Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4883

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-06-2014
Datum publicatie
19-06-2014
Zaaknummer
200.148.234-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moeder is - zonder toestemming van de vader - samen met het minderjarige kind verhuisd naar een plaats gelegen op 250 km afstand van de (voormalige) gezamenlijke woning. In kort geding vorderen partijen over en weer de voorlopige toewijzing van het kind. In eerste aanleg heeft de voorzieningenrechter het kind toegewezen aan de vader, conform het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. Moeder gaat in hoger beroep; vader ook, omdat de moeder het vonnis niet uitvoert.

Het hof overweegt dat de kort geding rechter - ook in hoger beroep - zich moet richten naar het oordeel van de rechter in de bodemzaak. Partijen hebben inmiddels een bodemzaak aanhangig gemaakt en daarin heeft al een zitting plaatsgevonden. Omdat inmiddels naar verwachting een beslissing is genomen door de bodemrechter, dienen partijen die beslissing in het geding te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.148.234/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/147207 / KG ZA 14-94)

arrest van de eerste kamer van 17 juni 2014 in de zaak van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel, verweerster in het incidenteel appel,

tevens eiseres in het incident tot schorsing tenuitvoerlegging,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. M.J. Flach, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel, eiser in het incidenteel appel,

tevens verweerder in het incident tot schorsing tenuitvoerlegging,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.P.J. van der Eerden, kantoorhoudend te 's-Gravenhage.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis van 3 april 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Groningen (hierna: de voorzieningenrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij exploot van 22 april 2014 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van voormeld vonnis van 3 april 2014. De conclusie van de appeldagvaarding (met producties), waarin de grieven zijn opgenomen, luidt:

"(...) bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het kort gedingvonnis, gewezen op 3 april 2014 (...) te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de eis in conventie toe te wijzen en de eis in reconventie alsnog af te wijzen inhoudende dat, in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, [kind], geboren [in 2009], voorlopig zal worden toevertrouwd aan appellante alsmede dat het hoofdverblijf van [kind] (voorlopig) bij appellante zal worden bepaald

II te bepalen dat de tenuitvoerlegging van het kort gedingvonnis, gewezen op 3 april 2014 (...) zal worden geschorst in afwachting van de onderhavige procedure."

2.2

[appellante] heeft een memorie van grieven (met producties) genomen waarin van eis is geconcludeerd conform de appeldagvaarding.

2.3

Bij conclusie van antwoord/memorie van antwoord in incident tevens houdende incidenteel appel (met producties) heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"(...) bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, en op de minuut, om:

IN HET INCIDENT

[appellante] niet ontvankelijk te verklaren in het incident dan wel haar vordering af te wijzen op grond van al hetgeen hierboven breder omschreven alsmede het feit dat de bodemrechter de zaak inhoudelijk op 8 mei 2014 zal behandelen en het in het belang van de minderjarige is dat zij (voorlopig) aan [geïntimeerde] wordt toevertrouwd althans er geen reden voor schorsing van het vonnis van de rechtbank is.

IN APPEL

[appellante] niet ontvankelijk te verklaren dan wel haar vordering af te wijzen en in reconventie Primair te bepalen dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige [kind] (voorlopig) zal zijn bij [geïntimeerde] zulks op verbeurte van een dwangsom van 5.000,00 voor iedere keer nadat de vrouw, nadat twee dagen na betekening zijn verstreken, in gebreke blijft om aan het in deze te wijzen arrest te voldoen, één en ander zonder maximum vast te stellen zulks met machtiging aan de [geïntimeerde] om het in deze te wijzen arrest ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm, nadat de vrouw, nadat twee dagen na betekening zijn verstreken, in gebreke blijft om aan het in deze te wijzen arrest te voldoen.

Subsidiair [appellante] te gelasten woon plaats te kiezen binnen een dusdanige straal van de woonplaats van de [geïntimeerde], de voormalige woonplaats van partijen, dat co-ouderschap kan ontstaan althans een straal van 50 km althans een dusdanige afstand die een (normale) zorgregeling niet in de weg zal staan, zulks op verbeurte van een dwangsom van 5.000,00 voor iedere keer nadat de vrouw, nadat twee dagen na betekening zijn verstreken, in gebreke blijft om aan het in deze te wijzen arrest te voldoen, één en ander zonder maximum vast te stellen zulks met machtiging aan de [geïntimeerde] om het in deze te wijzen arrest ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm, nadat de vrouw, nadat twee dagen na betekening zijn verstreken, in gebreke blijft om aan het in deze te wijzen arrest te voldoen."

2.4

Bij memorie van antwoord in incidenteel appel (met producties) heeft [appellante] geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [geïntimeerde], dan wel tot afwijzing van diens incidenteel appel.

2.5

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd, waartoe [appellante] de stukken heeft overgelegd. Het hof zal vooralsnog geen acht slaan op de door [appellante] bij memorie van antwoord in het incidenteel appel in het geding gebracht producties, aangezien [geïntimeerde] hierop nog niet heeft kunnen reageren.

3 De feiten, het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

De voorzieningenrechter heeft in onderdeel 2 van het vonnis van 3 april 2014 feiten vastgesteld. Hiertegen is niet gegriefd en ook anderszins is niet van bezwaren tegen de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten gebleken. Deze feiten luiden, aangevuld met wat verder over de feiten als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende gemotiveerd betwist alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties vaststaat, als volgt.

3.2

[appellante] en [geïntimeerde] hebben een affectieve relatie gehad. Uit hun relatie is [in 2009] geboren [kind] (hierna: [kind]), erkend door [geïntimeerde] op 22 december 2008.

3.3

Partijen hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [kind].

3.4

Sedert 24 april 2013 bezoekt [kind] een basisschool in [woonplaats].

3.5

Op 12 maart 2014 heeft [appellante] de gezamenlijke woning van partijen in [woonplaats] verlaten en is - met medeneming van [kind] - vertrokken naar [woonplaats].

3.6

[appellante] en [kind] zijn ingeschreven in de gemeente [gemeente] en wonen (tijdelijk) in bij de moeder van [appellante]. [kind] bezoekt thans een basisschool in [woonplaats].

3.7

In eerste aanleg heeft [appellante] in conventie - zakelijk samengevat - gevorderd dat [kind] (voorlopig) aan haar wordt toevertrouwd en dat het hoofdverblijf van [kind] (voorlopig) bij [appellante] wordt bepaald. In reconventie heeft [geïntimeerde] - zakelijk samengevat - gevorderd (primair) dat de verblijfplaats van [kind] voorlopig bij [geïntimeerde] zal zijn, dan wel (subsidiair) dat [appellante] wordt gelast te verhuizen naar een woonplaats binnen een straal van 50 kilometer van de woonplaats van [geïntimeerde], althans binnen een zodanige afstand dat co-ouderschap dan wel een normale zorgregeling mogelijk is.

3.8

Tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding in eerste aanleg, heeft onder meer het woord gevoerd de heer [namens de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Uit het proces-verbaal van de zitting van de voorzieningenrechter van 31 maart 2014 blijkt dat [namens de raad] onder meer het volgende heeft verklaard:

"[kind] is gewend aan de school en de buitenschoolse opvang. Zij is om half zes, zes uur thuis bij [geïntimeerde]. Beide partijen moeten een beroep doen op derden voor de verzorging voor [kind]. Nu [appellante] nog geen baan heeft, doet zij dat dus zelf, maar zij solliciteert. Een ander aspect is de opvoedingsstijl van partijen. [kind] was sterk op [geïntimeerde] gericht. De afwegingen voor [kind] zijn continuïteit, voorspelbaarheid, leefomgeving, school en klasgenoten. Voor [appellante] is [woonplaats] een vertrouwde omgeving. [kind] moet een omslag maken. Sommige kinderen kunnen dat goed. Sommigen hebben het daar moeilijk mee."

3.9

De voorzieningenrechter heeft onder andere overwogen dat de Raad van mening is dat [kind] terug moet naar [geïntimeerde]. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en (in reconventie) bepaald dat [kind] voorlopig aan [geïntimeerde] wordt toevertrouwd. Voorts heeft de voorzieningenrechter een voorlopige contactregeling vastgesteld, inhoudende dat [kind] één weekend per veertien dagen bij [appellante] verblijft van vrijdag na school tot zondagmiddag 17:00 uur, waarbij [appellante] [kind] op vrijdag van school haalt en [geïntimeerde] [kind] op zondagmiddag ophaalt bij [appellante].

3.10

Tussen partijen is een bodemzaak aanhangig bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. Bij verzoekschrift van 14 april 2014 heeft [appellante] verzocht te bepalen:

(1) dat het hoofdverblijf van [kind] bij [appellante] wordt vastgesteld;

(2) dat [appellante] vervangende toestemming wordt verleend voor de verhuizing van [kind] van [woonplaats] naar [woonplaats], en

(3) dat de Raad een onderzoek instelt naar de vraag of, en zo ja: in hoeverre, omgang tussen [geïntimeerde] en [kind] in het belang van laatstgenoemde is.

Bij verweerschrift van 30 april 2014 heeft [geïntimeerde] geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van [appellante] en heeft [geïntimeerde] de rechtbank verzocht [kind] aan hem toe te vertrouwen en te bepalen dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij hem zal zijn.

3.11

[appellante] heeft geen uitvoering gegeven aan het vonnis van de voorzieningenrechter van 3 april 2014.

4 De beoordeling in hoger beroep

In principaal en incidenteel appel alsook in het incident

4.1

Uit de gedingstukken blijkt dat in de bodemzaak die aanhangig is bij de rechtbank Noord-Nederland op 8 mei 2014 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden en dat in die zaak op 10 juni 2014 een beschikking zou worden gegeven. Aangezien de rechter in kort geding - ook in hoger beroep - zich in beginsel dient te richten naar het oordeel van de bodemrechter, oordeelt het hof dat deze beschikking in het geding dient te worden gebracht.

4.2

Het hof zal [appellante] opdragen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, in de bodemzaak bij akte in het geding te brengen. In die akte kan [appellante] desgewenst (kort) haar visie op die beschikking geven.

4.3

Bij antwoordakte kan [geïntimeerde] hier vervolgens op reageren en kan hij tevens alsnog reageren op de door [appellante] bij memorie van antwoord in het incidenteel appel in het geding gebrachte producties.

4.4

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

In principaal en incidenteel appel alsook in het incident

draagt [appellante] op om de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland in de tussen partijen aanhangige bodemzaak als bedoeld in rechtsoverweging 3.10 bij akte in het geding te brengen;

verwijst de zaak daartoe naar de rol van dinsdag 1 juli 2014;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. R.E. Weening en mr. A.M. Koene, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 17 juni 2014.