Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5316

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
13/01039 en 13/01040
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet WOZ. Waarde vrijstaande woning. Gemeente slaagt niet in bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1416
V-N 2014/45.25.11

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 13/01039 en 13/01040

uitspraakdatum: 1 juli 2014

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 augustus 2013, nummer AWB 12/5644 en nummer AWB 12/5646, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Barneveld (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 22 te [Z] (hierna: het gebouw) voor het kalenderjaar 2012 – naar de waardepeildatum 1 januari 2011 – vastgesteld op € 321.000. In het desbetreffende geschrift is tevens de aanslag onroerende-zaakbelastingen (hierna: aanslag OZB) bekend gemaakt.

1.2.

Daarnaast heeft de heffingsambtenaar bij beschikking de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 26 te [Z] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2012 – naar de waardepeildatum 1 januari 2011 – vastgesteld op € 787.000. In het desbetreffende geschrift is tevens de aanslag OZB bekend gemaakt.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de vastgestelde waarde van de woning en van het gebouw en de aanslagen OZB gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende is tegen de uitspraken van de heffingsambtenaar in beroep gekomen. Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 29 augustus 2013 het beroep ten aanzien van de woning en het gebouw gegrond verklaard. Tevens heeft zij de uitspraken op bezwaar ten aanzien van de woning en het gebouw, alsmede de WOZ-beschikking ten aanzien van het gebouw vernietigd. Ook heeft de Rechtbank de vastgestelde waarde van de woning verminderd tot € 713.000 en heeft ze bepaald dat de aanslag OZB met betrekking tot de woning dienovereenkomstig wordt verminderd.

1.5.

Belanghebbende heeft bij brief van 9 oktober 2013, ingekomen bij het Hof op 10 oktober 2013, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.6.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2014 te Arnhem. Belanghebbende is daar verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. [A]. Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [B] en taxateur [C].

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een in 2001 gebouwde vrijstaande woning (800 m³) die is gelegen op een perceel van 2.500 m². Een deel daarvan, groot 1.700 m², bestaat uit bos dat in het vigerende bestemmingsplan ook die bestemming heeft. Om dat bos staat een hekwerk. Ten behoeve van onderhoudswerkzaamheden aan het bos is een kleine poort in het hekwerk geplaatst zodat het bosperceel via de tuin kan worden bereikt. De gemeente heeft de eigenaar echter verboden het bos overigens op een andere manier te gebruiken, bijvoorbeeld als tuin bij de woning. Het perceel wordt aan de zuidzijde en de oostzijde begrensd door uitgestrekte bossen die worden beheerd door Staatsbosbeheer.

2.2.

De woning is vanaf november 2011 voor € 895.000 en in 2012 voor € 645.000 te koop aangeboden. De perceelgrootte bedroeg volgens de verkoopinformatie 5.000 m². Tot op heden is de woning nog niet verkocht.

2.3.

In de procedure bij de Rechtbank is belanghebbende niet alleen in beroep gekomen tegen de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de woning, maar tevens tegen de vastgestelde waarde van het gebouw ([a-straat] 22) en van de onroerende zaak [a-straat] 24, eveneens per waardepeildatum 1 januari 2011.

2.4.

Tijdens de procedure bij de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar bepleit dat zowel de woning als het gebouw onjuist zouden zijn afgebakend. Met betrekking tot de woning heeft hij aangevoerd dat de perceeloppervlakte niet 5.000 m², maar 2.500 m² bedraagt. Daarbij heeft hij het nadere standpunt ingenomen dat de vastgestelde waarde van de woning verlaagd dient te worden tot € 713.000 en die van het gebouw € 395.000 bedraagt.

2.5.

De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning nader gespecificeerd in € 464.800 voor de opstal en € 248.325 voor het perceel van 2.500 m². Ter onderbouwing van de berekende grondwaarde heeft hij gewezen op de door hem gehanteerde grondstaffel. Deze grondstaffel ziet er, voor zover van belang, als volgt uit:

Oppervlakte (m²)

Grondprijs (€)

Grondwaarde (€)

300

385,00

115.500

50

288,75

14.438

50

192,50

9.625

50

173,25

8.662

50

154,00

7.700

100

134,75

13.475

100

115,50

11.550

100

96,25

9.625

200

77,00

15.400

1.000

38,50

38.500

500

7,70

3.850

Totaal 2.500

248.325

Het bij de woning gelegen bosperceel van 1.700 m² is op grond van deze grondstaffel gewaardeerd op € 57.750 [€ 15.400 + € 38.500 + € 3.850].

2.6

De Rechtbank heeft in haar uitspraak onder meer de WOZ-beschikking met betrekking tot het gebouw vernietigd en de vastgestelde waarde van de woning, conform het nadere standpunt van de heffingsambtenaar, verminderd tot € 713.000.

2.7

Met dagtekening 30 september 2013 heeft de heffingsambtenaar voor het gebouw naar de oorspronkelijke waardepeildatum een nieuwe WOZ-beschikking afgegeven, waarbij de waarde op € 326.000 is vastgesteld.

3 Geschil

3.1.

In geschil is de vastgestelde waarde van de woning en het gebouw op de waardepeildatum 1 januari 2011.

3.2.

Belanghebbende stelt dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld omdat het bosperceel ten onrechte als tuingrond is gewaardeerd. Belanghebbende staat een waarde van de woning voor van € 657.000 [€ 713.000 -/- € 57.750 +/+ € 1.700], waarbij de waarde van het bosperceel op € 1 per m² is gesteld. Met betrekking tot het gebouw is belanghebbende van mening dat ook de in 2.7 vermelde waarde te hoog is vastgesteld.

3.3.

De heffingsambtenaar verdedigt de nader vastgestelde waarde van de woning van € 713.000. Ten aanzien van het gebouw bepleit hij de in de voormelde beschikking vermelde waarde van € 326.000.

4 Beoordeling van het geschil

Het gebouw

4.1.

Aangezien de Rechtbank de WOZ-beschikking met betrekking tot het gebouw heeft vernietigd, heeft belanghebbende geen belang meer bij het door haar ingestelde hoger beroep tegen de onderwerpelijke uitspraak van de Rechtbank voor zover deze ziet op het gebouw.

4.2.

De heffingsambtenaar heeft na de uitspraak van de Rechtbank een nieuwe WOZ-beschikking voor het gebouw afgegeven naar de waardepeildatum 1 januari 2011. Het onderhavige hoger beroep heeft echter niet van rechtswege mede betrekking op dit nieuwe besluit omdat artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht hierin niet voorziet nu niet het bestuursorgaan maar de Rechtbank de WOZ-beschikking heeft vernietigd. Tegen het nieuwe besluit dient eerst bezwaar te worden gemaakt en tegen de afwijzing daarvan eerst beroep bij de rechtbank te worden ingesteld.

4.3

Voor zover het hoger beroep zich richt tegen de vastgestelde waarde van het gebouw is het derhalve niet-ontvankelijk.

De woning

4.4.

Op grond van artikel 17 van de Wet WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen (overdrachtsfictie) en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (verkrijgingsfictie). Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

4.5.

Volgens artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ (hierna: de Uitvoeringsregeling) wordt de waarde, bedoeld in de hiervóór in overweging 4.4. genoemde wetsbepaling, voor woningen bepaald door middel van de zogenoemde vergelijkingsmethode.

4.6.

Belanghebbende bepleit gemotiveerd een lagere waarde dan de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde. In dat geval rust op de heffingsambtenaar de last om feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem verdedigde waarde niet te hoog is.

4.7.

Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde baseert de heffingsambtenaar zich, voor zover het de waarde van de grond betreft, op de in 2.5 vermelde grondstaffel.

4.8.

Belanghebbende heeft gesteld dat het gebruik van het bosperceel is beperkt en dat daarom hieraan ten hoogste een bosgrondwaarde van € 1 per m² toegekend kan worden. Het Hof is van oordeel dat belanghebbendes grief slaagt. Om het bos staat namelijk een hekwerk en de gemeente heeft de verplichting opgelegd het bos op geen enkele manier te gebruiken. Weliswaar is een kleine poort in het hekwerk geplaatst zodat het bosperceel via de tuin kan worden bereikt, echter dit dient slechts de onderhoudswerkzaamheden aan het bos. Dat de enkele aanwezigheid van de woning tot een meerwaarde van de bosgrond leidt, acht het Hof niet aannemelijk nu de woning ten zuiden en ten oosten reeds wordt begrensd door uitgestrekte bossen. Het bosgedeelte van het perceel voegt daaraan naar het oordeel van het Hof niet veel toe. Op grond van deze omstandigheden is het bosperceel niet als een onderdeel van de tuin te beschouwen en dient het gewaardeerd te worden alsof het een los van een woning gelegen bos betreft. Het andersluidende standpunt van de heffingsambtenaar dient derhalve te worden verworpen. Ter zitting bij de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar verklaard dat in dat geval de waarde van het bos € 1 per m² bedraagt.

4.9.

De heffingsambtenaar heeft voorts gesteld dat, indien het bosperceel op € 1 per m² dient te worden gewaardeerd, aan de overige bij de woning behorende grond een hogere waarde toegekend moet worden. In zijn optiek dient namelijk de totaalwaarde van grond en opstal uiteindelijk € 713.000 te bedragen. Het Hof onderschrijft dit standpunt van de heffingsambtenaar niet. Uit de door de heffingsambtenaar gehanteerde grondstaffel blijkt namelijk dat dit standpunt onjuist is. Dat de overige grond bij een lagere waarde van het bosperceel volgens een andere grondstaffel moet worden gewaardeerd is weliswaar door de heffingsambtenaar gesteld maar is, nadat belanghebbende de juistheid van dit standpunt heeft bestreden, niet nader door hem met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd. Ook deze stelling van de heffingsambtenaar wordt derhalve verworpen.

4.10.

Op grond van het voorgaande trekt het Hof de conclusie dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vastgestelde waarde niet te hoog is. Belanghebbende daarentegen heeft de door haar bepleite waarde wel aannemelijk gemaakt zodat de vastgestelde waarde conform haar standpunt moet worden verminderd tot € 657.000.

Griffierecht

4.11.

Belanghebbende heeft er voorts nog op gewezen dat de Rechtbank ten onrechte slechts ten aanzien van één van de twee gegronde beroepen (met betrekking tot de woning en het gebouw) heeft gelast dat het door haar betaalde griffierecht door de heffingsambtenaar dient te worden vergoed. Uit de dossiers blijkt dat in beide zaken van de indiener van de beroepschriften griffierecht is geheven. Belanghebbendes grief slaagt derhalve. De heffingsambtenaar zal worden gelast de geheven griffierechten met betrekking tot beide beroepszaken aan belanghebbende te vergoeden.

Slotsom

Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep van belanghebbende gegrond te worden verklaard.

5 Kosten

Het Hof ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) te berekenen op 2 punten (in verband met het ingediende hogerberoepschrift en het verschijnen ter zitting)  wegingsfactor 1  € 487 = € 974 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

In verband met de toepassing van het tarief bedoeld in artikel 2, lid 1, onderdeel a van het Besluit is de waarde per punt, vermeld in onderdeel B1 van de bijlage bij voornoemd Besluit, verhoogd bij besluit van 13 december 2013, (Stcrt. 2013, 35871). Deze wijziging is ook van toepassing als de bestuursrechter na 31 december 2013 een uitspraak van een bestuursrechter vernietigt en een kostenvergoeding vaststelt die betrekking heeft op een eerdere fase van de procedure.

Het vorenoverwogene brengt mee dat in het onderhavige geval de hoogte van de door de Rechtbank vastgestelde te vergoeden proceskosten moet worden berekend aan de hand van het met ingang van 1 januari 2014 verhoogde tarief. Dit heeft tot gevolg dat de proceskostenveroordeling door de Rechtbank van € 944 dient te worden gewijzigd in € 974 (2 punten x wegingsfactor 1 x € 487 = € 974).

In totaal zijn de te vergoeden proceskosten derhalve te berekenen op € 974 + € 974 = € 1.948.

6 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep inzake het gebouw niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het hoger beroep inzake de woning gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de woning, de proceskosten en het griffierecht;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar inzake de woning;

  • -

    vermindert de vastgestelde waarde van de woning tot € 657.000;

  • -

    vermindert de aanslag OZB ten aanzien van de woning dienovereenkomstig;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.948;

  • -

    gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in verband met het beroep (2 x € 42 = € 84) en hoger beroep (€ 118) betaalde griffierecht vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2014.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (A.J. Kromhout)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 3 juli 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.