Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5015

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
30-06-2014
Zaaknummer
200.079.053
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beperkt recht Belemmeringenwet privaatrecht. Beperkt recht tot aanleg gastransportleiding, afsluiter en afsluiterkooi omvat recht op toegang tot dienend perceel. Op basis van objectieve uitleg vestigingsakte en feitelijke kenmerken is Gasunie gerechtigd een verharde weg aan te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.079.053/02

(zaaknummer rechtbank Zutphen 110030 HA ZA 10-772)

arrest van de tweede civiele kamer van 24 juni 2014

in de zaak van

de stichting

Stichting Het Burgerweeshuis,

gevestigd te Zutphen,

appellante,

hierna: het Burgerweeshuis,

advocaat: mr. M.J.H. van Baalen,

tegen:

de naamloze vennootschap

N.V. Nederlandse Gasunie,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

hierna: Gasunie,

advocaat: mr. J.V. van Ophem.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 14 april 2010 en 7 juli 2010 die de rechtbank Zutphen tussen het Burgerweeshuis als gedaagde en Gasunie als eiseres heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

■ de dagvaarding in hoger beroep d.d. 5 oktober 2010,

■ de memorie van grieven,

■ de memorie van antwoord,

■ een akte van het Burgerweeshuis en een antwoordakte van Gasunie,

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het vonnis van 7 juli 2010 zijn geen grieven gericht, zodat het hof daarvan uitgaat. Omdat het hof deze vaststelling van de feiten wenst aan te vullen met enkele andere feiten, volgt hierna een meer uitgewerkte weergave van de tussen partijen vaststaande feiten.

3.2

Het Burgerweeshuis was ten tijde van het wijzen van het vonnis van 7 juli 2010 onder meer eigenaar van het perceel, destijds kadastraal bekend gemeente Warnsveld, sectie M, nr. 611 (het perceel). In en op dit perceel heeft Gasunie in 1971 voorzieningen ten behoeve van gastransport aangelegd, onder meer bestaande uit hoofdaardgas-transportleidingen en een daarvan onderdeel uitmakende en boven de grond gelegen afsluiter met afsluiterkooi (hierna tezamen ook: afsluiterkooi). Daarnaast heeft Gasunie in datzelfde jaar een toegangsweg aangelegd naar de afsluiterkooi. Ten behoeve van de aanleg van deze werken was reeds op 25 augustus 1964 een beperkt recht als bedoeld in artikel 5 lid 3 sub b Belemmeringenwet Privaatrecht (hierna: BPR) gevestigd ten behoeve van Gasunie. De percelen waren destijds kadastraal genummerd gemeente Warnsveld, sectie A, nrs. 469, 473, 1032 en 1274. Zij waren in eigendom van [eigenaar 1].

3.3

Op 22 maart 1971 heeft Gasunie met [eigenaar 1] een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst (productie 13 bij akte overlegging producties) bevat onder meer de volgende bepalingen:

“(…)

1. De grondeigenaar verleent aan Gasunie het recht van aanleg en gebruik van een verharde weg vanaf Lochemseweg naar de/het perceel (len) kadastraal bekend gemeente Warnsveld sectie A3 nr(s) 482-469-473-1032.

2. Het recht zal bestaan zolang Gasunie van de weg gebruik wenst te maken voor het bereiken van de/het genoemd(e) kooi.

3. Gasunie zal de weg van een verharding voorzien. Het onderhoud van de weg zal geschieden door en voor rekening van Gasunie. (…)

5. In geval van verkoop van bovengenoemd perceel of bij vestiging daarop van een zakelijk recht, zal eigenaar van de koper respektievelijk de zakelijk gerechtigde bedingen dat de rechten en verplichtingen uit deze overeenkomst tegenover Gasunie worden overgenomen, zulks met inbegrip van dit artikel 5, een en ander derhalve met dien verstande dat ook bij verdere verkopen resp. vestigingen van zakelijk rechten de onderhavige rechten en verplichtingen door de nieuwe rechthebbende tegenover Gasunie zullen worden aanvaard. (…)”

3.4

In de tussen Gasunie en onder meer [eigenaar 1] verleden notariële akte van toedeling van 2 april 1973 (productie 10 akte overlegging producties), die na een ruilverkaveling is opgemaakt, is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

38. Ten behoeve van de naamloze vennootschap “.N.V. Nederlandse Gasunie” (…) en ten laste van na te noemen kavels, wordt gevestigd een zakelijk recht als bedoeld in artikel 5 lid 3 sub b van de Belemmeringenwet Privaatrecht, strekkende tot het aanleggen, gebruiken en instandhouden van ten hoogste twee gas transportleidingen met eventueel bijbehoren. Hierop zijn van toepassing “de Algemene Voorwaarden betreffende aanleg en instandhouding van Leidingen” (A.V.L.), zoals deze zijn vastgelegd in een akte (…) en ondermeer overgeschreven zijn ten hypotheekkantore te Zutphen de dato vijftien april negentienhonderd zes en zestig in deel 1678 nummer 118.

A. De 36” en 42” pijplijnen Ommen-Ravenstein.

kavels (…) 24019 (…)”

3.5

De algemene voorwaarden betreffende aanleg en instandhouding van leidingen door of ten behoeve van de N.V. Nederlandse Gasunie (hierna: AVL) (productie 11 bij akte overlegging producties) bevatten onder meer het volgende:

“(…)

Artikel III

1 Het recht, genoemd in artikel 1 van de overeenkomst, is een recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b van de Belemmeringenwet Privaatrecht.

2 Het recht houdt mede in dat Gasunie bevoegd is om het werk te (laten) inspecteren, onderhouden, herstellen en vervangen, en voorts dat zowel bij het aanbrengen als ingeval naar het oordeel van Gasunie onderhouds-, herstel- of vervangingswerkzaamheden dienen plaats te vinden, Gasunie en door haar aan te wijzen derden toegang zullen hebben tot de grond met de nodige vervoermiddelen, materialen en werktuigen, zulks op een in redelijk overleg met grondeigenaar casu quo gebruiker te bepalen wijze, alsmede gebruik zullen kunnen maken van een voor de uitvoering van de werkzaamheden vereiste strook grond aan weerszijden van het tracé. (…)

Artikel V

(…)

4 Grondeigenaar zal zich onthouden van elke handeling, waardoor het met behulp van het werk te verrichten gastransport kan worden belet of belemmerd, dan wel waardoor gevaar kan ontstaan voor personen of goederen, en zal in het bijzonder op de in artikel 3 van de overeenkomst beschreven strook grond geen bouwwerken oprichten, goederen opslaan, gesloten wegdek aanbrengen, ontgrondingen verrichten, rioleringen dan wel leidingen of kabels aanleggen, bomen of diep wortelende struiken planten dan wel voorwerpen de grond indrijven (…), zonder schriftelijke toestemming van Gasunie, die nimmer op onredelijke gronden zal weigeren medewerking te verlenen. (…)”

3.6

De AVL zijn ingeschreven in de openbare registers.

3.7

Het perceel heeft bij gelegenheid van de ruilverkaveling in 1973 het nummer 24019 gekregen en is daarna vernummerd tot 73 en vervolgens tot M611. [eigenaar 2] is op enig moment [eigenaar 1] onder algemene titel opgevolgd als eigenaar van het perceel. Op 23 juni 1986 is tussen Gasunie en onder meer [eigenaar 2] een notariële akte opgemaakt, waarin ten behoeve van Gasunie een zakelijk recht als bedoeld in artikel 5 lid 3 sub b BPR is gevestigd voor aanleg, gebruik en instandhouding van nog een gastransportleiding met bijbehoren.

3.8

Op 7 oktober 2005 heeft [eigenaar 2] de percelen aan het Burgerweeshuis verkocht. De levering heeft op 21 juli 2006 plaats gevonden. De akte van levering (productie 2 bij conclusie van antwoord) bevat – voor zover relevant – de volgende bepalingen:

“LEVERING, REGISTERGOED, GEBRUIK

Ter (…) uitvoering van de (…) overeenkomst van koop en verkoop levert verkoper aan koper, die bij deze aanvaardt: (…)

- gemeente Warnsveld sectie M nummer 609 (…);

welk perceel gedeeltelijk is belast met een zakelijk recht als bedoeld in artikel 5 lid 3 sub b van de Belemmeringenwet Privaatrecht (…) ten behoeve van (…) Gasunie (…)

- gemeente Warnsveld sectie M nummer 611 (…);

welk perceel zowel geheel als gedeeltelijk is belast met een zakelijk recht als bedoeld in artikel 5 lid 3 sub b van de Belemmeringenwet Privaatrecht (…) ten behoeve van (…) Gasunie (…);

(…)

BEDINGEN

(…)

Artikel 2

1. Verkoper is verplicht aan koper eigendom te leveren die:

(…)

c. niet bezwaard is met kwalitatieve verplichtingen;

d. niet bezwaard is met beperkte rechten, behoudens die hiervoor vermeld en behoudens erfdienstbaarheden, van welke de aan verkoper bekende hierna zullen worden vermeld;

e. niet belast is met andere lasten en beperkingen uit overeenkomst. (…)”;

(…)

3.9

[eigenaar 2] heeft de rechten en verplichtingen uit de overeenkomst van 22 maart 1971 niet overgedragen aan het Burgerweeshuis. Het Burgerweeshuis en Gasunie hebben overlegd over verplaatsing van de weg, zodat deze langs de erfgrens van het perceel zou lopen en daardoor minder belastend zou zijn voor de bedrijfsvoering op het perceel. Dit overleg heeft niet tot overeenstemming geleid. Het Burgerweeshuis heeft daarop Gasunie het gebruik van de weg ontzegd, stellende dat het zakelijke recht geen aanspraak geeft op gebruik van de weg en dat het niet is gebonden aan de overeenkomst van 22 maart 1971.

3.10

Na het wijzen van het bestreden vonnis van 7 juli 2010 is het perceel gesplitst in de nummers M859 en M860 en heeft het Burgerweeshuis het perceel M860 overgedragen aan de heer [persoon 1]. Het hof begrijpt dat de gastransportleidingen, de afsluiterkooi, de bestaande weg en de door Gasunie gewenste weg alle zijn gelegen, respectievelijk geprojecteerd op perceel M859.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Gasunie is deze procedure begonnen om de toegang tot het perceel via een verharde weg voor haar veilig te stellen en verder te vorderen dat de toegangsweg naar de afsluiterkooi wordt verplaatst naar het gedeelte van het perceel dat langs de erfgrens loopt. Gasunie vordert in deze procedure (A) een verklaring voor recht dat zij het recht heeft om op het perceel een toegangsweg aan te leggen, primair op grond van het zakelijke recht, subsidiair bij wege van noodweg, meer subsidiair omdat het Burgerweeshuis onrechtmatig handelt door haar niet toe te staan de nieuwe toegangsweg aan te leggen, (B) bepaling dat zij de toegangsweg mag aanleggen vanaf de Lochemseweg naar de afsluiterkooi zoveel mogelijk langs de erfgrens, wat (C) het Burgerweeshuis dient te gehengen en te gedogen. De rechtbank heeft in haar vonnis van 7 juli 2010 de vorderingen grotendeels toegewezen op de subsidiaire grondslag dat Gasunie recht heeft op aanleg van een noodweg. Het Burgerweeshuis is van dit vonnis in hoger beroep gekomen onder aanvoering van vier grieven, die in essentie het oordeel van de rechtbank bestrijden dat Gasunie recht heeft op aanleg van een noodweg.

4.2

Het hof ziet aanleiding eerst de vordering van Gasunie op de primaire grondslag te onderzoeken en te beoordelen of de zakelijke rechten die op 2 april 1973 en 23 juni 1986 zijn gevestigd ten behoeve van Gasunie, inhouden dat zij de bevoegdheid heeft op het perceel een verharde toegangsweg tot de afsluiterkooi aan te leggen, te gebruiken en in stand te houden. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 5.7 van het bestreden vonnis overwogen, dat Gasunie geen zakelijk recht op een toegangsweg tot het perceel heeft verkregen. Zij heeft de vordering om vast te stellen dat Gasunie de in het petitum omschreven toegangsweg “krachtens zakelijk recht” mag aanleggen en gebruiken afgewezen. Omdat de rechtbank oordeelde dat er wel sprake was van een noodweg ten behoeve van Gasunie, heeft zij deze verklaring van recht “bij wege van uitweg” (noodweg) wel toegewezen.

4.3

Het hof is van oordeel dat de zakelijke rechten de bevoegdheid tot het hebben van een verharde toegangsweg naar de afsluiterkooi omvat. Op deze, vóór 1992 op grond van artikel 5 lid 3 sub b BPR gevestigde zakelijke rechten zijn de bepalingen van titel 8 van boek 5 (“Opstal”) van toepassing (artikel 38 wet van 2 april 1991, Staatsblad 1991, 198 (Invoeringswet Nieuw BW, twaalfde gedeelte)). Artikel 5:103 BW bepaalt dat bij gebreke van een regeling daaromtrent in de akte van vestiging de opstaller ten aanzien van de zaak waarop zijn recht rust, de bevoegdheden heeft die voor het volle genot van zijn recht nodig zijn. In dit geval zijn de bevoegdheden van Gasunie met betrekking tot toegang tot het perceel in artikel III lid 2 AVL nader uitgewerkt: “Het recht houdt mede in (…) dat zowel bij het aanbrengen als ingeval naar het oordeel van Gasunie onderhouds-, herstel- of vervangingswerkzaamheden dienen plaats te vinden, Gasunie en door haar aan te wijzen derden toegang zullen hebben tot de grond met de nodige vervoermiddelen, materialen en werktuigen, zulks op een in redelijk overleg met grondeigenaar casu quo gebruiker te bepalen wijze”.

4.4

Het geschil betreft de vaststelling van de omvang van de bevoegdheden van Gasunie tot toegang tot het perceel op basis van de zakelijke rechten. Het recht van opstal omvat de bevoegdheid tot toegang tot het perceel (A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (Ars Notariatus nr. 120) 2012/12/5). Het is niet nodig, als die toegang gestalte krijgt door de aanleg van een weg naar de opstal, daarvoor een erfdienstbaarheid in de vorm van een recht van overpad over het dienende erf te vestigen. Voor de vaststelling van de omvang van de bevoegdheden van Gasunie is uitleg van de bedoeling van degenen die partij waren bij de vestiging van het zakelijke recht vereist. Deze bedoeling moet naar objectieve maatstaven worden afgeleid uit de omschrijving van het zakelijke recht in die akte en in voor derden kenbare algemene voorwaarden, waarnaar in de akte wordt verwezen, bezien in het licht van de gehele inhoud van de akte en de algemene voorwaarden. Als de bepalingen in de akte of de algemene voorwaarden voor verschillende uitleg vatbaar zijn, dient de rechter vast te stellen welke uitleg van deze stukken naar objectieve maatstaven het meest aannemelijk is. De rechter dient daarbij de aannemelijkheid van de rechtgevolgen waartoe de verschillende interpretaties zouden leiden te betrekken. Verwijzen de akte en de algemene voorwaarden naar feitelijke kenmerken van de onroerende zaak, dan is het niet in strijd met een uitleg naar objectieve maatstaven om deze stukken mede aan de hand van waarneming van feitelijke kenmerken uit te leggen (HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933, Kamsteeg/Lisser en HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:337, Bakermans en Moerland/Mitros).

4.5

In de aktes van vestiging van de zakelijke rechten wordt naar de AVL verwezen. Deze AVL zijn ingeschreven in de openbare registers. Zij zijn daardoor kenbaar voor rechtsopvolgers, zoals het Burgerweeshuis, en binden deze rechtsopvolgers voor wat betreft de uitleg van het zakelijke recht.

4.6

Tussen partijen is niet in dispuut dat Gasunie toegang heeft tot de grond om de werken, waarvoor de zakelijke rechten zijn gevestigd, te kunnen bereiken voor onderhoud, herstel of vervanging aan of van de werken. Zij verschillen van mening over de wijze van toegang. Volgens Gasunie heeft zij aanspraak op een verharde weg naar de afsluiterkooi, volgens het Burgerweeshuis kan zij over het perceel, waarop mais wordt verbouwd, ook zonder een aangelegde weg de afsluiterkooi bereiken. Gasunie stelt dat, omdat partijen er niet uitkomen, de rechter moet bepalen tot welk resultaat het redelijk overleg, dat artikel III lid 2 AVL voorschrijft moet leiden.

4.7

In dit geval hadden Gasunie en [eigenaar 1] de bevoegdheid van Gasunie tot toegang tot het perceel vorm gegeven door de aanleg van een verharde weg over het perceel naar de afsluiterkooi. De omvang van deze bevoegdheid was daarom voor een derde kenbaar op grond van de omschrijving in de aktes, met name de passage “in redelijk overleg met grondeigenaar te bepalen wijze”, en de feitelijke kenmerken van het perceel. Dit betekent dat Gasunie de bevoegdheid heeft, ook tegenover een rechtsopvolger als het Burgerweeshuis, over de aangelegde verharde weg te komen en te gaan naar de afsluiterkooi. Een rechtsopvolger als het Burgerweeshuis kan daarom niet eenzijdig deze uit het redelijk overleg tussen Gasunie en [eigenaar 1] ontstane wijze van toegang tot het perceel beëindigen.

4.8

Weliswaar hebben Gasunie en [eigenaar 1] op 22 maart 1971 een overeenkomst gesloten, waarin zij de toegang tot het perceel hadden geregeld. Daaruit kan echter niet worden afgeleid, dat niet ook uit de zakelijke rechten, zoals nader uitgewerkt in artikel III lid 2 AVL en in het redelijk overleg tussen Gasunie en de grondeigenaar, de bevoegdheid voortvloeit om over de verharde weg te komen en te gaan naar de afsluiterkooi. Het Burgerweeshuis heeft in dat verband immers zelf aangevoerd dat de weg in 1971 liep over een perceel, waarop het zakelijke recht niet was gevestigd (sectie A, nr. 482). Daarom was voor dat perceel een afzonderlijke regeling vereist. Dat was na de ruilverkaveling in 1973 niet meer nodig, omdat de percelen werden samengevoegd tot één perceel, waarop het zakelijke recht opnieuw werd gevestigd.

4.9

Een en ander brengt mee dat Gasunie op basis van de zakelijke rechten de bevoegdheid heeft een verharde toegangsweg aan te leggen naar de afsluiterkooi. De rechtbank heeft daarom de verklaring voor recht in 6.1. van het dictum van het bestreden vonnis terecht toegewezen, zij het dat het hof van oordeel is dat de primaire grondslag die vordering kan dragen. De vorderingen van Gasunie impliceren verder dat de huidige toegangsweg wordt verplaatst naar een tracé langs de erfgrens van het perceel. Uit de stellingen van het Burgerweeshuis leidt het hof af, dat àls Gasunie aanspraak heeft op aanleg van een toegangsweg, zij er ook de voorkeur aan geeft dat deze langs de erfgrens loopt, zoals aangegeven door Gasunie. Onderdeel 6.2 van het dictum van het bestreden vonnis, waarin is bepaald dat Gasunie de weg langs dat tracé mag aanleggen, is daarom eveneens in overeenstemming met de vordering op basis van de primaire grondslag.

4.10

Het voorgaande brengt mee dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bekrachtigen en dat de grieven, die alle de beslissing van de rechtbank over de subsidiaire grondslag van de vordering betreffen, geen bespreking behoeven.

4.11

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof het Burgerweeshuis in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Gasunie zullen worden vastgesteld op:

■ griffierecht € 640,00, en

voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

1,5 punten x tarief II € 1.341,00

4.12

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zutphen van 7 juli 2010,

veroordeelt het Burgerweeshuis in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Gasunie vastgesteld op € 640,00 voor verschotten en op € 1.341,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief,

veroordeelt het Burgerweeshuis in de nakosten, begroot op € 131,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,00 in geval het Burgerweeshuis niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden,

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. de Vries, H.E. de Boer en C.J.H.G. Bronzwaer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2014.