Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5262

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
13-10-2014
Zaaknummer
200.138.486
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats en verdeling zorg- en opvoedingstaken. Opnieuw verhuizing niet in het belang van kind. 1:253a BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.138.486

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 135391)

beschikking van de familiekamer van 1 juli 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B. Bentem te Enschede,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.A. Slappendel te Gouda.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 13 november 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 4 december 2013;

- het verweerschrift, ingekomen op 28 januari 2014;

- een journaalbericht van mr. Bentem van 17 maart 2014 met bijlagen, ingekomen op

18 maart 2014;

- een journaalbericht van mr. Slappendel van 3 april 2014 met bijlagen, ingekomen op

4 april 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 15 april 2014 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is B.A.M. Giesen verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 2005 [minderjarige] geboren. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige].

3.2

[minderjarige] woonde tot januari 2013 samen met de vader en de moeder in [woonplaats vader]. In januari 2013 is de moeder met [minderjarige] verhuisd naar [woonplaats moeder].

Bij beschikking van 13 maart 2013 heeft de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Almelo, bij wege van voorlopige voorziening [minderjarige] aan de moeder toevertrouwd.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] met ingang van 1 december 2013 bij de vader zal zijn.

Na de bestreden beschikking is [minderjarige] op 1 december 2013 terugverhuisd naar [woonplaats vader].

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen zijn in geschil de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [minderjarige]. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] met ingang van 1 december 2013 bij de vader zal zijn en als zorg- en contactregeling tussen [minderjarige] en de moeder vastgesteld dat [minderjarige] met ingang van het weekend van 13 tot 15 december 2013 eenmaal per veertien dagen bij de moeder verblijft van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.00 uur, alsmede gedurende de helft van de vakanties en nationale feestdagen, waarbij partijen de aan deze regeling verbonden reistijd en – kosten bij helfte delen.

4.2

De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 13 november 2013. De grieven van de moeder richten zich tegen de in die beschikking (onder II van het dictum) bij de vader bepaalde hoofdverblijfplaats en tegen de (onder III van het dictum) bepaalde zorg- en contactregeling tussen [minderjarige] en de moeder.

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van II en III in het dictum, en te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw zal zijn en een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader vast te stellen houdende een omgangsweekend per veertien dagen van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.00 uur, alsmede gedurende de helft van de vakanties en nationale feestdagen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

5.2

De rechter beproeft alvorens te beslissen op voormeld verzoek, een vergelijk tussen de ouders en kan, ook ambtshalve, indien geen vergelijk tot stand komt en het belang van het kind zich daartegen niet verzet, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen dan wel bepalen dat de beschikking of onderdelen daarvan met toepassing van artikel 812 tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kunnen worden gelegd.

5.3

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt en dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn.

5.4

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het thans in het belang van [minderjarige] is om weer naar [woonplaats moeder] te verhuizen.

5.5

De moeder stelt dat [minderjarige] door de terug verhuizing naar [woonplaats vader] in een noodtoestand komt. [minderjarige] volgt speciaal onderwijs en hij had sinds een jaar zijn hoofdverblijf bij de moeder in [woonplaats moeder]. [minderjarige] is ondertussen geworteld in [woonplaats moeder] en hij heeft vriendjes gemaakt. De moeder heeft een gesprek met Bureau Jeugdzorg gehad en er zijn geen zorgen over de opvoedingssituatie van [minderjarige]. De moeder acht het in het belang van [minderjarige] om in [woonplaats moeder] te blijven. De man heeft een fulltimebaan. Als [minderjarige] bij de vader zou gaan wonen, dan moet hij bij familie van de vader of de moeder verblijven. De man woont volgens de vrouw niet samen zodat geen sprake is van een gezinssituatie. Tijdens het huwelijk zorgde de moeder voor [minderjarige]. De moeder heeft zich door huiselijk geweld gedwongen gezien te verhuizen. Zij heeft geen psychische stoornis of een alcoholprobleem; de vader zet de moeder in kwaad daglicht. De moeder heeft gedaan wat mogelijk was om het contact tussen [minderjarige] en man in stand te houden. De vader en [minderjarige] hebben veelvuldig Skypecontact en zij is de omgangsregeling goed nagekomen.

5.6

De vader voert aan dat de moeder [minderjarige] in januari 2013 uit zijn vertrouwde omgeving heeft gehaald en met hem is verhuisd naar [woonplaats moeder]. Zij heeft haar eigen belang laten prevaleren boven het belang van [minderjarige]. Het contact tussen de vader en [minderjarige] is hersteld, maar de moeder heeft zich hiertoe niet of nauwelijks ingespannen. [minderjarige] woont sinds 1 december 2013 weer bij de vader en hij is niet gebaat bij weer een verhuizing. [minderjarige] heeft het erg naar zijn zin in [woonplaats vader]. Hij is weer bij zijn familie en gaat weer naar zijn oude en vertrouwde school, voetbalt weer bij zijn oude voetbalclub en speelt weer met zijn oude vriendjes. Het gaat goed met [minderjarige] en er is geen sprake van een noodtoestand. De overgang naar de vader is rustig verlopen. [minderjarige] is niet geworteld geweest in [woonplaats moeder]. [minderjarige] is binnen een jaar weer op zijn oude woonadres in [woonplaats vader] gaan wonen. De vader had toen partijen nog samenleefden een substantiële rol in de opvoeding van [minderjarige]. Tijdens het huwelijk werd [minderjarige] ook wel eens opgevangen door familie van de vader, omdat de moeder zei dat zij moest werken. De vader kan de volledige zorg voor [minderjarige] op zich nemen. Zijn werkgever is flexibel. De vader kan [minderjarige] naar schoolbus brengen en in de middag weer thuis zijn. In uitzonderingsgevallen kan de familie van de vader of de partner van de vader hem opvangen. Bij de moeder thuis wordt [minderjarige] ook wel eens opgevangen door een oppas. De vader woont momenteel nog niet samen maar het voornemen bestaat wel. Er is sprake van een stabiele leefomgeving bij de vader. Er was geen sprake van huiselijk geweld. Dat een gesprek met Bureau Jeugdzorg heeft plaatsgevonden is nieuw voor de vader. De vader vindt de moeder niet geloofwaardig noch stabiel. Zij heeft in verleden veel gelogen. Er waren zorgelijke signalen met betrekking tot alcoholgebruik. De moeder bepaalt nu hoe de omgangsregeling verloopt. Van enig overleg is volgens de vader geen sprake. De moeder komt haar afspraken niet altijd na. De dagelijkse webcamafspraak wordt vaak door de moeder afgezegd en moeder heeft geen inzicht in de gevolgen hiervan voor [minderjarige].

5.7

Namens de raad is ter mondelinge behandeling verklaard dat [minderjarige] niet gebaat is bij een conflict tussen de ouders. [minderjarige] heeft een ontwikkelingsachterstand en is licht autistisch. [minderjarige] volgt speciaal onderwijs, dus hij zal een kwetsbaar kind zijn. Als de moeder zou worden gevolgd in het hoger beroep, dan betekent dit dat [minderjarige] voor de derde keer moet verhuizen. De raad acht dit niet in het belang van [minderjarige]. De raad constateert dat het thans waarschijnlijk goed gaat met [minderjarige] en dat het in het belang van [minderjarige] is dat dit zo blijft. Het ontbreekt [minderjarige] aan ouders die willen overleggen. De ouders moeten zich zelf afvragen wat ze willen. De beste beslissing is een beslissing die de ouders samen nemen. De raad adviseert de ouders om samen te gaan overleggen en te gaan werken aan hun communicatie.

5.8

Gelet op de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling over en weer is verklaard, is het hof van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij zijn hoofdverblijf in zijn vertrouwde omgeving bij de vader in [woonplaats vader] heeft. [minderjarige] is daar geboren en opgegroeid. Hij heeft daar zijn familie, vriendjes en voetbal. [minderjarige] heeft een ontwikkelingsachterstand en hij volgt bijzonder onderwijs. Het gaat goed met [minderjarige] in [woonplaats vader], hij heeft zijn draai weer gevonden op zijn oude school, hij heeft oude vriendschappen opgepakt en nieuwe vriendschappen gesloten. De vader heeft onbetwist gesteld dat hij de zorg voor [minderjarige] goed kan combineren met zijn werk en dat er sprake is van een sociaal vangnet in [woonplaats vader].
Vast staat dat de moeder [minderjarige] - zonder overleg en zonder overeenstemming van de vader - uit zijn vertrouwde omgeving heeft gehaald en hem heeft meegenomen naar [woonplaats moeder], een voor hem onbekende plaats. Zij heeft evenmin overleg gepleegd met de vader over hoe het contact tussen [minderjarige] en de vader zou moeten worden ingevuld, waardoor dit contact aanzienlijk verminderde. De moeder heeft door zo te handelen onvoldoende blijk gegeven van inzicht in de gevolgen daarvan voor [minderjarige], mede gelet op zijn beperkingen. Weliswaar dacht de moeder dat zij in het belang van [minderjarige] handelde, maar het hof is van oordeel dat het besluit om met [minderjarige] naar [woonplaats moeder] te vertrekken juist niet in het belang van [minderjarige] was.
Het hof acht een (derde) verhuizing in relatief korte tijd, namelijk weer terug naar [woonplaats moeder], zoals de moeder verzoekt, niet in het belang van [minderjarige]. De huidige situatie dient naar het oordeel van het hof bestendigd te worden.

5.9

Vast staat dat de ouders, die gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige], niet althans moeilijk met elkaar kunnen communiceren. Zij hebben enkele pogingen gedaan om te werken aan hun onderlinge communicatie, onder andere door in mediation hun geschillen proberen op te lossen, maar deze pogingen zijn niet geslaagd. Ondanks hun goede intenties is vast komen te staan dat er op dit punt in het afgelopen jaar geen positieve ontwikkeling is geweest. Daaruit blijkt dat de ouders in elk geval doordrongen zijn van het grote belang van een goede onderlinge communicatie over alle beslissingen die [minderjarige] aangaan: schoolkeuze, de zorg- en contactregeling, omgang met andere familieleden binnen het netwerk van de ouders etcetera. Nu blijkt dat het de ouders op eigen kracht niet lukt de onderlinge communicatie te verbeteren, acht het hof het noodzakelijk dat de ouders hierbij hulp zoeken.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

6.2

Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van

13 november 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeing-van Hees, J.B. de Groot en
M.E.L. Klein, bijgestaan door mr. M. Ligtenberg-Vastenholt als griffier, en is op 1 juli 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.