Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5223

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
13/01193
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1660
V-N Vandaag 2014/1422
Belastingblad 2014/328
Mr. R. van den Berg annotatie in NTFR 2014/2150

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 13/01193

uitspraakdatum: 1 juli 2014

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de erven [X] (hierna: belanghebbenden),

vertegenwoordigd door mevrouw [A] te [Z],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 oktober 2013, nummer AWB LEE 12/2269, in het geding tussen belanghebbenden en

de heffingsambtenaar van de gemeente Littenseradiel (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbenden een aanslag ten bedrage van € 963 in de forensenbelasting opgelegd voor het jaar 2012.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbenden heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar belanghebbenden niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar.

1.3

Belanghebbenden zijn tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland, (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 15 oktober 2013 gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd, het bezwaar ongegrond verklaard, de aanslag gehandhaafd, en gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbenden betaalde griffierecht van € 42 vergoedt.

1.4

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbenden, bijgestaan door haar dochter mevrouw [B], alsmede [C] namens de heffingsambtenaar.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

Belanghebbenden, de weduwe en kinderen van erflater [X], hebben in 1991 de woning [a-straat] 15 te [L], gemeente Littenseradiel, (hierna: de woning) gezamenlijk door erfrecht verkregen. De woning is reeds vele generaties bij de familie in eigendom en in gebruik. Gedurende het gehele jaar 2012 stond de woning aan belanghebbenden ter beschikking. Geen van belanghebbenden heeft hoofdverblijf in de gemeente Littenseradiel. Belanghebbenden leven niet met elkaar samen als gezin.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is de vraag of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

3.2

Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat de heffing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijke wetgeving.

3.3

Belanghebbenden voeren daartoe aan dat het bedrag van de belasting in 10 jaar is verdubbeld. Zij hebben de woning niet door koop aan permanente bewoning onttrokken. Zij hebben de woning met zorg in stand gehouden. Eveneens niet voor permanente bewoning gebruikte panden, die in eigendom toebehoren aan een stichting, zijn van de heffing vrijgesteld. Omringende gemeenten kennen de heffing niet of hanteren veel lagere tarieven. Door begrotingsdruk gebruikt de gemeente de Verordening op de heffing en invordering van de forensenbelasting 2012 (hierna: de Verordening) voor een ander doel dan waarvoor deze is bedoeld.

3.4

De heffingsambtenaar heeft het standpunt van belanghebbenden gemotiveerd weersproken. Hij voert aan dat de gemeente vrij is in de tariefstelling voor de forensenbelasting, dat de stijging van het tarief ten opzichte van eerdere jaren niet leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing, en dat de aanslag is opgelegd in overeenstemming met de daarop betrekking hebbende bepalingen van de Gemeentewet, de Verordening en de geldende beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie. Voorts voert hij aan dat forensenbelasting alleen van natuurlijke personen kan worden geheven en betwist hij dat de Verordening wordt gebruikt om begrotingsdruk te verlichten.

3.5

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.6

Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en primair tot vernietiging van de aanslag en subsidiair tot vermindering van de aanslag tot op € 470, althans tot op een als redelijk aan te merken bedrag.

3.7

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening wordt onder de naam ”forensenbelasting” een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.

4.2

Deze bepaling moet zo worden begrepen dat als belastingplichtige wordt aangemerkt degene die aan de criteria voor heffing voldoet. Het gebruik van de meervoudsvorm ”personen” dient aldus te worden opgevat, dat aan iedere natuurlijke persoon die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of zijn gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houdt, een aanslag kan worden opgelegd. Indien ten aanzien van een woning meer personen als belastingplichtige kunnen worden aangemerkt, kan een keuze worden gemaakt met betrekking tot de persoon die in de heffing zal worden betrokken. Uit de bepaling kan niet worden afgeleid dat beoogd is in een aanslag meer dan een persoon in de heffing te betrekken.

4.3

Met betrekking tot de wijze waarop de heffingsambtenaar belanghebbenden, de gezamenlijke erven van de voormalig eigenaar, in de heffing heeft betrokken, oordeelt het Hof ambtshalve en met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat belanghebbenden ten onrechte gezamenlijk in deze heffing zijn betrokken.

4.4

De heffingsambtenaar heeft ter zitting nog aangevoerd dat ingevolge artikel 6 van door het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel vastgestelde ”Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie” de aanslag kan worden opgelegd aan degene die met betrekking tot het voorgaande belastingtijdvak of kalenderjaar de aanslag heeft gekregen, gezorgd heeft dat de aanslag betaald is en nog steeds belastingplichtig is, en dat de aanslag voor het vorige kalenderjaar ook ten name van de erven was gesteld. De opvatting van de heffingsambtenaar impliceert dat aldus een met de Verordening strijdige heffingsbevoegdheid zou kunnen worden gecreëerd. Om die reden oordeelt het Hof dat de heffingsambtenaar niet op grond van het genoemde beleid de aanslag rechtsgeldig aan belanghebbenden mocht opleggen.

4.5

Voor zover de heffingsambtenaar heeft bedoeld te stellen dat een van de erven als belastingplichtige is beschouwd en de aanslag is bedoeld aan deze te zijn gericht, kan hem dat niet baten. Hier doet zich niet het geval voor dat de tenaamstelling een voor de belastingplichtige kenbare fout bevat, doch is aan belanghebbenden niet duidelijk gemaakt wie van hen als belastingplichtige is aangemerkt.

4.6

Het vorenoverwogene brengt mee dat de aanslag niet in stand kan blijven.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

In beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar, alsmede de aanslag.

– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbenden het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van respectievelijk € 42,50 en € 118 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 1 juli 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong)

(J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 juli 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.