Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5265

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
200.144.387-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Gedaagde sub 1 in eerste aanleg dagvaardt in hoger beroep niet alleen de oorspronkelijk eiser maar ook de medegedaagde. In zoverre volgt niet-ontvankelijkverklaring. De vraag of sprake is van een met het fiduciaverbod van artikel 3:84 lid 3 BW strijdige zekerheidsoverdracht is te ingewikkeld voor beantwoording in kort geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.144.387/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/131783 / KG ZA 14-5)

arrest in spoed kort geding van de tweede kamer van 1 juli 2014

in de zaak van

Friesland Bank N.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de bank,

advocaat: mr. W. Mollema, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: [geïntimeerde 1],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

advocaat: mr. J.W. de Vries, kantoorhoudend te Leeuwarden,

2. [geïntimeerde 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: [geïntimeerde 2],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

advocaat: mr. R.J.G. Mengelberg, kantoorhoudend te Bussum.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 20 februari 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep van de bank d.d. 20 maart 2014 (met grieven en producties),

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde 2] in de zaak tegen de bank van 15 april 2014,

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] van 15 april 2014 (met producties).

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vorderingen in hoger beroep van de bank luiden:

“bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 20 februari 2014 (zaak-en rolnummer C/17/131783/KG ZA 14-508-396) te vernietigen en opnieuw recht doende:

I. de vorderingen van (het hof leest:) [geïntimeerde 1] alsnog af te wijzen;

II. (het hof leest:) [geïntimeerde 1] te veroordelen om aan de bank te betalen de ten onrechte naar aanleiding van het vonnis door de bank betaald proceskosten ad primair € 2.395,04, subsidiair € 1.197,52 tot aan de dag der algehele voldoening;

III. [geïntimeerde 1] te veroordelen om het schip binnen twee dagen na betekening van het arrest aan [geïntimeerde 2] en/of de bank af te geven, danwel enige andere maatregel te treffen die uw gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren;

IV. [geïntimeerde 1] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het arrest mee te hebben gewerkt aan de tenaamstelling van het schip in het scheepsregister op naam van [geïntimeerde 2], danwel enige andere maatregel te treffen die uw gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren;

V. [geïntimeerde 2] te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het arrest mee te hebben gewerkt aan het vestigen van een hypotheekrecht conform productie 4 van de bank in eerste aanleg op het schip ten behoeve van de bank, danwel enige andere maatregel te treffen die uw gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren;

VI. [geïntimeerde 1] te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het arrest mee te hebben gewerkt aan het vestigen van een hypotheekrecht conform productie 4 van de bank in eerste aanleg op het schip ten behoeve van de bank danwel enige andere maatregel te treffen die uw gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren;

VII. de vorderingen III tot en met VI uit te spreken op straffe van verbeurte van een dwangsom aan de bank ad € 5.000,- per dag dat [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] in gebreke blijven met voldoening aan de veroordelingen in dezen;

VIII. [geïntimeerde 1] te veroordelen in de kosten van het geschil, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.”

2.4

De conclusie van de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] in de zaak tegen de bank luidt:

“Dat het uw Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, moge behagen, uitvoerbaar bij voorraad, om appellante in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vordering van appellante te verwerpen, althans de grieven van appellant af te wijzen door haar daarin niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze haar te ontzeggen, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling der gronden, en dat het uw gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden tevens moge behagen het vonnis zoals door de Voorzieningenrechter in kort geding van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 20 februari 2014 is gewezen te bekrachtigen – zo nodig onder aanvulling en/of verbetering der gronden – met veroordeling van appellante in de proceskosten.”

2.5

De conclusie van de memorie van antwoord van [geïntimeerde 2] in de zaak tegen de bank luidt:

“tot niet ontvankelijk verklaring van Friesland Bank voor wat betreft haar vordering jegens [geïntimeerde 2], althans tot afwijzing van die vordering, kosten rechtens.”

3 De feiten

3.1

De volgende feiten zijn tussen partijen niet in geschil.

3.2

[bedrijf x] te Rotterdam is in 2009 begonnen met de bouw van een schip,[type], genaamd ‘[naam schip]’ (hierna: de [naam schip]) in opdracht van [geïntimeerde 2]. Directeur van [geïntimeerde 2] is de heer [directeur van G2] (hierna: [directeur van G2]). De aanneemsom bedroeg bijna € 350.000,-. In verband hiermee is [geïntimeerde 2] in november 2008 bij de bank een lening van € 250.000,- aangegaan onder verpanding van de [naam schip]. In april 2010 is tussen [geïntimeerde 2] en de bank een herfinancieringsovereenkomst gesloten van € 40.000,-.

3.3

In verband met financiële tegenslagen bij [geïntimeerde 2] is de bouw in 2009 opgeschort. Op 28 augustus 2012 heeft [directeur van G2] de heer [directeur van G1] (hierna: [directeur van G1]), de directeur van [geïntimeerde 1], per e-mail benaderd voor een geldlening. [directeur van G2] heeft daarbij aangegeven dat hij een derde heeft benaderd met de vraag of deze de [naam schip] zou willen overnemen. Vervolgens heeft tussen [directeur van G2] en [directeur van G1] e-mailcorrespondentie plaatsgevonden.

3.4

Blijkens notariële akte van ‘Koop en Levering Boot’ van 21 november 2012 is tussen [geïntimeerde 2] als verkoper en [geïntimeerde 1] als koper voor zover van belang het volgende overeengekomen:

A. Inleiding

Tussen partijen is een koopovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot na te melden schip. Partijen wensen bij deze akte de bepalingen van de koopovereenkomst vast te leggen en daaraan bij deze akte uitvoering te geven.

OMSCHRIJVING VAN HET VERKOCHTE.

Verkoper heeft blijkens een mondelinge overeenkomst van verkoop en koop, welke overeenkomst bij deze schriftelijk wordt bevestigd, verkocht en levert op grond daarvan aan koper, die heeft gekocht en bij deze aanvaardt:

de Ribboot genaamd “[naam schip]” met bouwjaar tweeduizend negen, [type] en nader gespecificeerd op aan deze akte gehechte bijlage genaamd 6, Inventarisatielijst;

met inbegrip van scheepstoebehoren alsmede zaken, die uit hoofde van de bestemming blijvend met deze boot zijn verbonden,

hierna ook te noemen: “het verkochte”.

KOOPSOM

De koopsom bedraagt EENHONDERD VIJFTIGDUIZEND EURO (€ 150.000,00) exclusief Omzetbelasting.

(...)

Voormelde koopovereenkomst is aangegaan onder de volgende bepalingen:

Artikel 1

Verkoper is verplicht koper recht van eigendom te leveren dat onvoorwaardelijk is en niet onderhevig aan welke vernietiging dan ook:

Verkoper garandeert het volgende:

1. Het verkochte behoort zowel in juridische als in economische zin aan de verkoper toe en is in zijn bezit. Het verkochte is niet bezwaard met beslagen (hypotheekrechten), pandrechten en retentierechten (noch met inschrijvingen daarvan) noch met enig ander beperkt recht.

2. (...)

3. De verkoper kan vrijelijk over het verkochte beschikken zonder medewerking, goedkeuring, machtiging of enige andere handeling van anderen en zonder boete te verbeuren.

(...)

Artikel 4

Het verkochte wordt terstond na de ondertekening van de onderhavige akte aan koper feitelijk ter beschikking gesteld.

RECHT VAN KOOP

a. Indien verkoper gedurende een periode van driehonderd vijfenzestig (365) dagen na heden over wil gaan tot een terugkoop van het verkochte en koper op dat moment nog eigenaar is van het verkochte, zijn partijen overeengekomen dat partijen alsdan een nieuwe koopovereenkomst zullen aangaan, met dien verstande dat de koopprijs alsdan eenhonderd zevenenzestigduizend vijfhonderd euro (€167.500,00) zal bedragen en de levering alsdan zal plaatsvinden in de toestand waarin het verkochte zich dan bevindt.

(...)

MEERWAARDECLAUSULE

Partijen zijn voorts nog overeengekomen als volgt:

a. Voor het geval koper (dan wel diens rechtsopvolgers onder algemene titel) binnen driehonderd vijfenzestig (365) dagen na heden tot vervreemding overgaat van het ingevolge deze akte verkregen verkochte voor een koopsom van meer dan tweehonderd duizend euro (€ 200.000,00) is koper verplicht om vijftig procent (50%) van het verschil tussen de onderhavige koopsom ad eenhonderd vijftigduizend euro (€ 150.000,00) en de alsdan gerealiseerde koopsom uit te keren aan de verkoper.

(...)’

3.5

De [naam schip] is op 12 april 2013 door [directeur van G2] en [directeur van G1] bij [bedrijf x] te Rotterdam opgehaald en naar Terschelling en in de macht van [geïntimeerde 1] gebracht. [geïntimeerde 1] heeft de [naam schip] op 12 april 2013 onder haar naam bij de RDW geregistreerd en vervolgens in gebruik genomen.

3.6

Op 10 juli 2013 is door [directeur van G2] namens [geïntimeerde 2] een offerte van de bank van 1 juli 2013 getekend ter zake van een financieringsovereenkomst voor een bedrag van € 55.000,- met als doel de financiering van ‘Restantbetaling boot (RIB) t.b.v. eigendomsoverdracht’. Als voorwaarden zijn onder meer omschreven:

‘Eerste bankhypotheek ad EUR 300.000,00 op het zeeschip [type] “[naam schip]”.

(...)

Zoals besproken zal bij acceptatie van deze kredietbrief het bedrag ad EUR 55.000,00 door Frieslandbank worden overgemaakt aan [bedrijf x] U zult vervolgens meewerken aan de teboekstelling van genoemd zeeschip [type] “[naam schip]” en de vestiging van een bankhypotheek ten behoeve van Friesland Bank als genoemd en in dat verband het schip enige tijd in de macht van Friesland Bank brengen (...).’

3.7

Op 29 augustus 2013 is het Certificate of Ownership door [bedrijf x] afgegeven op naam van [geïntimeerde 2].

3.8

Op 7 november 2013 is de hypotheekakte betreffende de vestiging van een hypotheek op de [naam schip] ten laste van [geïntimeerde 2] en ten behoeve van de bank notarieel verleden en op diezelfde datum om 14.35 uur ingeschreven in het register Schepen [nummer].

3.9

De bank heeft op 27 november 2013 krachtens daartoe op 25 november 2013 verleend verlof conservatoir beslag gelegd op de [naam schip]. Het beslag is gelegd ter verzekering van verhaal van een vordering van de bank op [geïntimeerde 2], inclusief rente en kosten begroot op € 374.552,77. Het beslag is op 27 november 2013 om 14.37 uur ingeschreven in het register Schepen[nummer]. De [naam schip] is vervolgens in bewaring gegeven aan [bewaarder].

3.10

Aan [geïntimeerde 1] is op 29 november 2013 verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag ter verzekering van afgifte van de [naam schip]. Dat beslag is niet gelegd omdat [geïntimeerde 1] niet bekend was met de ligplaats van de [naam schip].

3.11

Bij aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] gerichte brieven van 5 februari 2014 heeft de bank de koopovereenkomst en overdracht tussen [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] met betrekking tot de [naam schip] buitengerechtelijk vernietigd op grond van het bepaalde in artikel 3:45 BW.

4 De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Na bij gelegenheid van de mondelinge behandeling haar eis te hebben gewijzigd vordert [geïntimeerde 1], zakelijk weergeven:

Primair

1. opheffing door de bank van het op 27 november 2013 door haar op de [naam schip] gelegde conservatoir verhaalsbeslag op straffe van verbeurte van een dwangsom;

2. afgifte van de [naam schip] door de bank en [geïntimeerde 2] aan [geïntimeerde 1] op straffe van verbeurte van een dwangsom;

3. veroordeling van [geïntimeerde 2] de teboekstelling van de [naam schip] in het scheepskadaster door te halen c.q. ongedaan te maken dan wel op naam van [geïntimeerde 1] over te zetten op straffe van verbeurte van een dwangsom;

4. veroordeling van de bank tot doorhaling van het door haar gevestigde hypotheekrecht op de [naam schip] op straffe van verbeurte van een dwangsom;

Subsidiair

5. afgifte van de [naam schip] door de bank aan [geïntimeerde 1] nu zij ter zake een ouder pandrecht heeft op grond waarvan zij de executie kan overnemen op straffe van verbeurte van een dwangsom;

Meer subsidiair

6. prijsgave van de locatie van het schip zodat [geïntimeerde 1] daarop conservatoir beslag tot afgifte kan leggen;

Primair, subsidiair en meer subsidiair

7. veroordeling van de bank en [geïntimeerde 2] in de kosten van het geding, alsook de nakosten daarvan.

4.2

De voorzieningenrechter heeft:

a. de bank veroordeeld het door haar gelegde beslag op te heffen;

b. de bank veroordeeld over te gaan tot afgifte van de [naam schip] aan [geïntimeerde 1];

c. [geïntimeerde 2] veroordeeld de teboekstelling van de [naam schip] in het scheepskadaster door te halen c.q. ongedaan te maken dan wel op naam van [geïntimeerde 1] over te zetten op straffe van (verbeurte van) een dwangsom;

d. de bank veroordeeld tot doorhaling van het hypotheekrecht op de [naam schip];

e. [geïntimeerde 2] en de bank hoofdelijk in de kosten veroordeeld alsmede in de nakosten;

f. het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Daartoe oordeelde de voorzieningenrechter dat het er vooralsnog voor moet worden gehouden dat in een eventuele bodemzaak zal worden geoordeeld dat [geïntimeerde 1] eigenaar van de [naam schip] is geworden en dat zij onder de huidige omstandigheden zonder grondslag wordt belemmerd in het ongestoord kunnen uitoefenen van de rechten en aanspraken die deze positie met zich brengt. Daaruit volgt, aldus de voorzieningenrechter, dat de [naam schip] aan [geïntimeerde 1] dient te worden afgegeven, het schip op naam van [geïntimeerde 1] teboek dient te worden gesteld, het door de bank gelegde beslag gelet op het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv dient te worden opgeheven en het door de bank gevestigde hypotheekrecht dient te worden doorgehaald.

5 De beoordeling van het hoger beroep

Het hoger beroep tegen [geïntimeerde 2]

5.1

[geïntimeerde 2] was in eerste aanleg de medegedaagde van de bank. Het hoger beroep kan echter, zoals [geïntimeerde 2] terecht heeft aangevoerd, slechts tegen de wederpartij uit de eerste aanleg, en niet tegen de processuele medegedaagde, worden ingesteld. Dat brengt mee dat de bank niet kan worden ontvangen in het hoger beroep voor zover dat is ingesteld tegen [geïntimeerde 2]. Als de in het ongelijk gestelde partij dient de bank de kosten van het hoger beroep tegen [geïntimeerde 2] te dragen (1 punt tarief II).

Het hoger beroep tegen [geïntimeerde 1]

5.2

De vorderingen van [geïntimeerde 1] tegen de bank berusten naar de kern genomen op het volgende. [geïntimeerde 1] stelt eigenaar te zijn van de [naam schip]. Zij heeft de [naam schip] van [geïntimeerde 2] gekocht voor een bedrag van € 150.000,-. Daartoe verwijst [geïntimeerde 1] naar de hiervoor onder 3.4 genoemde notariële akte van koop en levering. De feitelijke levering heeft plaatsgevonden op 12 april 2013. De bank dient daarom, zo begrijpt het hof, het door haar ten laste van [geïntimeerde 2] op de aan [geïntimeerde 1] in eigendom toebehorende boot gelegde beslag op te heffen, de [naam schip] aan [geïntimeerde 1] af te geven en het hypotheekrecht op de [naam schip] door te halen.

5.3

De bank heeft tegen de vorderingen van [geïntimeerde 1] de volgende verweren aangevoerd:

Primair is de bank van mening dat het antwoord op de vraag of [geïntimeerde 2] het schip aan [geïntimeerde 1] heeft verkocht en in eigendom overgedragen irrelevant is, omdat de bank de bescherming van de openbare registers toekomt. Subsidiair stelt de bank zich op het standpunt dat geen overdracht van de [naam schip] door [geïntimeerde 2] aan [geïntimeerde 1] heeft plaatsgevonden in welk verband zij zich erop beroept dat de onder 3.4 genoemde akte geen geldige titel voor de overdracht is geweest ex artikel 3:84 lid 3 BW. Meer subsidiair beroept de bank zich op de buitengerechtelijke vernietiging van de overdracht op grond van artikel 3:45 BW.

5.3

Het hof zal hierna de verschillende vorderingen van [geïntimeerde 1] tegen de bank bespreken.

De vordering tot opheffing van het beslag

5.4

Opheffing van het beslag is onder meer, maar niet uitsluitend, aangewezen indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dat brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die opheffing vordert, met inachtneming van de beperkingen van de kort geding procedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De kort geding rechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. In dit verband verdient opmerking dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken.

5.5

Het door de bank gelegde beslag berust op de stelling dat zij een vordering heeft op [geïntimeerde 2] ter grootte van € 374.552,77 inclusief rente en kosten en dat zij ter verzekering van verhaal op het in eigendom aan [geïntimeerde 2] toebehorende schip beslag heeft gelegd. Niet de gegrondheid van de vordering van de bank op [geïntimeerde 2] is echter tussen partijen in geschil, maar de vraag of het beslag op 27 november 2013 is gelegd op het niet aan [geïntimeerde 2], maar aan [geïntimeerde 1] in eigendom toebehorende schip [naam schip]. Volgens [geïntimeerde 1] is dat het geval waartoe zij zich beroept op de tussen [geïntimeerde 2] als verkoper en [geïntimeerde 1] als koper op 21 november 2012 gesloten overeenkomst van koop en levering.

5.6

De bank betwist gemotiveerd de gestelde overdracht van de [naam schip] door [geïntimeerde 2] aan [geïntimeerde 1]. In dat verband heeft zij zich allereerst op het standpunt gesteld dat de onder 3.4 vermelde koopakte niet ten doel heeft gehad om als titel voor de overdracht te dienen. De akte betreft volgens de bank een rechtshandeling die ten doel heeft gehad het schip over te dragen tot zekerheid voor een door [geïntimeerde 1] aan [geïntimeerde 2] verstrekte geldlening, dan wel een rechtshandeling die de strekking mist het schip na overdracht in het vermogen van [geïntimeerde 1] te doen vallen. Op grond van het bepaalde in artikel 3:84 lid 3 is een dergelijke rechtshandeling geen geldige titel van overdracht. Ter onderbouwing daarvan beroept de bank zich allereerst op de inhoud van de koopakte. In de tweede plaats voert de bank aan dat de ‘koopprijs’ voor het schip € 150.000,- bedraagt, terwijl de onderhandse verkoopwaarde onder verwijzing naar het door haar als productie 8 overgelegde taxatierapport € 300.000,- bedroeg. In de derde plaats volgt volgens de bank uit de tussen [directeur van G2] en [directeur van G1] gewisselde e-mailcorrespondentie de bedoeling van partijen bij de koopakte, namelijk het aangaan van een leningsovereenkomst op basis waarvan [geïntimeerde 1] aan [geïntimeerde 2] een bedrag van € 150.000,- leent.

5.7

In hoger beroep heeft [geïntimeerde 1] op haar beurt het verweer van de bank bestreden, en in dat verband heeft zij onder meer overgelegd (productie 17) een taxatierapport van Kersten Experts BV van 3 april 2014 waaruit een vrije verkoopwaarde van de [naam schip] blijkt van € 145.000,- . Verder heeft zij stukken overgelegd als bewijs van het feit dat zij de koopprijs vermeerderd met de btw heeft voldaan aan de notaris; btw betaling verdraagt zich niet met een overeenkomst van geldlening, zoals de bank stelt.

5.8

Het hof is van oordeel dat het onderhavige kort geding zich niet leent voor beantwoording van de niet eenvoudig te beantwoorden vraag of [geïntimeerde 2] de [naam schip] rechtsgeldig aan [geïntimeerde 1] in eigendom heeft overgedragen, dan wel dat sprake is van een met het fiducia verbod van artikel 3:84 lid 3 BW strijdige zekerheidsoverdracht. Gelet op de daarover door partijen ingenomen, hiervoor kort weergegeven, standpunten is daarvoor nadere instructie in de vorm van bewijslevering nodig. Dit kort geding is daarvoor niet het geëigende middel. Dat betekent dat het hof in het beperkte kader van dit kort geding [geïntimeerde 1] niet kan volgen in haar stelling dat de [naam schip] haar in eigendom toebehoort.

5.9

Nu niet kan worden gezegd dat de door de bank gepretendeerde vordering op [geïntimeerde 2] ondeugdelijk is terwijl voorts niet kan worden aangenomen dat [geïntimeerde 1] eigenaar is geworden van de [naam schip] dient een afweging van de wederzijds betrokken belangen in de hiervoor geschetste omstandigheden in het voordeel van de bank uit te vallen. De vordering tot opheffing van het door de bank gelegde beslag is niet toewijsbaar.

De vorderingen tot doorhaling hypotheek en afgifte

5.10

Ook de vorderingen tot doorhaling van de hypotheek en afgifte van de [naam schip] aan [geïntimeerde 1] stranden op het voorgaande.

5.11

Hiervoor heeft het hof geoordeeld dat de vraag of de [naam schip] rechtsgeldig door [geïntimeerde 2] aan [geïntimeerde 1] is overgedragen in het beperkte kader van dit kort geding niet kan worden beantwoord. Mutatus mutandis geldt dan het zelfde voor het antwoord op de vraag of, indien in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat de [naam schip] in eigendom aan [geïntimeerde 1] is overgedragen, de bank te goeder trouw is in de in artikel 3:11 BW bedoelde zin. Ook dat is een vraag die in dit kort geding niet zonder nader partijdebat en instructie, waaronder eventuele bewijslevering, is te beantwoorden. De vraag of de stellingen van [geïntimeerde 1] in de memorie van antwoord onder 18-22, waarover de bank zich nog niet heeft kunnen uitlaten, juist zijn en meebrengen dat de bank op 7 november 2013 niet te goeder trouw is geweest omdat zij het eigendomsrecht van [geïntimeerde 1] kende of behoorde te kennen, kan derhalve niet in dit kort geding worden beantwoord.

De vordering tot prijsgave van de locatie van het schip

5.12

Deze vordering deelt het zelfde lot als de andere, hiervoor besproken, vorderingen.

Slotsom

5.13

Het bestreden vonnis kan, voor zover gewezen tussen [geïntimeerde 1] en de bank, niet in stand blijven. In zoverre zal dit vonnis worden vernietigd. Het meer subsidiaire beroep van de bank op artikel 3:45 BW behoeft geen bespreking. Het hof zal de vorderingen van [geïntimeerde 1] tegen de bank alsnog afwijzen en [geïntimeerde 1] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van beide instanties. Terecht grieft de bank tegen het feit dat de voorzieningenrechter de bank hoofdelijk heeft veroordeeld in de totale proceskosten en haar derhalve tweemaal, hoofdelijk, heeft veroordeeld tot betaling van dagvaardingskosten € 155,04 (2 x € 77,52) en salaris advocaat € 1.632,00 (2x € 816,00). Voor hoofdelijke verbondenheid ontbreekt een deugdelijke grondslag als bedoeld in artikel 6:6 BW. De gevorderde wettelijke rente vanaf 26 februari 2014 is als niet afzonderlijk bestreden toewijsbaar.

5.14

[geïntimeerde 1] heeft niet bestreden de stelling van de bank dat zij uit hoofde van het bestreden vonnis een bedrag van € 2.395,04 ter zake van proceskosten heeft voldaan. Sequeel van de uit te spreken vernietiging van dat vonnis is dat die kosten moeten worden terugbetaald. De vordering onder II. van de bank is derhalve toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de vordering onder III. op straffe van verbeurte van een dwangsom. Het hof zal die dwangsom beperken en maximeren. De vorderingen onder IV. en VI. zijn niet toewijsbaar bij gebreke van een deugdelijke rechtsgrond. Niet valt immers in te zien op grond waarvan op [geïntimeerde 1] jegens de bank een afdwingbare verplichting rust mee te werken aan tenaamstelling van de [naam schip] op naam van [geïntimeerde 2] en de (her)vestiging van het hypotheekrecht van de bank met [geïntimeerde 2] als hypotheekgever.

De beslissing

Het gerechtshof, recht doende in kort geding

a. verklaart de bank niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen [geïntimeerde 2],

b. veroordeelt de bank in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 2] begroot op € 704,- voor verschotten en op € 894,00 (1 punt tarief II) voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief,

c. vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 20 februari 2014 voor zover gewezen tegen de bank, en opnieuw recht doende,

d. wijst de vorderingen van [geïntimeerde 1] tegen de bank af,

e. veroordeelt [geïntimeerde 1] om aan de bank te betalen een bedrag van € 2.395,04 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening,

f. veroordeelt [geïntimeerde 1] om het schip de [naam schip] binnen 7 dagen na betekening van dit arrest aan de bank af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag dat [geïntimeerde 1] met afgifte in gebreke blijft met een maximum van € 75.000,-

g. veroordeelt [geïntimeerde 1] in de kosten van beide instanties, in eerste aanleg begroot op € 608,00 voor verschotten en op € 816,00 voor salaris advocaat, en in hoger beroep begroot op € 781,52 voor verschotten en op € 894,00 (1 punt tarief II) voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief,

h. verklaart de vernietiging van het vonnis en de veroordelingen onder e., f., en g. uitvoerbaar bij voorraad.

i. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. R.A. van der Pol, mr. B.J.H. Hofstee en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 1 juli 2014.