Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5229

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
29-09-2014
Zaaknummer
200.013.193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0267

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.013.193

arrest van de vierde kamer van 1 juli 2014

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. A.H. van Tets-Asjes,

tegen:

[verweerder],

wonende te [woonplaats], Australië,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

hierna: de man,

advocaat: mr. J.D.E. van den Heuvel.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 28 juni 2011 over. In dat tussenarrest is een onderzoek door deskundigen bevolen en zijn twee deskundigen benoemd. Aan ing. L.L.M. de Lorijn zijn drie vragen gesteld en aan G.J.J. Briggeman MBV RV zijn acht vragen gesteld. De door deze deskundigen opgestelde deskundigenberichten zijn vervolgens in het geding gebracht. Nadien heeft de vrouw een memorie na deskundigenbericht genomen, gevolgd door een memorie van antwoord na deskundigenbericht van de man.

1.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

Achtergrond van de zaak

2.1

De feitelijke achtergrond van deze zaak is geschetst in rechtsoverweging 2.7 van het tussenarrest van 23 maart 2010. In rechtsoverweging 2.8 van dat tussenarrest heeft het hof de vaststaande feiten opgesomd betreffende de gang van zaken rondom de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant. De stellingen waarover partijen het niet eens zijn somt het hof in rechtsoverweging 2.9 (stellingen van de vrouw) en 2.10 (stellingen van de man) op. In rechtsoverweging 2.11 heeft het hof geoordeeld dat nadere informatie nodig was omtrent zowel de waarde als de liquiditeit van de onderneming van de man per 15 oktober 1992 en/of 1 januari 1993. In het tussenarrest van 8 februari 2011 heeft het hof in rechtsoverweging 2.7 bepaald dat 1 januari 1993 als peildatum voor de waardering van de goederen van de in verdeling gebrachte huwelijksgoederengemeenschap heeft te gelden. De deskundigen zijn benoemd in het tussenarrest van 28 juni 2011 en zij hebben een deskundigenbericht uitgebracht.

De beoordeling van de deskundigenberichten

2.2

Deskundige Briggeman heeft in haar rapport gebruik gemaakt van de taxaties die verricht zijn door deskundige De Lorijn, teneinde de waarde in het economisch verkeer van de onderneming van de man (Akkerbouwbedrijf [A]) te kunnen bepalen.

Ten aanzien van het deskundigenbericht van deskundige De Lorijn stelt de man (in punt 14 van de memorie van antwoord na deskundigenbericht) dat de taxaties van de landbouwgronden een schatting zijn van 20 jaar na dato, zodat de uitkomsten voorzichtig geïnterpreteerd en gehanteerd dienen te worden, hetgeen ook blijkt uit een taxatie van een door de man ingeschakelde deskundige, die tot een waardering komt die 10 tot 15% lager ligt. Deze partijdeskundige M.H.M. Vermeulen RT te Roermond stelt in zijn aanbiedingsbrief d.d. 19 juni 2013 (productie 1 bij genoemde memorie) dat “de verkopen in de periode 1993 in het gebied waar de landerijen van[verweerder] liggen, gemiddeld een waarde hebben die tussen de 10% en 15% lager liggen dan de aangegeven waarden in het deskundigenrapport”.

Het hof passeert deze algemene stelling. Deskundige De Lorijn heeft elk perceel afzonderlijk onderzocht en heeft hiermee een op de concrete situatie toegespitste rapportage uitgebracht. En overigens is inherent aan taxaties, zeker als het gaat om waardering tegen een datum ver in het verleden, dat over die waardering, die geen exacte wetenschap betreft, verschillend gedacht kan worden. Een verschil van om en nabij 10%, zo hier al sprake van zou zijn, oordeelt het hof dan ook niet van groot gewicht. De opmerkingen van de partijdeskundige over verkopen in het gebied waarin de landerijen van Akkerbouwbedrijf [A] liggen zijn dermate algemeen, dat het hof daaraan verder geen waarde hecht.

2.3

Deskundige Briggeman heeft, mede op basis van de waardebepalingen van deskundige De Lorijn een totaal aanwezig vermogen (bezittingen minus schulden) van partijen per 1 januari 1993 bepaald van fl. 7.655.184,-. Een en ander is te vinden op bladzijde 13 van het rapport en in de bijlage bij het rapport.

De man plaatst kanttekeningen bij het deskundigenbericht van Briggeman. In punt 12 van zijn memorie van antwoord na deskundigenbericht stelt hij, kennelijk in het kader van de waardering van [B] Farms, dat een vordering op bedrijfsleider [C] ter hoogte van USD 442.555,- nimmer door hem is terugbetaald. Wat de man hiermee nu precies wil zeggen is het hof niet duidelijk. De deskundige Briggeman heeft in het rapport op bladzijde 13 (bovenaan, 2e alinea) aangegeven, dat op grond van de beperkte informatie die voorhanden is een waarderingsonderzoek niet mogelijk is, maar dat zij het wel plausibel acht dat de waarde in het economisch verkeer op 1 januari 1993 van het ondernemingsvermogen van [B] Farms (er zijn geen ondernemersactiviteiten, maar wel percelen landbouwgrond) op fl. 1.173.459,- kan worden gewaardeerd. Het hof heeft geconstateerd dat op bladzijde 12 van het deskundigenbericht dit bedrag van USD 442.555,- is terug te vinden bij de activapost leningen u/g, doch slechts in het jaar 1990 en niet in latere jaren. Het hof kan ook daarom de stelling van de man, zonder nadere toelichting die hij niet heeft gegeven, niet volgen en oordeelt voorts dat deze post niet relevant (meer) is per peildatum 1 januari 1993.

In hetzelfde punt van zijn memorie stelt de man dat er “ten behoeve van de deeltijdse verkoper een eerste recht van hypotheek was gevestigd van UDS 110.000,00 in verband met de nog te betalen koopprijs”. Ook deze stelling is, zonder nadere toelichting die ontbreekt voor het hof onbegrijpelijk zodat het hof hierop ook geen acht kan slaan.

In punt 13 van zijn memorie stelt de man dat de deskundige geen onderzoek heeft gedaan naar de actuele waarde van de actiefposten, maar zich uitsluitend baseert op cijfers, terwijl in de transactiepraktijk due diligence waarderingsonderzoeken, bijvoorbeeld taxatierapporten, gebruikelijk zijn. Zonder nadere toelichting die ontbreekt kan het hof deze stelling van de man niet volgen in het kader van de waardering van [B] Farms. Nu blijkens het deskundigenrapport van Briggeman op dit onderdeel op basis van de balans voor de jaren 1989 en 1990 volgens Hudson Anderson op basis van de balans voor de jaren 1991 en 1992 zoals geconstrueerd uit de aangiften vermogensbelasting, de waardering van [B] Farms is vastgesteld op het bedrag van fl. 1.173.459,- (en daarbij ook is aangeknoopt bij de aangifte vermogensbelasting 1993 die van eenzelfde waarde uitgaat), kan de man niet volstaan met wat algemene opmerkingen als hierboven weergegeven. Het had op zijn weg gelegen een en ander deugdelijk, met cijfermateriaal, te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten.

2.4

Concluderend komt het hof tot het oordeel dat de deskundigenrapporten deugdelijk zijn onderbouwd en begrijpelijk zijn opgesteld; de conclusies en de antwoorden zijn te herleiden tot hetgeen de deskundigen in hun rapporten als onderbouwing hebben weergegeven. Het hof sluit zich aldus aan bij de deze deskundigenrapporten en maakt die overwegingen tot de zijne. Het hof zal dan ook de bedragen genoemd in de deskundigenberichten tot uitgangspunt nemen.

Nu partijen in gemeenschap van goederen gehuwd zijn geweest, had de vrouw bij de verdeling fl. 3.827.592,- toebedeeld dienen te krijgen. Volgens de balans was de waarde van de aan de vrouw toebedeelde woning aan de [adres] te [woonplaats] op de peildatum fl. 294.534,- en de Volkswagen Polo fl. 5.875,-, tezamen derhalve fl. 300.409,-. In deze bedragen zijn niet de contante waarde van het ouderdoms- en bijzondere nabestaandenpensioen begrepen, die ook in de gemeenschap van goederen valt.

Onrechtmatige daad

2.5

Zoals ook al is overwogen in rechtsoverweging 2.6 van het tussenarrest van 23 maart 2010 stelt de vrouw dat de man een onrechtmatige daad jegens haar heeft gepleegd, omdat hij haar bij de totstandkoming van het convenant heeft misleid, althans misbruik van omstandigheden heeft gemaakt doordat hij voor haar (en voor de betrokken notaris mr. Poppe) verborgen heeft gehouden dat hij over aanzienlijk meer vermogen beschikte, dat in de gemeenschap viel waarin partijen waren gehuwd. De man heeft een en ander gemotiveerd betwist.

2.6

Het hof oordeelt als volgt. Van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is onder meer sprake indien de laedens (in dit geval de man) een handeling heeft verricht of juist heeft nagelaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (en zonder dat daartoe een rechtvaardigingsgrond bestaat), welke handeling of welk nalaten aan de laedens kan worden toegerekend en waardoor de gelaedeerde (in dit geval de vrouw) als gevolg van dit handelen of nalaten schade heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vermogensrechtelijke afwikkeling van een huwelijk na echtscheiding, in het bijzonder de verdeling van de door de echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen. Het destijds toepasselijke artikel 1:98 BW (thans artikel 1:83 BW) schreef partijen voor elkaar desgevraagd inlichtingen te verschaffen over de stand van hun goederen en schulden. Artikel 3:166 lid 3 BW bepaalt verder dat op de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten artikel 2 van boek 6 BW van overeenkomstige toepassing is. Dat betekent dat die rechtsbetrekkingen worden beheerst door de eisen van de redelijkheid en billijkheid, bij de vaststelling waarvan rekening moet worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, de in Nederland levende rechtsovertuigingen en de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij dit geval zijn betrokken. Dit vloeit evenzeer voort uit het hier ook toepasselijke artikel 6:248 BW juncto artikel 6:216 BW. Het hof is van oordeel dat uit artikel 3:166 lid 3 BW voor partijen als deelgenoten in de ontbonden huwelijksgemeenschap voortvloeit, dat zij gehouden zijn elkaar, maar ook een bij de verdeling betrokken professionele derde, volledig, deugdelijk en naar waarheid in te lichten over de (waarde van de) goederen en de schulden die tot de ontbonden gemeenschap behoren. Dat is naar het oordeel van het hof in overeenstemming met het algemeen erkende rechtsbeginsel en de hier te lande levende rechtsovertuiging dat men niet opzettelijk informatie die voor de wederpartij van doorslaggevend belang is mag verzwijgen, dat onder meer ten grondslag ligt aan artikel 3:194 lid 2 BW en artikel 6:228 lid 1 sub b BW. Bovendien strookt dit met het persoonlijke belang van de vrouw in deze zaak volledig op de hoogte te worden gesteld van hetgeen voor de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van belang is. De kernvraag in de onderhavige zaak is of de man de vrouw (en de notaris) naar waarheid en volledig heeft ingelicht over de (waarde van de) vermogensbestanddelen van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap.

2.7

Vooropgesteld wordt dat de man (als enige) leiding gaf aan zijn verschillende ondernemingen en als zodanig inzage had in de vermogenspositie daarvan. Hij was eveneens op de hoogte van de risico’s, zoals mogelijke fiscale claims op de bedrijven in verband met de fiscale naheffingen inzake de Wet Douane en Accijnzen en de problematiek rond de door de bedrijven tewerkgestelde Poolse zelfstandigen (zie conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie onder 11). De vrouw had geen dienstverband met enige onderneming van de man, was al vele jaren niet meer betrokken bij administratieve werkzaamheden van de ondernemingen, had ook geen andere betrokkenheid daarbij dan hooguit betrokkenheid uit hoofde van normale sociale omgang met enkele werknemers, dat voortvloeide uit het feit dat de voormalig echtelijke woning op het bedrijfsterrein van de man stond. De broer van de vrouw, de heer [D], belastingconsulent (hierna: [D]) heeft de administratieve werkzaamheden verricht, volgens de man al vanaf 1964. De kennis die [D] had omtrent de vermogenspositie van de ondernemingen kan niet zonder meer aan de vrouw worden toegerekend. Dat zou alleen anders zijn, indien zou komen vast te staan dat [D] zijn zus daarvan op de hoogte had gesteld en gehouden. Weliswaar herhaalt de man in de memorie van antwoord na deskundigenbericht onder punt 5 dat op de achtergrond [D] zijn zus (de vrouw) adviseerde, maar de vrouw heeft deze stelling steeds gemotiveerd betwist. De man heeft zijn stelling, dat de vrouw via haar broer [D] op de hoogte was van de vermogenspositie van de ondernemingen van de man, niet deugdelijk onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbijgaat.

2.8

Gezien deze feiten en omstandigheden en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, was de man gehouden en had het ook op de weg van de man gelegen om de vrouw volledig naar waarheid te informeren over de omvang en waarde (vermogensbestanddelen) van de huwelijksgemeenschap alvorens het echtscheidingsconvenant werd getekend, temeer nu dit voor het overgrote deel bestaat uit het ondernemingsvermogen van de ondernemingen die de man dreef. De man heeft weliswaar (meermalen) aangevoerd dat de vrouw in de inleidende dagvaarding van 9 april 2001 (sub 20b) zelf heeft erkend dat zij “in globale zin op de hoogte was van de vermogens- en inkomenspositie van [de man]”, doch de vrouw heeft de betekenis van die zinsnede steeds bestreden en ter gelegenheid van de comparitie van partijen van 2 september 2010 verklaard dat zij destijds absoluut niet wist hoe die vermogenspositie was. Wat hier ook zij van deze in algemene bewoordingen gedane opmerking in de inleidende dagvaarding, deze is van onvoldoende gewicht om hieraan de betekenis toe te kennen, die de man kennelijk voorstaat, dat de vrouw goed op de hoogte was van de samenstelling en omvang (waarde) van de ontbonden huwelijksgemeenschap en wist dat deze een omvang had die overeenkomt met hetgeen naderhand door de deskundige Briggeman is becijferd.

De rol van de notaris en het notarisdossier

2.9

Partijen hebben zich gezamenlijk gewend tot notaris Poppe teneinde hen bij te staan bij de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk. Notaris Poppe heeft op 24 september 1992 het eerste concept van het echtscheidingsconvenant aan partijen gestuurd (zie productie 20 conclusie van repliek in conventie, antwoord in reconventie), zonder vermogenswaardering. Het eerste concept is, wat de grote lijnen van de verdeling betreft, goeddeels gelijk aan de tweede, door partijen getekende versie. Dit tweede concept (eveneens zonder vermogenswaardering) is op 15 oktober 1992 aan partijen gestuurd en is daags daarna, op 16 oktober 1992, door partijen getekend.

De vraag die partijen verdeeld houdt is of notaris Poppe de beschikking had over alle relevante gegevens, teneinde het echtscheidingsconvenant op te kunnen maken met daarin de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Er circuleren in deze procedure twee set stukken, die het hof, met partijen, aanduidt als de gekuiste versie (het stuk afkomstig uit het dossier van notaris Poppe) en de complete versie (het stuk afkomstig van de man). De verschillen tussen beide versies heeft de vrouw in conclusie van repliek in conventie, antwoord in reconventie sub 21 uitvoerig uit de doeken gedaan. Hetgeen zij heeft geconstateerd is feitelijk juist; de man heeft dit ook niet weersproken. Het hof zal dit hierna nog verduidelijken.

2.10

Op verzoek van de vrouw heeft notaris mr P.H.M.J. Tijssen (de opvolger van notaris Poppe) op 17 juli 2001 een kopie gestuurd aan de vrouw van het dossier [Verzoekster/verweerder] (productie 20 bij de conclusie van repliek in conventie, antwoord in reconventie) dat notaris Poppe in zijn bezit had. In dat dossier bevindt zich onder meer een 10 bladzijden (ongenummerd) tellend overzicht van vermogensbestanddelen van de ontbonden huwelijksgemeenschap. De man heeft een daarop gelijkend stuk in het geding gebracht (als productie 14 bij de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie). Er zijn evenwel opvallende verschillen. Allereerst het aantal bladzijden: het stuk van de man bestaat uit 12 genummerde bladzijden; het stuk uit het notarisdossier uit 10 ongenummerde bladzijden. Op de bladzijden betreffende [Verweerder] Onroerend Goed B.V., [Verweerder] Landbouwtechniek en Loonbedrijf [A] B.V. staan in het stuk van de man bedragen genoemd betreffende het (positieve) fiscaal ondernemingsvermogen (van respectievelijk fl. 3.087.065,65, fl. 415.697,36 en fl. 200.813,74). Deze bedragen ontbreken in het stuk uit het notarisdossier. In het stuk van de man staan (op bladzijde 10) gegevens over het pensioen en over een stamrecht-lijfrente verplichting, die per 1 september 1992 fl. 154.236,41 bedroeg. Deze bladzijde is afwezig in het stuk in het notarisdossier, evenals bladzijde 12 van het stuk van de man, waarin een opsomming van de bijlagen is opgenomen.

2.11

In een brief van de (advocaat van de) vrouw aan mr. Tijssen van 13 september 2001 (productie 21 bij de conclusie van repliek in conventie, antwoord in reconventie) staat onder meer: “Op 17 juli jl. heeft u mij (…) een stuk toegestuurd, bestaande uit 10 pagina’s, bevattende een opsomming van de diverse vermogensbestanddelen. Bij mijn brief aan u van 24 augustus jl. heb ik u verzocht te bevestigen dat dit stuk overeenstemt met het stuk, dat zich in het dossier van oud-notaris Poppe bevindt en dat zich geen andere versies van dit stuk (met meer of andere gegevens of meer pagina’s) in het dossier van oud-notaris Poppe bevinden. Zekerheidshalve heb ik een kopie van dit stuk aan mijn brief gehecht. Heden heeft u mij telefonisch bevestigd dat dit stuk inderdaad overeenstemt met het stuk, dat zich in het dossier van oud-notaris Poppe bevindt en dat zich geen andere versies van dit stuk (…) in het dossier van oud-notaris Poppe bevinden. Tevens heeft u mij medegedeeld dat niet uit het dossier blijkt door wie en op welke wijze oud-notaris Poppe van deze stukken in het bezit is gesteld. (…)”

2.12

Het hof concludeert op grond van deze feiten en omstandigheden dat niet vastgesteld kan worden dat de notaris daadwerkelijk inzicht heeft gehad in de volledige huwelijksvermogenspositie van partijen. Uit niets blijkt immers dat de notaris heeft beschikt of heeft kunnen beschikken over enige waardering van de bestanddelen van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Op geen enkele wijze blijkt dan ook dat de notaris heeft berekend of heeft kunnen berekenen dat de woning, de auto en de alimentatie die de vrouw verkreeg, gelijk kan worden gesteld aan de helft van de waarde van de ontbonden huwelijksgemeenschap. De man heeft weliswaar ook aangevoerd dat de notaris alles heeft berekend (ook de alimentatie), doch deze stelling van de man is niet op enige wijze met stukken of nadere berekeningen onderbouwd waaruit zulks blijkt of kan blijken.

Ook al zou de stelling van de man dat (ook) de notaris zijn plicht jegens de vrouw verzaakt heeft door haar niet volledig in te lichten, juist zijn, dan betekent dat nog niet dat daardoor de gedragingen van de man niet als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt, temeer nu niet is komen vast te staan dat de man de notaris een goed inzicht heeft verschaft in het vermogen van partijen. Het hof stelt vast dat zich in het dossier bij de notaris geen vermogenswaardering bevond. Op basis van het dossier van de notaris kan daarom evenmin worden vastgesteld dat de vrouw geïnformeerd of op de hoogte was van de waarde van de bestanddelen van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Uit niets blijkt dat de vrouw willens en wetens genoegen heeft genomen met een fractie van wat haar toekomt op basis van de deskundigenrapporten.

Kennis van de man van de waarde

2.13

Indien en voor zover de man zelf geen precieze kennis had van de waarde van de bestanddelen van de ontbonden huwelijksgemeenschap en gerechtvaardigd ervan uit ging en mocht gaan dat deze een omvang had van, zoals hij zelf stelt (in zijn brief aan de vrouw van 24 december 1999, productie 7b bij de inleidende dagvaarding) “ongeveer 1,3 tot 1.400,000,-“ kan hem niet worden verweten dat hij de vrouw en de notaris onvolledig en/of onjuist heeft voorgelicht. In die brief staat voorts: (…) Ik heb je het financiële plaatje niet voorgehouden, maar vd Heuvel (de advocaat, hof) heeft dat voor ons laten uitzoeken. (…) Volgens de deskundige hadden we samen bij de echtscheiding ongeveer 1,3 tot 1.400.000,- Jij had dus recht op de helft. Dit heb je ook gekregen. In de vorm van een hypotheek van f400.000,- tot F 450.000,- plus huis in [woonplaats] plus auto. Dus samen de helft van alles wat we hebben. Bovedien heb ik de verplichting voor de financiële kosten van onze kinderen op me genomen. Als je die ruim 400.000 gulden op de bank zou zetten zou je een veel minder groot bedrag per maand uitgekeerd krijgen. Ik meen iets van ergens in de 3000gulden. Daarom is ten gunste van jou opnieuw gerekend met een veel hoger percentage, er van uitgaand dat indien het geld in het bedrijf zou blijven er minstens enkele procenten meer winst in zat. In plaats van de toen 7% rente is de berekening opnieuw gedaan met een rendement van 10 of 12% /jaar. Dit kwam uit op een vergoeding van de huidige F 5.100/maand zolang je leeft. In cijfers uitgedrukt is dit voor een jaar

Kapitaal begin jaar: F 400.000,-

Rente 12% over dat jaar F 48.000,-

Uitbetaling 12 * F5.100,-= f 61.200,-

Kapitaal einde jaar F 386.800,-

Op het einde komt dit dan op F 0,- uit. Dit alles volgens de gebruikelijke formule en statistieken.

Die f 2.500.000,- die ik jouw betaal. Dit is heel eenvoudig. Bij de echtscheiding had je volgens de statistieken onder normale omstandigheden nog ongeveer 40 jaar te leven, het juiste getal weet ik nu dus niet meer. Ik heb de verplichting om iedere maand zo lang als je leeft f 5.100,- Dus ongeveer f2.500.000,- is mijn totale verplichting aan jou te geven. Bovendien blijf je pensioenrechten behouden. Jij kunt dus mooi niets doen en mij verwijten maken, terwijl ik moet zorgen dat je restant gedeelte een goed rendement oplevert. (…)

Over de vorige opmerkingen het volgende, Volgens mij krijg je geen alimentatie maar je uitkering uit de boedelscheiding, maar dat weet ik niet zeker ik heb niets nagekeken.”

2.14

In een e-mail van enkele weken daarvoor, 20 november 1999, schrijft de man aan (onder andere) de vrouw hierover het volgende: “Bij de scheiding is een convenant gemaakt waarin ieder alle bezittingen en schulden voor de helft kreeg. Omdat de bedrijven hard gegroeid waren is het maximale bij de banken geleend. Alleen al in landbouwtechniek was meer dan 6.000.000 gulden schuld. Daarom was bij een gedwongen verkoop er niets of een klein beetje overgebleven. In de praktijk gaat men er vanuit dat volgens de ervaring gemiddeld de netto opbrengst bij gedwongen verkoop 20 tot 30% lager is dan de normale waarde. Omdat we er beide niet voor voelde in een rijtjeshuis te gaan zitten en van de steun of een baantje te leven, hebben voor een betere oplossing gezocht. Daarom heeft een Notaris samen met een accountant alles schulden en bezittingen tegen de normale waarde uitgerekend en in twee helften gedeeld. De waarde dat voor [verzoekster] uitkwam kon uiteraard niet uitbetaald worden omdat deze waarde er niet in contanten was, en ook geen bank wilde die hoeveelheid lenen. Daarom is haar helft omgezet in een huis en auto plus levenslange alimentatie. Voor de alimentatie is men uitgegaan van standaardgegevens, dat iemand met normale gezondheid en die leeftijd nog zoveel jaar te leven had, dat was voor haar toen ongeveer 40 jaar geloof ik. (…)”.

2.15

Het hof oordeelt als volgt. Uit de eigen stellingen van de man (zie onder meer punt 7 van de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie) en uit de door hem overgelegde stukken (zie onder 2.10) blijkt dat [D] een gedetailleerd overzicht heeft gemaakt van de kennelijk huwelijksgoederengemeenschap. Uit dat overzicht blijkt onder meer dat het fiscale ondernemingsvermogen van [Verweerder] Onroerend Goed B.V. fl. 3.087.065,- bedroeg op 31 december 1991. (Terzijde merkt het hof op dat deze regel/dit bedrag niet voor komt op de stukken die bij notaris Poppe in het dossier zaten.) [Verweerder] Landbouwtechniek B.V. had op dezelfde datum een fiscaal ondernemingsvermogen van fl. 415.697,-; Loonbedrijf [A] van fl. 200.813,- en bij [G] was sprake van een negatief fiscaal ondernemingsvermogen van fl. 122.939,-. Nu de genoemde data van de waardering lagen vóór het opstellen van het eerste echtscheidingsconvenant moet de man, gezien zijn positie in de ondernemingen, van deze waardebepalingen op de hoogte zijn geweest. Daarbij komt dat de man op 10 november 1992 (vlak na het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant) aan een derde percelen (landbouw)grond in eigendom heeft overgedragen voor een koopprijs van fl. 1.400.000,-. Alleen al dit bedrag is gelijk aan de waarde die de man stelt dat de gehele ontbonden huwelijksgemeenschap heeft. Het betreft bij deze levering een kleine 20 hectare grond. Uit de lijst op de 5e (ongenummerde) bladzijde van de bestanddelen van de ontbonden huwelijksgemeenschap uit het notarisdossier blijkt dat daarnaast nog ruim 26 hectare tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorde. Dat er mogelijke belastinglatenties zijn, of vorderingen ter zake tewerkgestelde Polen moge zo zijn, maar op geen enkele wijze is aangevoerd wat de hoogte hiervan is of welke reserveringen hiervoor zijn gemaakt. Het hof oordeelt dan ook dat de man ervan op de hoogte moet zijn geweest dat de ontbonden huwelijksgemeenschap een aanzienlijk hogere waarde had dan de door hem aan de vrouw gemelde waarde van fl. 1.300.000,- a fl. 1.400.000,-.

2.16

Verder constateert het hof dat de belastingdienst heeft vastgesteld dat het vermogen van partijen op de peildatum fl. 8.587.578,- bedroeg (zie producties 16 en 17 bij de conclusie van repliek in conventie). Op geen enkele manier is gebleken dat de vrouw ermee bekend was dat het te verdelen vermogen een dermate hoge waarde had. Voor zover uitbetaling aan de vrouw van haar aandeel al onmogelijk was vanwege de liquiditeitspositie van de ondernemingen, zoals de man stelt, had het in de rede gelegen aan de vrouw goederen toe te delen uit de ontbonden huwelijksgemeenschap of om betalingsregelingen te bespreken, zoals uitgestelde betaling, of betaling in termijnen. Dit punt zal bij de te gelasten comparitie van partijen aan de orde worden gesteld.

2.17

De man heeft voorts aangevoerd dat de vrouw haar aandeel in het vermogen (naast een woning en de auto) heeft ontvangen in de vorm van (een levenslange) alimentatie. Deze stelling snijdt geen hout. De vrouw heeft immers recht op de helft van het huwelijkse vermogen. Geheel los daarvan (en gebaseerd op een andere rechtsgrond) staat de alimentatieverplichting (die in die tijd nog niet gelimiteerd was tot 12 jaar) van de man jegens de vrouw. De man heeft in dit kader aangevoerd (conclusie van dupliek in conventie, repliek in reconventie, sub 17) dat de notaris “de door hem gehanteerde methodiek bij vaststelling van de alimentatieverplichtingen en de vermogensrechtelijke scheiding en deling tot in detail met partijen heeft besproken en doorgerekend”. Daargelaten dat deze stelling door de vrouw is betwist, is van deze stelling ook geen enkele feitelijke onderbouwing in het dossier (van de notaris) te vinden. De bepaling over de alimentatie in het convenant (artikel 4) spreekt ook alleen over de maandelijkse bijdrage in de kosten van levensonderhoud en in die bepaling noch elders in het convenant is een (objectief) aanknopingspunt te vinden voor de stelling van de man dat met deze maandelijkse betaling bedoeld is (tevens) de schuld van de man aan de vrouw in het kader van overbedeling te voldoen. Terzijde merkt het hof nog op dat de omstandigheid dat de man de kosten voor de kinderen voor zijn rekening heeft genomen, toch niet gezien kan worden als betaling van een aandeel aan de vrouw wegens overbedeling, nog afgezien van de wettelijke onderhoudsverplichting die de man jegens zijn kinderen had.

2.18

Concluderend oordeelt het hof dat de man jegens de vrouw onrechtmatig heeft gehandeld doordat hij haar, ondanks zijn gehoudenheid daartoe, niet volledig en waarheidsgetrouw heeft ingelicht over de omvang en waarde van de bestanddelen van de ontbonden huwelijksgemeenschap om zo tot een eerlijke verdeling bij helfte van die ontbonden huwelijksgemeenschap te komen. Gelet op het grote verschil tussen het bedrag dat de vrouw heeft ontvangen en het bedrag waartoe zij gerechtigd was op grond van het deskundigenrapport van Briggeman is het hof van oordeel dat de vrouw door de onrechtmatige daad van de man schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt.

2.19

De vrouw heeft onder meer een veroordeling van de man gevorderd tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Ingevolge vaste rechtspraak dient, alvorens de vordering wordt toegewezen, beoordeeld te worden of de schadeomvang van de vrouw direct in deze procedure kan worden vastgelegd. Het hof oordeelt dat dit het geval zou kunnen zijn. Het hof verzoekt daarom (de advocaten van) partijen om zich hierop deugdelijk voor te bereiden (desgewenst met bescheiden) ten behoeve van de te gelasten comparitie van partijen voor de meervoudige kamer van dit hof. Partijen dienen erop voorbereid te zijn dat het hof ook zal proberen of tussen partijen overeenstemming gevonden kan worden over een minnelijke regeling.

2.20

Alle overige beslissingen worden aangehouden.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en incidenteel hoger beroep:

bepaalt dat partijen in persoon samen met hun advocaten zullen verschijnen voor de meervoudige kamer van het hof, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bij deze comparitie bestaat geen gelegenheid om pleitnotities voor te dragen;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden september, oktober en november 2014 zullen opgeven op de roldatum 15 juli 2014, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

houdt alle overige beslissingen aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, R.A. Dozy en J.H. Lieber, ondertekend door de jongste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2014.