Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4919

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-06-2014
Datum publicatie
23-06-2014
Zaaknummer
200.132.046-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregelingen Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.132.046/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/124192/FA RK 11-202)

beschikking van de familiekamer van 5 juni 2014

inzake

[de man],

wonende te [woonplaats 1],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.C. Lich, kantoorhoudend te Haren,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.G.E. Klatter, kantoorhoudend te Veendam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 21 mei 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 20 augustus 2013;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 24 oktober 2013;

- een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 9 december 2013;

- een brief van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Noord Nederland, locatie Groningen, van 10 december 2013, ingekomen op 11 december 2013;

- een journaalbericht van mr. Klatter met bijlagen, ingekomen op 17 februari 2014;

- een journaalbericht van mr. Klatter van 20 februari 2014 met bijlagen, ingekomen op
21 februari 2014;

- een journaalbericht van mr. Lich van 26 februari 2014 met bijlagen, ingekomen op
27 februari 2014.

2.2

Op 6 maart 2014 is nog een brief met bijlagen van mr. Klatter binnengekomen bij de griffie van het hof. Art. 1.4.3 van het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven houdt in dat uiterlijk de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling nog stukken kunnen worden overgelegd. Het hof heeft, ondanks dat de brief
met bijlagen te laat is ingediend, kennisgenomen van de inhoud daarvan nu mr. Klatter de stukken, gelet op de datum van de eerstejaarsevaluatie en plan van aanpak in het kader van de re-integratie van de vrouw, ten spoedigste heeft overgelegd en de stukken snel en eenvoudig te doorgronden zijn.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 10 maart 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.4

Ter mondelinge behandeling heeft zowel mr. Lich als mr. Klatter een pleitnotitie overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn op [in 2001] in de gemeente [X] met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk op [geboortedatum] [te plaats] [minderjarige] (verder te noemen: [minderjarige]) is geboren, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.2

De vrouw heeft op 1 februari 2011 een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen bij de rechtbank ingediend. De man heeft zich hiertegen verweerd en tevens een zelfstandig verzoek gedaan.

3.3

De man heeft een verzoekschrift van 8 februari 2011 tot vaststelling voorlopige voorzieningen bij de rechtbank ingediend. De vrouw heeft zich hiertegen verweerd en tevens een zelfstandig verzoek gedaan.

3.4

Bij beschikking van 1 maart 2011, gewijzigd bij beschikking van 24 maart 2011, heeft de rechtbank, bij wijze van voorlopige voorziening, [minderjarige] voorlopig aan de vrouw toevertrouwd en een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen [minderjarige] en de man.
De rechtbank heeft de beslissing met betrekking tot het hoofdverblijf en de definitieve zorgregeling aangehouden.

3.5

Bij beschikking van 18 april 2011 heeft de rechtbank, bij wijze van voorlopige voorziening, [minderjarige] aan de vrouw toevertrouwd en een zorgregeling vastgesteld tussen [minderjarige] en de man.

3.6

Bij beschikking van 4 oktober 2011 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 19 oktober 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.7

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw bepaald, een zorgreling tussen de man en [minderjarige] vastgesteld, zoals nader in die beschikking omschreven, en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 19 oktober 2011 tot 1 januari 2012 vastgesteld op een bedrag van € 386,-- per maand, inclusief fiscaal voordeel, en vanaf 1 januari 2012 op een bedrag van € 330,-- per maand, inclusief fiscaal voordeel, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen voor zover de termijnen niet zijn verstreken.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de tussen de man en [minderjarige] vast te stellen zorgregeling en de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige].

4.2

De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van
21 mei 2013. De grieven zien op de zorgregeling, de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van de man en meer specifiek op zijn woonlasten.

4.3

De vrouw is op haar beurt met een grief in incidenteel hoger beroep gekomen.

De grief ziet op de draagkracht van de vrouw en meer specifiek op haar inkomen.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Ten aanzien van de zorgregeling

5.1

In het algemeen is het in het belang van een kind dat het contact heeft met de ouder bij wie het niet zijn gewone verblijfplaats heeft.

5.2

De rechtbank heeft in de beschikking waarvan beroep de volgende zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vastgesteld: de man is gerechtigd [minderjarige] één weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 16.00 uur bij zich te ontvangen, alsmede iedere woensdag-middag of een andere doordeweekse middag uit school, voor zover het werk van de man dit toelaat, en de maandelijkse margedag op woensdag, waarbij de man [minderjarige] op dinsdag uit school ophaalt. Het halen en brengen dient te worden verdeeld, in onderling overleg af te spreken. De rechtbank heeft voorts bepaald dat partijen een (definitieve) verdeling van feestdagen en vakanties zijn overeengekomen, zoals nader uiteengezet in de beschikking waarvan beroep.

Deze door de rechtbank vastgestelde verdeling van de feestdagen en vakanties is niet aan het oordeel van het hof onderworpen, nu partijen hiertegen niet hebben gegriefd.

5.3

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat de (huidige) weekendregeling kan worden uitgebreid naar de maandagmorgen tot school, waarbij de man [minderjarige] op maandagmorgen naar school brengt.

5.4

De man heeft aangevoerd dat het vanwege zijn onregelmatige werkzaamheden
(bijna) niet mogelijk is om omgang te hebben op woensdagmiddag of om, zoals door de
vrouw voorgesteld, de margedagen uit te breiden naar de donderdagochtend. Ook de maandelijkse margedag op woensdag is volgens de man moeilijk in zijn werkrooster in te passen. De man neemt hiervoor dan ook steeds een vrije dag op. De man merkt op dat de margedagen na het komende schooljaar, in groep 5, stoppen. De man verzoekt te bepalen dat [minderjarige] iedere vrijdagmiddag bij hem zal verblijven, waarbij de man hem uit school ophaalt, en stelt daarnaast een vierwekelijkse omgangscyclus voor, waarbij [minderjarige] een extra weekend (weekend 2) van vrijdag uit school tot zaterdagmiddag 13.00 uur, derhalve drie weekenden bij de man en één weekend bij de vrouw verblijft.

5.5

De vrouw maakt bezwaar tegen een extra weekend van vrijdag uit school tot zaterdagmiddag 13.00 uur en verzet zich er daarnaast tegen om de woensdagmiddag met de vrijdagmiddag te ruilen. De vrouw merkt op dat de man de omgang op de vrijdagmiddagen vaak niet zelf invult, maar dit meestal aan zijn ouders of aan zijn nieuwe partner overlaat.

5.6

Ter zitting van het hof is door het hof de volgende driewekelijkse regeling voorgesteld: [minderjarige] verblijft twee weekenden van vrijdag uit school tot maandagochtend tot school bij de man, waarbij de man [minderjarige] op maandagmorgen naar school brengt, waarna [minderjarige]
vervolgens een weekend bij de vrouw verblijft. Daarnaast verblijft [minderjarige] de maandelijkse margedag op woensdag bij de man. Het hof heeft bij dit voorstel in overweging genomen hetgeen tussen partijen niet in geschil is en dat wekelijks omgang op woensdag voor de man, vanwege de ploegendiensten waarin hij werkt en de reisafstand tussen partijen, niet, althans moeilijk haalbaar is. Het hof heeft in dit kader opgemerkt dat ter zitting van het hof is gebleken dat de vrouw, ondanks haar standpunt dat de man op woensdag wel omgang met [minderjarige] kan hebben, op woensdag inmiddels (logopedie)afspraken voor [minderjarige] heeft gepland en er derhalve ook van uit lijkt te gaan dat [minderjarige] op woensdag geen omgang met de man heeft.

5.7

De man heeft ter zitting van het hof aangegeven dat hij kan instemmen met de voorgestelde drieweekse regeling, waarbij [minderjarige] twee weekenden bij hem en een weekend bij de vrouw verblijft. De vrouw heeft aangegeven hiermee niet in te stemmen, omdat zij erg aan haar weekenden met [minderjarige] hecht. De vrouw is van mening dat het in het in haar belang en in het belang van [minderjarige] is dat zij, net als de man, eens per veertien dagen een weekend met [minderjarige] doorbrengt.

5.8

Het hof overweegt het volgende. Het hof acht een zorgregeling zoals voorgesteld ter zitting van het hof, gelet op hetgeen onder 5.6 aangegeven, passend en in het belang van [minderjarige] en zal deze dan ook met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen. Het door de vrouw aangevoerde is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Voor wat betreft de haal- en brengregeling sluit het hof aan bij de rechtbank, in die zin dat dat halen en brengen door partijen (voor het overige) dient te worden verdeeld, in onderling overleg af te spreken.

Ten aanzien van de kinderalimentatie

De behoefte van [minderjarige]

5.9

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige], op basis van de tabel eigen aandeel kosten kinderen 2011 en zoals door de man terecht geconstateerd op basis van 4 kinderbijslagpunten, € 598,-- per maand bedraagt.

5.10

Het hof is, met de vrouw, van oordeel dat het redelijk is om de behoefte van [minderjarige] in 2013 te indexeren. De stelling van de man dat de behoefte ten onrechte door de rechtbank is geïndexeerd, omdat verhoging van de behoefte alleen kan plaatsvinden wanneer het inkomen van een van de ouders hoger is geworden dan het gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk, of wanneer sprake is van uitzonderlijke kosten, berust op een onjuiste opvatting. Indexering van de behoefte betreft immers niet een verhoging van de vast te stellen behoefte, zoals door de man omschreven, maar een aanpassing van het vastgestelde behoeftebedrag naar aanleiding van de jaarlijkse inflatie.

5.11

Na toepassing van de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van [minderjarige] met ingang van het jaar 2013 (afgerond) € 608,-- per maand. In 2012 bedraagt de behoefte, gelet ook op de standpunten van partijen, € 598,-- per maand.

De periode van 19 oktober 2011 tot 24 oktober 2013

De woonlasten

5.12

De man stelt - kort gezegd - dat de rechtbank ten onrechte de helft van de woonlasten aan zijn nieuwe partner heeft toegerekend, nu het inkomen van zijn nieuwe partner zodanig is, dat niet gevergd kan worden dat zij de helft van de woonlasten voor haar rekening neemt. De man stelt voorts dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat zijn nieuwe partner al vanaf 19 oktober 2011 met hem samenwoont. Daarnaast heeft de man opgemerkt dat de vrouw nog steeds mede-eigenaar van de woning is, maar niet bijdraagt in de lasten en het door de man betaalde rentedeel van de vrouw voor hem niet meer aftrekbaar is. In de praktijk is zijn draagkracht lager dan de rechtbank heeft berekend, aldus de man.

5.13

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de nieuwe partner van de man, vanaf het moment dat haar dienstverband per 1 februari 2013 is beëindigd, een inkomen uit Ziektewetuitkering geniet dat op bijstandsniveau ligt. In dergelijke gevallen is het gebruikelijk dat de helft van de woonlasten aan de nieuwe partner wordt toegerekend, gelet op de prioriteit die het betalen van kinderalimentatie heeft. Het hof ziet, evenals de rechtbank, geen aanleiding om in de onderhavige zaak van dat uitgangspunt af te wijken. Hetgeen door de man is aangevoerd, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Met de door de man aangevoerde omstandigheid dat de Ziektewetuitkering van zijn nieuwe partner per 23 maart 2014 zal worden beëindigd en zij alsdan geen inkomen meer heeft, houdt het hof geen rekening, nu de man in het geheel geen stukken heeft overgelegd waaruit de beëindiging blijkt. Tevens passeert het hof de stelling van de man dat zijn nieuwe partner niet in staat is om een baan te vinden waaruit zij voldoende inkomen kan genereren om de helft van de woonlasten te kunnen dragen, nu hij (ook) deze stelling, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, onvoldoende nader heeft onderbouwd.

5.14

Het hof gaat er, evenals de rechtbank, van uit dat de man op 19 oktober 2011
reeds samenwoonde met zijn nieuwe partner. Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stelling dat zijn nieuwe partner eerst vanaf 25 januari 2012 met hem samenwoont, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, onvoldoende nader onderbouwd. Meer in het bijzonder heeft de man nagelaten om (met stukken) aan te tonen waar zijn nieuwe partner dan vóór 25 januari 2012 zou hebben gewoond. De brief van de gemeente [X] waar de man op wijst is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen,
nu deze brief enkel aantoont dat de vrouw zich op 25 januari 2012 ten behoeve van de registratie in de gemeentelijke basisadministratie heeft ingeschreven op hetzelfde woonadres als de man.

5.15

Tussen partijen is niet in geschil dat de man het aandeel van de vrouw in de hypotheekrente voldoet en dat deel voor hem fiscaal niet aftrekbaar is. Evenals de rechtbank zal het hof dan ook bij de berekening van het belastbaar inkomen van de man slechts rekening houden met de helft van de betaalde hypotheekrente.

5.16

Gelet op het voorgaande, komt het hof niet tot een ander oordeel dan de rechtbank voor wat betreft de door de man te betalen kinderalimentatie in de periode vanaf 19 oktober 2011 tot 24 oktober 2013.

De periode vanaf 24 oktober 2013

5.17

De vrouw stelt - kort gezegd - dat de rechtbank in de periode vanaf 1 januari 2013
ten onrechte is uitgegaan van haar inkomen over het jaar 2012, nu zij is afgekeurd voor haar werk als operatieassistente en haar salaris in verband met een functiewijziging met ingang van 1 januari 2013 minder is geworden. Er dient volgens de vrouw vanaf 1 januari 2013 rekening te worden gehouden met de salarisverlaging.

5.18

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting acht het hof het aannemelijk dat het inkomen van de vrouw in 2013 substantieel is gedaald, zoals zij heeft gesteld.
Nu de vrouw haar inkomensvermindering niet eerder aan de orde heeft gesteld en zij haar incidentele verzoek om hiermee rekening te houden eerst bij verweerschrift van 24 oktober 2013 heeft gedaan, kon de man niet eerder dan deze datum rekening houden met een eventuele gewijzigde betalingsverplichting. Gelet op het voorgaande, zal het hof vanaf
24 oktober 2013 rekening houden met het lagere inkomen van de vrouw.

5.19

Gelet op de nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen, gepubliceerd in februari 2013, overweegt het hof ten aanzien van de te hanteren rekenmethode als volgt.

Voor de toepasselijke normen beveelt de Expertgroep de volgende overgangsregeling aan.
Als de ingangsdatum van de vaststelling of wijziging van de kinderalimentatie ligt vanaf
1 april 2013 dienen de behoefte en draagkracht te worden berekend volgens de nieuwe richtlijnen.

5.20

Nu, zoals hiervoor overwogen, vanaf 24 oktober 2013 rekening zal worden gehouden met een lager inkomen van de vrouw, zal het hof de draagkracht van de man over de periode vanaf die datum berekenen volgens de uitgangspunten van de nieuwe wijze voor het berekenen van kinderalimentatie, zoals deze gelden vanaf 1 april 2013.

De behoefte van [minderjarige]

5.21

Ter berekening van de door de man verschuldigde bijdrage over de periode vanaf
24 oktober 2013, dient het hof allereerst het eigen aandeel van de ouders in de kosten van
het kind opnieuw vast te stellen, nu het hof, overeenkomstig de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen zoals deze vanaf 1 januari 2013 luidt, bij vaststelling van de behoefte
het kindgebonden budget beschouwt als een bijdrage in de behoefte van de kinderen.
Nu echter gesteld noch gebleken is dat partijen ten tijde van het huwelijk kindgebonden budget ontvingen en de vrouw ter zitting van het hof onweersproken heeft gesteld dat zij thans geen kindgebonden budget ontvangt, zal het hof een verrekening van het kindgebonden budget buiten beschouwing laten. Het voorgaande leidt ertoe dat de behoefte van [minderjarige] niet wijzigt ten opzichte van de periode vóór 24 oktober 2013.

5.22

Uitgangspunt in de nieuwe richtlijnen is dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van een draagkrachttabel, waarbij op forfaitaire wijze rekening is gehouden met de kosten van levensonderhoud.

De draagkracht van de man

5.23

Het bedrag aan draagkracht van de man wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x (NBI - (0,3 NBI + 850)). Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd.

5.24

Wat betreft het inkomen van de man gaat het hof aan de hand van de jaaropgave 2013 uit van een bruto jaarinkomen van € 43.271,--. Uit de aan deze beschikking gehechte berekening blijkt dat de man een netto besteedbaar inkomen van afgerond € 2.473,-- per maand heeft. Op basis van de nieuwe richtlijnen berekent het hof de draagkracht van de
man per 24 oktober 2013 op 70% x (€ 2.473,-- - (0,3 x € 2.473,-- + € 850,--)) = afgerond
€ 617,-- per maand, nog te verhogen met het fiscaal voordeel van € 49,-- per maand, derhalve € 666,-- per maand.

De draagkracht van de vrouw

5.25

Wat betreft het inkomen van de vrouw gaat het hof aan de hand van de jaaropgave 2013 uit van een bruto jaarinkomen van € 29.301,--. Uit de aan deze beschikking gehechte berekening blijkt dat de vrouw een netto besteedbaar inkomen van afgerond € 2.159,-- per maand heeft. Op basis van de nieuwe richtlijnen berekent het hof de draagkracht van de vrouw per 24 oktober 2013 op 70% x (€ 2.159,-- - (0,3 x € 2.159,-- + € 850,--)) = afgerond
€ 463,-- per maand.

De draagkrachtvergelijking

5.26

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Het eigen aandeel van de man bedraagt dan: € 666,-- / € 1.129,-- x € 608,-- =
afgerond € 359,--.

De zorgkorting

5.27

Ten aanzien van de zorgkorting overweegt het hof als volgt. Uitgangspunt is dat de kosten van de zorgregeling worden bepaald aan de hand van de behoefte en het gemiddeld aantal dagen per week dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind zijn hoofdverblijf niet heeft. De zorgkosten worden uitgedrukt in een percentage van de behoefte.

5.28

Nu de man onweersproken heeft gesteld dat - uitgaande van de door hem gewenste (uitgebreidere) zorgregeling - uitgegaan moet worden van een zorgkorting van 20%, zal het hof een zorgkorting toepassen van 20%. Aangezien de (geïndexeerde) behoefte van [minderjarige]
€ 608,-- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van afgerond € 122,--.

5.29

Gelet op het voorgaande, stelt het hof de draagkracht van de man over de periode vanaf 24 oktober 2013 vast op een bedrag van (€ 359,-- - € 122,-- =) € 237,-- per maand.

6 De slotsom

6.1

Gelet op het vorenoverwogene, zal het hof beslissen als na te melden.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

in principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 21 mei 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en voor zover het voor wat betreft de zorgregeling de periode vanaf 5 juni 2014 betreft en voor zover het voor wat betreft de door de man te betalen kinderalimentatie de periode vanaf 24 oktober 2013 betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt met ingang van 5 juni 2014 de volgende zorgregeling vast tussen de man en [minderjarige], geboren op [geboortedatum] [te plaats]:

[minderjarige] verblijft in een periode van telkens drie weken twee weekenden van vrijdag uit school tot maandagochtend tot school bij de man, waarbij de man [minderjarige] op maandagmorgen naar school brengt, alsmede de maandelijkse margedag op woensdag, waarbij de man [minderjarige] op dinsdag uit school ophaalt. Het halen en brengen dient (voor het overige) door partijen te worden verdeeld, in onderling overleg af te spreken;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 24 oktober 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] een bedrag van € 237,-- per maand, inclusief fiscaal voordeel, dient te betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.H. Garos, voorzitter, mr. R. Feunekes en
mr. S. Rezel, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 5 juni 2014.