Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5011

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
200.134.592
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging partner- en kinderalimentatie. Draagkracht van de man en de vrouw conform oude en nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.134.592

(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Arnhem 235795)

beschikking van de familiekamer van 24 juni 2014

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok te Amsterdam,

(voorheen: mr. C.R. Hettema)

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.M.A.J. Hanssen te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 2 juli 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 1 oktober 2013;

- het verweerschrift, ingekomen op 30 december 2013;

- een journaalbericht van mr. Ruijgrok van 6 februari 2014 waarbij zij zich heeft gesteld als advocaat voor de man, ingekomen op dezelfde datum;

- een journaalbericht van mr. Ruijgrok van 9 april 2014 met bijlagen, ingekomen op 10 april 2014;

- een journaalbericht van mr. Hanssen van 11 april 2014 met bijlagen, ingekomen op 14 april 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 22 april 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is op 20 januari 2011 ontbonden door echtscheiding.

3.2

Partijen zijn de ouders van:

- [kind 1] (verder te noemen: [kind 1]), geboren op [geboortedatum] 2001, en

- [kind 2] (verder te noemen: [kind 2]), geboren op [geboortedatum] 2002.

3.3

Bij echtscheidingsbeschikking van 7 oktober 2010 heeft de rechtbank Arnhem bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw € 720,- per maand en als bijdrage in de kosten van verzorging van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] € 592,50 per kind per maand zal betalen aan de vrouw. Deze bijdragen bedragen met ingang van 1 januari 2014 ingevolge de wettelijke indexering € 755,17 respectievelijk € 621,44 per maand.

3.4

In de echtscheidingsbeschikkingsbeschikking heeft de rechtbank overwogen:

Partijen zijn het erover eens dat zodra de vrouw inkomsten genereert haar aandeel in de behoefte van de kinderen naar rato van haar draagkracht opnieuw berekend zal dienen te worden.

….

Partijen zijn het erover eens dat zodra de vrouw inkomsten genereert, deze in mindering strekken op haar behoefte”.

3.5

De man, geboren op [geboortedatum] 1967, is sinds 16 augustus 2011 gehuwd met [A] (verder te noemen: [A]). De man en [A] vormen samen met de dochter van [A] ([kind 3], geboren op [geboortedatum] 1998) een gezin. Het belastbare loon van [A] bedraagt volgens de jaaropgave 2013 in dat jaar € 6.847,-. Met ingang van 2 oktober 2013 is haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geëindigd.

De man voert een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, genaamd [B import]. Uit de overgelegde jaarstukken van die onderneming van de afgelopen drie jaren blijken de volgende cijfers (in euro’s):

2011 2012 2013

EV -/-26.135 -/-54.762 -/-50.558

Netto omzet 348.727 250.575 103.897

Inkoopwaarde + bedrijfskosten 299.186 228.659 84.579

Bedrijfsresultaat uit gewone bedrijfsuitoefening 43.292 17.558 15.345

Sinds 1 juli 2013 heeft de man een handelsagentuurovereenkomst met [C] N.V. gesloten. De man werkt op commissiebasis en ontvangt thans maandelijks een voorschot van € 4.000,-. Het salaris wordt geboekt in de eenmanszaak.

3.6

De lasten van de man bedragen per maand:

- € 601,75 aan hypotheekrente;

- € 47,50 aan overige eigenaarslasten;

- € 109,96 aan ziektekosten:

- € 92,96 premie basisverzekering ZVW,

- € 66,- op aanslag zelf betaalde premie ZVW,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 49,- per maand voor een alleenstaande;

- € 68,- aan kosten omgangsregeling.

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 721,- per jaar.

3.7

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1971, vormt met de kinderen van partijen een gezin.

Het belastbare loon van de vrouw bedraagt volgens de jaaropgave 2012 in dat jaar € 39.754,- en volgens de jaaropgave 2013 in dat jaar € 34.534,-.

3.8

De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 1.032,54 + € 176,64 aan hypotheekrente;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten;

- € 74,51 aan ziektekosten:

- € 123,51 premie basisverzekering ZVW,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW van € 49,- per maand voor een alleenstaande.

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 816,- per jaar.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2]. De rechtbank heeft het verzoek van de man om zijn bijdragen te wijzigen afgewezen.

4.2

De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 2 juli 2013. Deze zien op de behoefte van de vrouw (I), het aandeel van partijen in de kosten van de kinderen (II), de draagkracht van de man (IV) en de ingangsdatum (III).

4.3

Het hof zal de grieven in hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

Het hof is voorts van oordeel dat bij het bepalen van de ingangsdatum voor de wijziging van de onderhoudsbijdragen van de man de datum van het indienen van het verzoekschrift bepalend is, omdat de vrouw eerst vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een wijziging van de alimentatie. Dat de man mogelijk eerder contact heeft gehad met de vrouw over de volgens hem slechtere financiële situatie van zijn onderneming, doet daaraan niet af. Daarbij komt dat de man door hem in zijn grief III bepleite ingangsdatum van 1 augustus 2012, onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof gaat daarom, evenals de rechtbank, uit van de ingangsdatum van 1 november 2012, te weten de eerste dag van de maand volgend op de datum van de indiening van het verzoekschrift tot wijziging. Grief III faalt dus.

5.2

De behoefte van de kinderen is niet in geschil.

5.3

De man stelt in grief II dat ook de vrouw dient bij te dragen in deze behoefte van [kind 1] en [kind 2]. De vrouw betwist dit niet, maar voert aan dat de man zijn financiële situatie onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt om tot een draagkrachtvergelijking te komen.

Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief voorop dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. Het hof zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

5.4

Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.5 en 3.6 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

Periode 1 en 2

5.5

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt het hof rekening met het gemiddelde resultaat over 2011, 2012 en 2013. Gelet op de ingangsdatum van

1 november 2012 acht het hof het in dit geval redelijk om de resultaten over voornoemde jaren te hanteren. Op die wijze wordt rekening gehouden met de fluctuerende omzet in de afgelopen jaren en de wijziging van de werkzaamheden van man in zijn onderneming. De stelling van de vrouw dat de door de man financiële stukken onjuist zijn en uitgegaan moet worden van een ander inkomen, acht het hof onvoldoende concreet onderbouwd, zodat het hof aan die stelling voorbij zal gaan. De man recht op de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de algemene heffingskorting, zodat het hof daarmee rekening houdt.

5.6

Het hof zal conform de aanbeveling van de werkgroep Alimentatienormen, eerst de voor kinderalimentatie beschikbare draagkracht van de man berekenen en vervolgens, indien daarna nog draagkracht overblijft, de voor partneralimentatie resterende draagkracht.

Bij de vaststelling van de draagkracht van de man voor de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2], houdt het hof, evenals partijen, rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen in verband met artikel 1:400 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) aanbevolen draagkrachtpercentage van 70. Het hof houdt geen rekening met de kosten van levensonderhoud van de nieuwe partner van de onderhoudsplichtige man. Zij wordt geacht daarin zelf te kunnen voorzien. Feiten en omstandigheden die dat anders maken, zijn niet (voldoende) gesteld of gebleken.

Het hof verdeelt de aldus berekende draagkracht gelijk over de twee kinderen van partijen. Voor zover de man stelt dat ook hij een bijdrage moet leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3], acht het hof die stelling onvoldoende onderbouwd. Zo heeft de man geen inzicht gegeven in de behoefte van [kind 3] en de draagkracht van haar vader. Het hof gaat er derhalve vanuit dat met de bijdrage van € 350,- die de vader van [kind 3] voor haar betaalt, volledig in de behoefte van [kind 3] wordt voorzien.

5.7

De man voert een premie begrafenisverzekering op van € 24,90 per maand. Het hof houdt geen rekening met die premie, omdat deze conform de aanbeveling van de Werkgroep Alimentatienormen sinds juli 2008 niet meer ten laste van de draagkracht wordt gebracht, nu deze premie geen prioriteit boven kinderalimentatie heeft.

5.8

Ten aanzien van de door de man opgevoerde maandlast voor na te noemen schulden stelt het hof voorop dat in beginsel alle schulden van de man van invloed zijn op diens draagkracht. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden of een regeling te treffen. Ook kunnen er anderszins onredelijk te achten schulden zijn die de rechter, maar alleen goed gemotiveerd, buiten beschouwing kan laten.

5.9

Het hof houdt rekening met de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering bij Eramus Leven met polisnummer [......]. De man betaalt daarvoor een premie van € 269,50 per maand. Nu deze premie verbonden is aan de hypotheek van de man en [A] houdt het hof rekening met de helft van deze premie.

5.10

Het hof houdt geen rekening met de premie van € 100,- per maand voor de levensverzekering bij Erasmus Leven met polisnummer [......]. Gebleken is dat de man deze polis heeft afgekocht en ervoor heeft gekozen deze verzekering in het kader van zijn pensioen vervolgens weer door te laten lopen. Dit is geen noodzakelijke last die prioriteit heeft boven kinderalimentatie.

5.11

Het hof houdt in de periode van 1 november 2012 tot 1 januari 2014 geen rekening met de rente en aflossing op het Rekening Courant Krediet bij de ING Bank. De man heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat de aflossing op het krediet in 2014 is gestart en daarom pas vanaf 1 januari 2014 rekening gehouden dient te worden met die schuld en de aflossing daarop.

5.12

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties hiervan heeft de man met ingang van 1 november 2012 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] van € 255,- per maand.

5.13

Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw uit van de hiervoor onder 3.7 en 3.8 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld. De vrouw heeft recht op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de alleenstaande ouderkorting.

5.14

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de vrouw met in de periode van 1 november 2012 tot 1 januari 2013 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] van € 776,- per maand en vanaf

1 januari 2013 van € 545,- per maand.

5.15

Nu de gezamenlijke draagkracht van de ouders lager is dan de behoefte van de kinderen, dient de bijdrage van de man vastgesteld te worden in overeenstemming met zijn draagkracht.

Periode 3

5.16

Gelet op de aflossing op de rekening courantschuld vanaf 1 januari 2014 dient vanaf die datum een nieuwe draagkrachtberekening te worden gemaakt. Nu deze periode valt binnen de nieuwe richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie, zal het hof de draagkracht van de man vanaf 1 januari 2014 berekenen volgens de nieuwe rekenwijze.

5.17

Overeenkomstig de nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen, zal het hof het bedrag aan draagkracht van elk der ouders vanaf 1 april 2014 vaststellen aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)]. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd.

5.18

Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor vermelde financiële gegevens en overwegingen, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

5.19

De man is medio 2013 een agentuurovereenkomst aangegaan waarbij het inkomen van € 4.000,- per maand dat hij daaruit ontvangt in de eenmanszaak wordt geboekt. Desgevraagd heeft de man verklaard dat zijn eerdere werkzaamheden uit de eenmanszaak worden afgerond en beëindigd. Het hof acht het daarom redelijk om vanaf 1 januari 2014 rekening te houden met het inkomen uit de agentuurovereenkomst.

Uit het door de man overgelegde verkoopoverzicht over de maanden juli 2013 tot april 2014 blijkt dat de man in 9 maanden een omzet heeft behaald van € 317.656,92. Omgerekend naar een jaar betekent dat de man de benodigde omzet van € 400.000,- kan behalen en zijn ontvangen commissie van € 4.000,- volledig kan behouden. Het hof houdt daarom rekening met omzet van € 4.000,- per maand.

In de stukken en tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij thans vanuit huis werkt en een groot deel van zijn kosten zijn komen te vervallen. De kosten die hij thans nog maakt zijn telefoon- en autokosten. Gelet op de verklaringen van de man en in de jaarstukken van 2013 opgenomen algemene kosten en autokosten houdt het hof in redelijkheid rekening met totale kosten van € 1.500,- per maand. Het hof houdt daarom rekening met een omzet van € 4.000,- minus de kosten van € 1.500,- , derhalve een winst van € 2.500,- per maand.

5.20

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden wordt de man geacht vanaf 1 januari 2014 een netto besteedbaar inkomen te hebben van € 2.172,- per maand. Ingevolge de draagkrachttabel 2014 bedraagt de draagkracht van de man daarmee 70% x [€ 2.172 -/- (0,3 x € 2.172,- + € 860)] = afgerond € 462,- per maand, te vermeerderen met € 65,- fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, zodat kan worden uitgegaan van een draagkracht van de man van € 527,- per maand.

5.21

De man verzoekt rekening te houden met zijn betalingsverplichting uit hoofde van de rekening courant schuld, daartoe stellende dat het gaat om een verplichting die noodzakelijk was en waarvan hij zich niet kan bevrijden. Voorts stelt de man dat de bijdrage die is vastgesteld op basis van de draagkrachttabel – vanwege deze lasten – voor hem tot een onaanvaardbaar resultaat leidt, omdat hij bij deze bijdrage met zijn inkomen niet meer in zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud kan voorzien. De vrouw maakt hiertegen gemotiveerd bezwaar, en betwist de juistheid van de overgelegde stukken, het bestaan van de schulden en de aflossing.

Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de bank van de man een aflossing op het krediet verlangt van € 850,- per maand. Het hof acht deze schuld verwijtbaar noch vermijdbaar en is van oordeel dat met deze schuld rekening moet worden gehouden. Omdat deze schuld vanaf 1 januari 2014 van invloed is op de draagkracht van de man, acht het hof het redelijk met een aflossing op het krediet van € 850,- per maand rekening te houden. Gelet daarop heeft de man vanaf 1 januari 2014 geen draagkracht voor een bijdrage in de kosten van de kinderen.

Periode 1, 2 en 3

5.22

De man dient zijn volledige draagkracht aan te wenden voor kinderalimentatie zodat geen draagkracht resteert voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Grief I behoeft daarom geen nadere bespreking door het hof. Voor zover de man heeft verzocht om terugbetaling van te veel betaalde alimentatie, merkt het hof op dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man met ingang van 1 augustus 2012 geen bijdrage meer heeft voldaan.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt een deel van de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van partijen gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 2 juli 2013, en opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 7 oktober 2010, en bepaalt dat de man aan de vrouw in de periode van 1 november 2012 tot 1 januari 2014 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] € 127,50 per kind per maand zal betalen;

stelt de bijdrage van de man met ingang van 1 januari 2014 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, C.J. Laurentius-Kooter en E.H. Schulten, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de jongste raadsheer, en is op 24 juni 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.