Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5096

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
200.138.113-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het burgerlijk procesrecht kent niet het beginsel van ne bis in idem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.138.113/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 124860 / HA ZA 11-175)

arrest van de tweede kamer van 24 juni 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. E.T. van Dalen, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde 1],

2.[geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 30 november 2011 van de rechtbank Groningen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 februari 2012,

- de memorie van grieven met productie.

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] in hoger beroep luidt:

"Dat het uw gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, moge behagen om bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar, het vonnis dat op 30 november 2011 door de Rechtbank Groningen onder zaaknummer 124860 is gewezen, te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, geïntimeerde alsnog te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellant te betalen een bedrag van € 214.429,77 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over een bedrag van € 141.132,00 vanaf 1 januari 2011 tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties, de kosten van het beslag daaronder uitdrukkelijk inbegrepen.''

3 De feiten

3.1

Als gesteld en niet weersproken staan tussen partijen de volgende feiten vast.

3.2

Tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] heeft vanaf 2001 tot en met het eerste kwartaal van 2007 een samenwerkingsovereenkomst bestaan op het gebied van financiële dienstverlening in het algemeen en het afsluiten van hypotheken en verzekeringen in het bijzonder. De provisies werden ontvangen door [geïntimeerde 1]. Op grond van gemaakte afspraken kwam hiervan 40% toe aan [appellant]. Op 21 april 2006 is een akte van geldlening opgesteld waarin [geïntimeerde 1] en, naar het hof begrijpt: zijn echtgenote [geïntimeerde 2], verklaren een bedrag van € 104.181,- aan [appellant] schuldig te zijn (deze akte is niet overgelegd).

3.3

Tussen partijen is een procedure gevoerd bij de rechtbank Groningen (hierna: de eerste procedure), die (in conventie) tot inzet had de vordering van [appellant] tot aflossing van de hiervoor genoemde geldlening in één keer. Bij vonnis van 10 februari 2010 heeft de rechtbank in conventie die vordering gehonoreerd en toegewezen een bedrag van € 109.330,25 (hoofdsom plus niet betaalde rente tot 1 oktober 2008 ad € 5.159,25) vermeerderd met de contractuele rente vanaf 1 oktober 2006 (het hof leest, gelet op r.o. 4.7 en 4.9: vanaf 1 oktober 2008) tot aan de voldoening. Dit vonnis is in hoger beroep door het hof bekrachtigd bij arrest van 3 januari 2012 (zaaksnummer 200.063.601/01). In reconventie (in dit hoger beroep verder niet van belang) heeft de rechtbank beslist bij eindvonnis van

15 december 2010, welk vonnis door het hof is bekrachtigd bij arrest van 1 april 2014 (zaaknummer 200.138.722/01).

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft [geïntimeerden] gedagvaard en heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. [appellant] heeft op grond van de samenwerkingsovereenkomst recht op 40% van de provisies. Deze aanspraak werd echter door [geïntimeerde 1] onbetaald gelaten. Op 21 april 2006 is een akte van geldlening opgesteld waarin een gedeelte van de op dat moment bestaande provisieschuld is omgezet in een geldlening ad € 104.181,-. Omdat de rente over die lening niet werd betaald, is de eerste procedure gestart waarbij de geldlening in zijn geheel is opgeëist. De onderhavige procedure heeft betrekking op de rest van de niet betaalde provisies. Hiertoe behoort ook doorlopende provisie daterend van na de beëindiging van de samenwerking in het eerste kwartaal van 2007. Tot aan het eerste kwartaal 2007 is de provisie berekend op basis van de boekhouding van [geïntimeerde 1]. Het gedeelte na het eerste kwartaal 2007 is geschat op basis van aannames, omdat [geïntimeerde 1] vanaf het eerste kwartaal 2007 is gestopt met het voeren van een open boekhouding, waartoe zij zich wel had verplicht. Daarom wordt tevens een vordering ex artikel 843a Rv ingesteld tot overlegging van de provisiegegevens vanaf tweede kwartaal 2007. De totale provisieaanspraak bedraagt € 314.754,-. Hierop strekken in mindering de geldlening ad € 104.181,- waarvoor al een executoriale titel bestaat en het door [geïntimeerde 1] betaalde bedrag van € 69.441,-. Alsdan resteert € 141.132,-, te vermeerderen met wettelijke handelsrente ad € 69.654,84. Daarnaast wordt aanspraak gemaakt op de rente over genoemde lening voor zover het eerste vonnis daarvoor geen titel oplevert en voor zover deze niet is betaald, te weten een bedrag van € 3.640,93. De totale vordering komt daarmee op (€ 141.132,- plus € 69.656,84 plus € 3.640,93) = € 214.429,77, te vermeerderen met wettelijke handelsrente.

4.2

[geïntimeerde 1] heeft verweer gevoerd.

4.3

De rechtbank heeft de incidentele vordering ex artikel 843a Rv afgewezen omdat deze naar haar oordeel niet voldoet aan de eis van voldoende bepaaldheid die artikel 843a Rv aan een dergelijke vordering stelt. De rechtbank heeft in de hoofdzaak overwogen dat hoewel het vonnis van 10 februari 2010 geen gezag van gewijsde heeft, de goede procesorde eraan in de weg staat dat bij de rechtbank nogmaals een procedure wordt gevoerd over een rechtsverhouding waaromtrent de rechtbank al een beoordeling heeft gegeven. Op grond daarvan en enkele daarop voortbordurende overwegingen heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen.

5 De beoordeling van de grieven

5.1

De grieven I en II bestrijden het oordeel van de rechtbank in de hoofdzaak dat hoewel het vonnis van 10 februari 2010 geen gezag van gewijsde heeft, de goede procesorde eraan in de weg staat dat bij de rechtbank nogmaals een procedure wordt gevoerd over een rechtsverhouding waaromtrent de rechtbank al een beoordeling heeft gegeven.

5.2

Deze grieven slagen. Daartoe overweegt het hof als volgt. Voorop wordt gesteld dat in eerste aanleg door [geïntimeerde 1] (terecht) geen beroep is gedaan op gezag van gewijsde, omdat het vonnis van 10 februari 2010 toen nog geen kracht van gewijsde had. Inmiddels is dat laatste (althans wat betreft het hier relevante in conventie gewezen deel) wel het geval, doch is [geïntimeerde 1] in het onderhavige hoger beroep niet verschenen. Een beroep op gezag van gewijsde ligt dus ook thans niet voor, waarmee het hof niet wil zeggen dat dit beroep zou zijn geslaagd. Naar het oordeel van het hof kan buiten het leerstuk van gezag van gewijsde een vordering niet worden afgewezen, enkel omdat over dezelfde rechtsverhouding al eerder is geprocedeerd. Het civiele procesrecht kent niet het beginsel van ne bis in idem. Bovendien heeft [appellant] grotendeels terecht aangevoerd dat in de eerste procedure werd gevorderd uit hoofde van een geldlening, terwijl in de onderhavige procedure wordt gevorderd uit hoofde van een overeenkomst van samenwerking. Die stelling is niet helemaal terecht, omdat [appellant] zijn vordering in de onderhavige procedure voor een deel wel baseert op basis van de geldlening (te weten een rentevordering).

5.3

De overige overwegingen van de rechtbank bouwen grotendeels voort op haar hiervoor onjuist bevonden oordeel en kunnen reeds daarom eveneens niet in stand blijven. De grieven III tot en met VII behoeven daarom geen afzonderlijke bespreking. Het slagen van de grieven in zoverre betekent echter nog niet dat de vordering van [appellant] zonder meer toewijsbaar is. Ingevolge de devolutieve werking van het appel dient het hof zich thans alsnog te buigen over de vraag of de vordering van [appellant] deugdelijk is onderbouwd mede in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde verweren.

5.4

De vordering van [appellant] valt in twee onderdelen uiteen:

  1. niet betaalde provisies voor zover niet reeds verwerkt in de geldlening;

  2. rente over de geldlening.

Ad a) niet betaalde provisies

5.5

Het hof stelt voorop dat [appellant] niet is ingegaan op het verweer (conclusie van dupliek sub 12) dat [geïntimeerde 2] geen partij is bij de samenwerkingsovereenkomst en dat zij daarom uit dien hoofde niets verschuldigd is. Dit verweer slaagt dan ook. Dit deel van de vordering is tegen [geïntimeerde 2] in ieder geval niet toewijsbaar.

5.6

Voor het overige heeft [geïntimeerde 1] onder meer aangevoerd dat dit deel van de vordering te onbepaald is en niet helder is onderbouwd mede in het licht van de eerste procedure.

5.7

Dienaangaande overweegt het hof als volgt. De berekening van [appellant] is neergelegd in productie 2 bij de inleidende dagvaarding en is door hem in de processtukken toegelicht.

5.8

[appellant] berekent zijn totale provisieaanspraak over 2001 tot en met 2010 op € 314.754,-. Hij geeft echter zelf al aan dat deze “berekening” voor wat betreft de periode vanaf het eerste kwartaal 2007 is gebaseerd op schattingen en aannames. Waar het hier een vordering tot nakoming betreft en niet tot schadevergoeding, dient de omvang daarvan echter te worden berekend conform wat er is overeengekomen en niet te worden geschat. Het hof merkt in dit verband op dat [appellant] geen grieven heeft aangevoerd tegen de afwijzing van zijn vordering ex artikel 843a Rv.

5.9

Voorts brengt [appellant] op het totaal van € 314.754,- het bedrag van de geldlening ad € 104.181,- in mindering. Echter, [appellant] heeft zelf gesteld dat de lening een afrekening betrof van een bruto provisieaanspraak van € 243.226,- (conclusie van repliek 38, 39 en 45). In dat licht is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet helder waarom slechts het nettobedrag van de lening wordt afgetrokken van de totale provisieaanspraak in plaats van genoemd brutobedrag van € 243.226,-.

5.10

Verder heeft [appellant] in genoemd overzicht (kolom 5) het bedrag van de lening uitgesmeerd over de diverse jaren, zonder dat dit op enigerlei wijze wordt onderbouwd. Het spreekt voor zich dat de wijze van afboeking van de lening gevolgen heeft voor de omvang van de berekende rente (kolom 9).

5.11

Ten slotte heeft [geïntimeerde 1] als verweer gevoerd dat [appellant] in de eerste procedure heeft betwist dat een drietal door [geïntimeerde 1] gedane betalingen op facturen met daarop de vermelding “financieel advies” in werkelijkheid rentebetalingen betroffen en heeft hij gesteld dat het zou gaan om betalingen ter zake van “provisie/werkzaamheden voortvloeiende uit de samenwerking”. Als dat zo is, dan heeft [geïntimeerde 1] al betalingen verricht ter zake datgene dat thans wordt gevorderd, aldus [geïntimeerde 1]. Op dit verweer is [appellant] niet ingegaan.

5.12

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat [appellant] in het licht van het gevoerde verweer zijn vordering in zoverre onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en onderbouwd.

Ad b) rente over de geldlening

5.13

Ook (het belang bij) deze vordering is niet onderbouwd. [appellant] stelt dat in de eerste procedure bij het vonnis van 10 februari 2010 slechts een bedrag van € 5.159,25 aan rente is toegewezen. Het hof kan [appellant] daarin niet volgen, nu uit genoemd vonnis tevens blijkt dat rente vanaf 1 oktober 2006 (het hof leest, gelet op r.o. 4.7 en 4.9: vanaf 1 oktober 2008) is toegewezen. Bovendien was genoemd bedrag van € 5.159,25 blijkens r.o. 4.7 van dat vonnis het verschil tussen gevorderde rente ad € 13.392,25 en betaalde bedragen aan rente. [appellant] heeft in het licht daarvan niet onderbouwd op grond waarvan hij naast deze veroordeling nog recht heeft op c.q. belang heeft bij een verdere veroordeling tot betaling van rente.

6 De slotsom

6.1

De slotsom moet luiden dat het hoger beroep faalt en dat het vonnis waarvan beroep, onder verbetering van gronden, zal worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst zal

[appellant] als de in het ongelijk te stellen partij zijn eigen kosten van het hoger beroep dienen te dragen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 30 november 2011 van de rechtbank Groningen waarvan beroep;

bepaalt dat [appellant] de eigen kosten van het hoger beroep dient te dragen.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. B.J.H. Hofstee en mr. G. van Rijssen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 24 juni 2014.