Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-01-2014
Datum publicatie
17-01-2014
Zaaknummer
12/00629
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3584
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invorderingswet. Hernieuwde aansprakelijkstelling bestuurder. Bevoegdheid ontvanger.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/106
V-N 2014/15.2.4
FutD 2014-0144
FutD 2014-0145
NTFR 2014/2944
NTFR 2014/615 met annotatie van mr. R.B.H. Beune
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 12/00629

uitspraakdatum: 7 januari 2014

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Arnhem van 18 september 2012, nummer AWB 12/1598, in het geding tussen belanghebbende en

de ontvanger van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht (hierna: de Ontvanger).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Ontvanger heeft belanghebbende bij beschikking aansprakelijk gesteld voor een onbetaald gebleven naheffingsaanslag omzetbelasting die is opgelegd aan [A] Beheer BV (hierna: Beheer BV).

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Ontvanger het bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de Ontvanger in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 24 oktober 2012 ter griffie ingekomen.

1.5.

De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2013 te Arnhem. Met instemming van partijen is daar tevens behandeld het hoger beroep met kenmerk 12/00628. Namens belanghebbende is verschenen [B]. Namens de Ontvanger is verschenen [C], bijgestaan door [D] en mr. [E]. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Beheer BV (tot 14 mei 2003 genaamd: [F] B.V.) is opgericht op 14 december 1975. Sinds 14 december 1975 is [G] bestuurder van Beheer BV. Sinds 1 november 1979 is belanghebbende eveneens bestuurder van Beheer BV.

2.2.

Met dagtekening 31 maart 2004 is aan Beheer BV een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 (hierna: de naheffingsaanslag). Bij uitspraak van 25 februari 2008 heeft de Rechtbank Haarlem de naheffingsaanslag, de boete en de heffingsrente verminderd in overeenstemming met een tussen Beheer BV, belanghebbende, [G] en [B] enerzijds en de inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi anderzijds gesloten vaststellingsovereenkomst. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

2.3.

Met dagtekening 16 maart 2006 heeft de Ontvanger belanghebbende aansprakelijk gesteld voor deze naheffingsaanslag. Bij uitspraak van 9 juni 2011, nr. 09/00735, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR0292, heeft het Gerechtshof Amsterdam deze aansprakelijkstelling vernietigd, omdat, kort samengevat, Beheer BV ten tijde van het uitbrengen van de beschikking aansprakelijkstelling (nog) niet met het betalen van de naheffingsaanslag omzetbelasting in gebreke was. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

2.4.

Met dagtekening 29 november 2011 heeft de Ontvanger belanghebbende aansprakelijk gesteld voor de hiervoor vermelde naheffingsaanslag.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld en of hij recht heeft op een kostenvergoeding.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aansprakelijkstelling. De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een kostenvergoeding wegens geleden materiële en immateriële schade die hij heeft geleden doordat de Ontvanger jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. Het gestelde onrechtmatige handelen bestaat erin dat de Ontvanger hem eerder ten onrechte aansprakelijk stelde voor de onderhavige belastingschuld, welke aansprakelijkstelling uiteindelijk ook is vernietigd. Daarna heeft de Ontvanger belanghebbende opnieuw aansprakelijk gesteld, welke aansprakelijkstelling het onderwerp van het huidige geding is. Belanghebbende vordert vergoeding van schade, te weten de kosten van rechtsbijstand die hij in verband met de eerdere procedure heeft moeten maken. In die procedure is hem een vergoeding toegekend, maar belanghebbende stelt zich op het standpunt dat dat bedrag te laag is, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.2.

Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het bezwaar heeft moeten maken. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep (artikel 27j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; thans artikel 8:108 van de Awb). Het Hof is derhalve niet bevoegd de Ontvanger te veroordelen in de kosten die belanghebbende heeft moeten maken voor de eerdere procedure.

4.3.

Voorts stelt belanghebbende dat hij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade die erin bestaat dat hij sinds de eerste aansprakelijkstelling op 16 maart 2006 in onzekerheid leeft over de aansprakelijkstelling. Door de lange duur van de procedure is belanghebbende onderhevig aan stress en spanning.

4.4.

Het onderhavige geschil heeft een aanvang genomen met het bezwaarschrift van belanghebbende van 6 januari 2012. De Ontvanger heeft op het bezwaarschrift beslist op 28 maart 2012. De Rechtbank heeft op het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep beslist op 18 september 2012. Tot de dag van deze uitspraak van het Hof zijn sinds de indiening van het bezwaarschrift ongeveer twee jaren verstreken. In dit geschil is naar het oordeel van het Hof een redelijke termijn niet overschreden.

4.5.

Belanghebbende bepleit dat bij de beoordeling van de vraag of een redelijke termijn is overschreden ook acht moet worden geslagen op de eerdere procedure. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat in wezen sprake is van één enkel geschil dat is begonnen met de indiening van een bezwaarschrift tegen de beschikking aansprakelijkstelling van 16 maart 2006.

4.6.

Voor zover de eerdere procedure, zoals belanghebbende stelt, langer heeft geduurd dan redelijk is, kan daarvoor in de onderhavige procedure geen vergoeding worden toegekend, nu die eerdere procedure is geëindigd met de onder 2.3. vermelde, inmiddels in kracht van gewijsde gegane, uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 9 juni 2011. Naar het oordeel van het Hof is – als al aanleiding bestaat de beide procedures tezamen te bezien – met de huidige, tweede, procedure de redelijke termijn niet verder overschreden. Daarom bestaat geen aanleiding in deze uitspraak aan belanghebbende een vergoeding toe te kennen voor de immateriële schade die hij zou hebben geleden door overschrijding van de redelijke termijn.

4.7.

Belanghebbende stelt dat voor de aansprakelijkstelling een wettelijke grondslag ontbreekt, nu hij hangende de eerste procedure de belastingschuld heeft betaald en de Ontvanger na vernietiging van de eerste aansprakelijkstelling niet is overgegaan tot terugbetaling. Daaruit volgt, aldus belanghebbende, dat ten tijde van de tweede aansprakelijkstelling de belastingschuld was betaald en derhalve geen grond bestond voor die aansprakelijkstelling.

4.8.

Belanghebbende heeft een betaling gedaan in verband met de omstandigheid dat hij op 29 november 2011 aansprakelijk was gesteld voor de naheffingsaanslag. Nadat de aansprakelijkstelling was vernietigd en deze vernietiging kracht van gewijsde had gekregen, ontbeerde deze betaling een rechtsgrondslag en was zij dus onverschuldigd. Deze betaling kan dan ook niet worden aangemerkt als een betaling op de naheffingsaanslag. Het Hof acht aannemelijk dat de naheffingsaanslag ten tijde van de in geding zijnde aansprakelijkstelling in de boekhouding van de Ontvanger als onbetaald was opgenomen. Daaruit volgt dat – anders dan belanghebbende stelt – Beheer BV ten tijde van de thans in geding zijnde aansprakelijkstelling in gebreke was met het betalen van de naheffingsaanslag. Daaraan doet niet af dat de Ontvanger Beheer BV niet had bericht dat de naheffingsaanslag (na de eerdere betaling door belanghebbende) opnieuw als onbetaald stond geregistreerd, nu de Ontvanger Beheer BV ook niet over die betaling had ingelicht.

4.9.

Belanghebbende wijst erop dat hij op 29 november 2011 aansprakelijk is gesteld voor een naheffingsaanslag die reeds op 25 maart 2004 was opgelegd en die betrekking heeft op het tijdvak 1999 tot en met 2001. Belanghebbende stelt dat Beheer BV de op dat tijdvak betrekking hebbende stukken inmiddels heeft vernietigd. Belanghebbende stelt dat hij door het lange tijdsverloop zich niet effectief kan verweren en dat ook overigens de aansprakelijkstelling niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden.

4.10.

Ten tijde van de aansprakelijkstelling was de rechtsvordering tot betaling van de naheffingsaanslag nog niet verjaard. Naar het oordeel van het Hof heeft de thans in geding zijnde aansprakelijkstelling niet onredelijk laat plaatsgevonden. Gedurende de tijd die is verlopen tussen het moment waarop Beheer BV voor het eerst in gebreke was met het betalen van de naheffingsaanslag en de aansprakelijkstelling is de Ontvanger steeds actief geweest met de invordering van de naheffingsaanslag, onder meer door de eerdere aansprakelijkstelling van belanghebbende. Omdat deze aansprakelijkstelling belanghebbende betrof was hij daarvan op de hoogte en kon hij redelijkerwijs niet menen dat de Ontvanger van (verdere) aansprakelijkstelling zou afzien. Ook was belanghebbende op de hoogte van de hiervoor onder 2.2 vermelde vaststellingsovereenkomst over onder meer de naheffingsaanslag. Belanghebbende had er steeds rekening mee kunnen houden dat hij (wederom) aansprakelijk zou worden gesteld. Dat Beheer BV, naar belanghebbende stelt, bepaalde stukken zou hebben vernietigd, doet daaraan niet af. Ter zijde merkt het Hof op dat belanghebbende destijds bestuurder was van Beheer BV en in de functie (mede)verantwoordelijk voor deze vernietiging.

4.11.

Belanghebbende betwist dat het belopen van rente, kosten en boete aan hem te wijten is en hij stelt dat hij daarom ten onrechte voor deze bedragen aansprakelijk is gesteld.

4.12.

De Ontvanger stelt daartegenover dat het belopen van rente, kosten en boete aan belanghebbende is te wijten, zodat hij daarvoor terecht aansprakelijk is gesteld.

4.13.

De Rechtbank heeft dienaangaande het volgende geoordeeld:

“4.15 Op grond van artikel 32 van de IW kan een bestuurder ook aansprakelijk worden gesteld voor rente, kosten en boeten, voor zover het belopen daarvan aan eiser is te wijten. De bewijslast hiervoor rust op verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan deze bewijslast voldaan. Uit de gedingstukken blijkt dat Beheer BV onder verantwoordelijkheid en leiding van eiser geen privégebruik auto heeft aangegeven en voorbelasting op valse facturen in aftrek heeft gebracht. Ook is geconstateerd dat de volgens de verlies- en winstrekening van Beheer BV verschuldigde omzetbelasting hoger is dan de op de aangiften afgedragen omzetbelasting. Ook dit is geschied onder verantwoordelijkheid en leiding van eiser. Eiser had het in zijn macht om de handelwijze van Beheer BV te veranderen en te zorgen dat Beheer BV aan zijn verplichtingen op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 voldeed, maar heeft dat niet gedaan. Vervolgens heeft Beheer BV deze naheffingsaanslag niet tijdig betaald en zijn invorderingskosten in rekening gebracht. Ook dit is aan eiser te wijten nu gesteld noch gebleken is dat eiser pogingen heeft ondernomen om het maken van deze kosten te voorkomen.”

Belanghebbende heeft deze feiten betwist door te stellen dat een effectieve verdediging niet meer mogelijk is, gelet op het tijdsverloop. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank op goede gronden beslist dat de aansprakelijkstelling mede de rente, kosten en boete betreft. Het Hof acht daarbij voorts van belang dat, ondanks het tijdsverloop, van belanghebbende mag worden verwacht dat hij aangeeft op welke gronden hij deze aansprakelijkstelling zou willen betwisten. Ook acht het Hof van belang dat belanghebbende heeft ingestemd met de hiervoor onder 2.2 vermelde vaststellingsovereenkomst, waarin is overeengekomen dat de opgelegde boeten gedeeltelijk in stand blijven.

Slotsom

Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank een juiste beslissing genomen. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

5 Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de wederpartij in verband met de behandeling van het hoger beroep voor het Hof heeft moeten maken.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, R.A.V. Boxem en J. Lamens, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 7 januari 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

De voorzitter,

(C.E. te Brake)

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 7 januari 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EHDen Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.