Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5327

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
17-07-2014
Zaaknummer
200.145.662
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof heeft de beslissing van de rechtbank, waarbij het verzoek van de schuldenaar om zijn op eigen aangifte uitgesproken faillissement op te heffen en te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen, bekrachtigd. Schuldenaar heeft ten aanzien van diverse schulden niet voldoende gedetailleerde informatie kunnen verschaffen, zodat het hof de toets van die schulden aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 onder b Fw niet heeft kunnen uitvoeren. Schuldenaar heeft naar het oordeel van het hof derhalve onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het indienen van het verzoekschrift te goeder trouw is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.145.662
(insolventienummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: C/05/13/599)

arrest van de eerste civiele kamer van 3 juli 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant, hierna: [appellant],

advocaat: mr. P.G.F.M. van Oss.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnis van 25 juni 2013 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, [appellant] op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. P.F.A. Bierbooms en tot curator mr. E.F.E. van Essen.

1.2

Bij vonnis van 15 april 2014 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, het verzoek van [appellant] tot opheffing van zijn faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 22 april 2014 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 15 april 2014 en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, met bepaling dat zijn proceskosten worden vergoed.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met één bijlage, het faxbericht van 14 mei 2014 van mr. Van Oss, de op 21 mei 2014 ontvangen stukken (eerste aanleg) van mr. Van Oss, de brief met bijlagen van 21 mei 2014 van de curator en de brief met bijlagen van 24 juni 2014 van mr. Van Oss.

2.3

De mondelinge behandeling heeft, nadat deze aanvankelijk was bepaald op 26 mei 2014 maar op verzoek van [appellant] was aangehouden, plaatsgevonden op 26 juni 2014, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Van Oss. Voorts is de curator verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.
[appellant], geboren op [geboortedatum], is gehuwd in gemeenschap van goederen. [appellant] en zijn echtgenote wonen thans in een stacaravan.
[appellant] heeft per 1 januari 2013 de [onderneming] (hierna: [onderneming]) overgenomen van zijn dochter, [naam]. [appellant] is op 25 juni 2013 failliet verklaard.
[appellant] is vanaf december 2013 in loondienst werkzaam bij Sanidirect. Zijn inkomen bedraagt ongeveer € 2.500,- bruto per maand.

3.2

De schuldenlast van [appellant] bedraagt volgens de bij het derde faillissementsverslag van de curator van 20 mei 2014 gevoegde schuldenlijst in totaal € 612.703,97. Tot deze schuldenlast behoren, naast een restschuld van ruim € 430.000,- in verband met de openbare verkoop van de echtelijke woning, onder meer een schuld aan het UWV van € 15.108,79 en diverse schulden aan de Belastingdienst van in totaal bijna € 23.000,-.

3.3

De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] tot opheffing van zijn faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat [appellant] niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 onder b van de Faillissementswet (Fw). Daarbij heeft de rechtbank het volgende overwogen. [appellant] dient, op basis van een onherroepelijk geworden terugvorderingsbesluit van 2 april 2012, een bedrag van € 16.896,28 ter zake van ten onrechte ontvangen WW-uitkering aan het UWV terug te betalen. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet kan worden geconcludeerd dat [appellant] heeft voldaan aan de inlichtingen- en mededelingsplicht.

3.4

[appellant] kan zich met de beslissing van de rechtbank niet verenigen. Hij stelt dat zijn dochter, in het kader van een door het UWV aan haar toegekende uitkering, bij brief van 31 mei 2011 aan het UWV heeft gemeld:

“(…)

Via deze weg wil ik u mededelen dat ik op 08-04-2011 een bedrijf op mijn naam heb ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Harderwijk.

(…)

Voor kennis en ondersteuning word(t) ik geholpen door mijn vader, dhr. [appellant] welke ook bij u ingeschreven staat. Wij gaan er vanuit dat dit geen invloed zal hebben voor de uitkering of status welke wij hebben bij het UWV.

(…)”.

In die brief wordt ook hij (vader) genoemd, zodat de informatie over het starten van de onderneming ook is doorgegeven aan het UWV in het kader van de aan hem toegekende uitkering. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat hij het UWV onvoldoende heeft geïnformeerd over de activiteiten die hij voor zijn dochter heeft verricht. Omdat hij niet voldoende bekend was met de betreffende materie heeft hij tegen de beslissing op zijn bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van het UWV geen rechtsmiddel meer ingesteld. [appellant] verwacht dat de tegen hem aanhangige strafzaak in verband met fraude zal worden geseponeerd. [appellant] wil, temeer nu de curator in zijn faillissement daartoe positief heeft geadviseerd, alsnog worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.5

Het hof oordeelt als volgt. Het UWV heeft bij besluit van 2 april 2012 de aan [appellant] toegekende WW-uitkering over de periode van 23 mei 2011 tot en met 19 februari 2012 teruggevorderd. Het door [appellant] aangetekende bezwaar tegen dat terugvorderingsbesluit is ongegrond verklaard. Nu [appellant] vervolgens tegen die beslissing geen rechtsmiddel meer heeft aangewend is het terugvorderingsbesluit van het UWV onherroepelijk geworden en staat de desbetreffende schuld vast. Het hof is van oordeel dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van de daaruit voortgekomen schuld niet te goeder trouw is nu het een terugvorderingsbesluit betreft. Het beroep van [appellant] op voormelde brief van zijn dochter aan het UWV van 31 mei 2011, maakt dit oordeel niet anders. Het had op de weg van [appellant] gelegen om uit eigen naam met het oog op de door hem ontvangen uitkering het UWV van de gang van zaken op de hoogte te brengen. [appellant] heeft hiermee niet voldaan aan zijn inlichtingen- en mededelingsplicht. Bovendien heeft [appellant] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep erkend dat [onderneming] in 2011 officieel door zijn dochter is gestart, maar dat de feitelijke werkzaamheden in die onderneming (nagenoeg) van meet af aan alleen door hem werden verricht. Dit heeft de curator op grond van door hem bij crediteuren van [onderneming] ingewonnen informatie ook bevestigd. Reeds op grond van het bovenstaande komt het hof tot het oordeel dat [appellant] niet kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.6

Voorts geldt op grond van het bepaalde in artikel 288 lid 1 onder b Fw dat het aan [appellant] is aannemelijk te maken dat hij ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van zijn (overige) schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop zijn verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. [appellant] dient om die reden aan de hand van stukken inzichtelijk te maken welke schulden er zijn, aan wie deze zijn verschuldigd, hoe hoog deze schulden (exact) zijn, wanneer deze zijn ontstaan en wat de ontstaansredenen van die schulden zijn. [appellant] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd niet kunnen verklaren wat de ontstaansreden is van de op zijn schuldenlijst voorkomende schulden aan de Belastingdienst voor in totaal bijna € 23.000,-. [appellant] heeft daarmee naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop zijn verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Ook over de andere schulden kon hij geen voldoende gedetailleerde informatie verschaffen, zodat het hof de toets van die schulden aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 onder b Fw niet kan uitvoeren.

3.7

Het hoger beroep faalt derhalve. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek van [appellant] toch kan worden toegewezen, is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 15 april 2014.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Gratama, P.H. van Ginkel en Ch.E. Bethlem, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en op 3 juli 2014 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.