)been heeft gestoken en/of

- de ogen van die [slachtoffer] met tape heeft afgeplakt en/of (vervolgens/daarbij) voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ik ga je doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2:
hij op of omstreeks 22 mei 2012 te Apeldoorn, een wapen van categorie I, onder 1, te weten een vlindermes, voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof leidt in het bijzonder uit de volgende feiten en omstandigheden af dat verdachte een van de daders van de overval is geweest.

* Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de op de plaats van het delict aangetroffen duct-tape en tie-wrap gebruikt zijn bij het delict. Zo heeft het slachtoffer onder meer verklaard dat hij is vastgebonden met plakband, dat zijn mond is dichtgeplakt met brede, grijze plakband en dat de aangetroffen tie-wrap en tape niet van hem of zijn gezin waren en hebben getuigen verklaard dat het slachtoffer duct-tape om zijn polsen had bij het openen van de deur. Op de kleefzijde van de tape zijn haren en bloed aangetroffen welke afkomstig zijn van het slachtoffer. Op de tape, de verpakking van de tape en de tie-wrap zijn vingerafdrukken en/of dna aangetroffen, welke met een hoge mate van waarschijnlijkheid afkomstig zijn van verdachte en zijn medeverdachte. Op grond van de verklaring van aangever en de getuigen en de (plaats van de) aangetroffen sporen staat vast dat die tie-wrap en het duct-tape door verdachte en zijn medeverdachte zijn gebruikt bij de overval.

* Daar komt bij dat het hof uit de telecom-gegevens afleidt dat verdachte en zijn medeverdachte ten tijde van het feit in de omgeving van de plaats van het delict waren. Rond het tijdstip van de overval is telefoonverkeer door de zendmast aan het [straat], in de directe nabijheid van de plaats van het delict, geregistreerd van toestellen die - op grond van in de bewijsmiddelen nader beschreven feiten en omstandigheden - worden toegeschreven aan verdachte dan wel zijn medeverdachte. Ook is gebleken dat er in de uren vóór de overval contact is geweest tussen de toestellen van verdachte en medeverdachte.

Het hof acht - naast hetgeen zojuist is opgemerkt over de bewijsmiddelen en bijbehorende bewijsoverwegingen - in het bijzonder om de volgende redenen niet aannemelijk dat - zoals de verdediging heeft aangevoerd - de tape/tie-wrap door anderen - in de visie van de verdediging de werkelijke daders - zouden zijn meegenomen van een andere plaats – volgens verdachte mogelijk een hennepkwekerij -om vervolgens door die daders op de plaats van het delict te worden gebruikt.

- Het hof acht het onaannemelijk dat, indien en voor zover die andere personen valse sporen zouden hebben willen plaatsen die moeten wijzen naar verdachte en zijn medeverdachte, die andere personen geweten zouden hebben dat op de tape en tie-wrap (alleen die) vingerafdrukken te vinden zouden zijn van de verdachte en zijn medeverdachte.

- De duct-tape verpakking die op de plaats van het delict is aangetroffen behoort naar het oordeel van het hof bij de duct-tape die is gebruikt om het slachtoffer vast te binden.. Het hof acht het niet aannemelijk dat die verpakking los is meegebracht.

- Het hof acht verder onaannemelijk - en in strijd met de bewijsmiddelen - dat het zou gaan om een tie-wrap die de politie op de plaats van het delict achtergelaten zou hebben.

- Voorts neemt het hof in aanmerking dat dit verweer door verdachte voor het eerst in hoger beroep is aangevoerd.

Door de verdediging is gesteld dat door de daders handschoenen zijn gedragen. Die stelling zou steun vinden in het feit dat op de plaats delict twee vingertoppen van doorzichtige kunststof handschoenen met daarop bloed zijn aangetroffen. Dát die vingertoppen zijn aangetroffen, betekent naar het oordeel van het hof echter niet, dat de daders bij het plegen van de overval (voortdurend) handschoenen hebben gedragen en dat dus geen dactyloscopische of biologische sporen konden worden achtergelaten.

Door de verdediging is - naar het hof begrijpt - als argument voor het scenario volgens hetwelk tape en tie-wrap door de werkelijke daders zouden zijn achtergelaten, aangevoerd dat er van nog tenminste twee personen dna-sporen zijn aangetroffen. Het hof verwerpt het verweer. Dat er mogelijk meer donoren zijn van de aangetroffen dna-sporen, betekent geenszins dat het niet verdachte is geweest van wie dna is aangetroffen en dat dit dna niet door hem bij het plegen van het feit is achtergelaten. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof (bovendien) af dat er twee overvallers in de woning waren maar dat geenszins valt uit te sluiten dat er nog anderen bij het plegen van het feit betrokken waren.

Dat de verpakking van de tape eerst ergens anders door verdachte zou zijn geopend en daarna door iemand anders naar de plaats van het delict zou zijn gebracht acht het hof - gelet op hetgeen het uit de bewijsmiddelen afleidt - eveneens niet aannemelijk.

Door de verdediging is aangevoerd dat de door het slachtoffer gegeven beschrijving van man 1 niet overeenkomt met het uiterlijk van verdachte. Het hof verwerpt dit verweer omdat het – mede gelet op de mogelijke beperkingen in het waarnemingsvermogen van het slachtoffer ten tijde van de overval en mogelijke veranderingen in het uiterlijk van verdachte sinds het feit- niet aannemelijk acht dat de beschrijving van de persoon van de dader door het slachtoffer in zodanige mate afwijkt van verdachte dat het niet om dezelfde persoon kan gaan.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat het slachtoffer verdachte niet heeft herkend bij een fotoconfrontatie. Naar het oordeel van het hof staat dit niet aan bewezenverklaring in de weg, mede gelet op het tijdsverloop tussen het feit en de confrontatie.

Door de verdediging is verder aangevoerd dat niet zonder meer aannemelijk is dat het telefoonverkeer om 10:04 uur “dader of delict gerelateerd” is. Het hof stelt vast dat de precieze tijdstippen van aanvang respectievelijk beëindiging van de overval niet zijn komen vast te staan. Verdachte kan op het genoemde tijdstip na het feit op weg zijn geweest naar elders. In dit verband acht het hof van betekenis dat de telefoon van verdachte op de bewuste ochtend in de periode van 07.51.07 uur tot 08.29.06 uur en later die dag om 10.29.12 uur de zendmast aan de [adres] in Apeldoorn aanstraalt.

Het hof acht niet aannemelijk dat de zendmast aan het [straat] door de telefoons van de verdachten om of in verband met een andere reden werd aangestraald dan in verband met hun deelneming aan het delict. Met name is niet aannemelijk geworden dat zij op het tijdstip van het delict op bezoek zouden zijn geweest bij een andere persoon die in de nabijheid van de zendmast woonachtig is. In het bijzonder is niet aannemelijk geworden dat verdachte op de betreffende ochtend heeft verbleven bij [getuige 1] of [getuige 2], zoals verdachte zelf als mogelijkheid had geopperd. De door de betreffende personen als getuigen afgelegde verklaringen bieden daarvoor geen steun.

Door de verdediging is tot slot nog aangevoerd dat verdachte niet een van de daders kan zijn geweest omdat het slachtoffer verklaart dat deze kort na binnenkomst een telefoontje heeft gepleegd en uit de historische gegevens in het dossier niet blijkt dat er op dat moment een telefoongesprek is gevoerd met het toestel van verdachte. De advocaat-generaal heeft als een mogelijke verklaring naar voren gebracht dat verdachte veinsde te telefoneren als onderdeel van de gedragingen om het slachtoffer te doen geloven dat hij de meter kwam opnemen en werkelijk een collega belde. Het hof sluit dit niet uit als verklaring. Ook andere verklaringen zijn mogelijk. Het hof begrijpt dat er op 09.25.40 uur - dat zou op of rond het moment kunnen zijn geweest waarop de overval een aanvang heeft genomen - kort telefonisch contact is geregistreerd tussen het toestel van de medeverdachte en dat van een persoon, die mogelijk ook bij de overval betrokken was. Het is mogelijk dat - als dit het telefonisch contact is geweest waarover aangever heeft verklaard - verdachte op dat moment gebruik heeft gemaakt van het toestel van die persoon.

Voor het overige merkt het hof op dat op grond van de door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheid niet aannemelijk is geworden dat verdachte niet een van de daders was.

Ten aanzien van feit 2 overweegt het hof dat verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat het in de woning aan de [adres] te [plaats] aangetroffen vlindermes van hem is.

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op of omstreeks 15 september 2011 te Vaassen, gemeente Epe, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer EURO 1.240,00) en/of een portemonnee met inhoud, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij -verdachte- tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- voornoemde [slachtoffer] (met kracht) in de nek, althans op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer] heeft gericht en/of

- ( vervolgens/daarbij) voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Je moet braaf zijn en zeg maar waar het geld ligt. Wij zijn ver vandaan gekomen om geld. Ik ga zonder geld niet weg", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- de handen en/of de voeten van die [slachtoffer] met tape heeft vastgebonden en/of de mond van die [slachtoffer] met tape heeft afgeplakt en/of (vervolgens)

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer] heeft getoond en/of (vervolgens)

- voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen de benen, althans op/tegen het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of (vervolgens)

- meermalen, althans eenmaal zijn voet op de kaak van die [slachtoffer] heeft gezet (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het (linker boven)been heeft gestoken en/of

- de ogen van die [slachtoffer] met tape heeft afgeplakt en/of (vervolgens/daarbij) voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ik ga je doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2:
hij op of omstreeks 22 mei 2012 te [plaats], een wapen van categorie I, onder 1, te weten een vlindermes, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan een overval op een woning waarbij geweld is gebruikt en er is gedreigd met geweld tegen het slachtoffer. Het slachtoffer is geslagen en gestoken en heeft daaraan niet alleen lichamelijk letsel maar ook een trauma overgehouden. Het betreft een ernstig feit waarvoor het hof een gevangenisstaf van na te melden duur op zijn plaats acht, mede gelet op de LOVS-oriëntatiepunten voor een dergelijk feit. De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot oplegging van een gevangenisstraf van zes jaar aan verdachte. Het hof ziet echter – alles in aanmerking genomen (waaronder het aandeel van verdachte in het feit en zijn documentatie) – geen termen aan verdachte een zwaardere straf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan.

Het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp. Het zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.799,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.534,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een vlindermes.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 stk mes, dolk 7402-09 in klein foudraal;

- 1 stk mes, Guangda 7201-01;

- 1 stk mes, kl bruin Inox knipmes, opschrift Saint-Jean Dárves, 7402-08;

- 1 stk mes, kl zilver 7402-10 knipmes;

- 1 stk mes, kl bruin AK 47 CCCP dolk;

- 1 stk mes, kl bruin, dolk 7402-05 in zwart foudraal, gekerfd handvat;

- 1 st mes, kl bruin, dolk 7402-07, in zwart canvas foudraal;

- 1 st mes, kl bruin Colombia, 7403-03 in camouflage foudraal;

- 1 st mes, kl zwart, zakmes.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.559,00 (tweeduizend negenenvijfttig euro) bestaande uit € 59,00 (negenenvijftig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 2.559,00 (tweeduizend negenenvijftig euro) bestaande uit € 59,00 (negenenvijftig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr A. van Waarden, voorzitter,

mr J.A.W. Lensing en mr B.F.A. van der Krabben, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.R.M. Roetgerink, griffier,

en op 8 juli 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.