Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4668

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
200.139.118-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verklaringsprocedure. Grenzen van de rechtsstrijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.139.118/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/124551/HA ZA 13-23)

arrest van de eerste kamer van 10 juni 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.P. van Dijk, kantoorhoudend te Dedemsvaart,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 13 november 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 6 december 2013;

- de memorie van grieven d.d. 18 februari 2014, houdende zestien grieven, met producties.

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

"te vernietigen het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 13 november 2013 zoals gewezen onder kenmerk C/17/124551/HA ZA 13/23 en opnieuw rechtdoende, doende wat de eerste rechter had behoren te doen, alsnog bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren:

Geïntimeerde alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans en in elk geval deze vorderingen aan geïntimeerde te ontzeggen als ongegrond en onbewezen.

Voorts geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van het op basis van bovengenoemde beslissing reeds betaalde bedrag, bestaande uit het navolgende:

Een bedrag ter hoogte van € 5.054,07 verhoogt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts met veroordeling van de geïntimeerde tot voldoening van een bedrag ter hoogte van € 600,00 per maand, ingaande 1 december 2013 e.e.a. verhoogt met de wettelijke rente vanaf de dag der respectievelijke betalingen tot aan de dag der terugboeking.

Voorts geïntimeerde te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties."

3 Ten aanzien van de bij de rechtbank gedeponeerde stukken

Het hof heeft geconstateerd dat bij de rechtbank financiële stukken gedeponeerd zijn geweest. In appel heeft geen depot plaatsgevonden, zodat het hof ten aanzien van de inhoud van die stukken in het duister tast, tenzij die stukken in appel als productie zijn overgelegd.

4 De vaststaande feiten

De grieven richten zich niet tegen de feitenvaststelling in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.8) van het beroepen vonnis. Nu ook anderszins niet van bezwaren daartegen is gebleken, zal ook in hoger beroep worden uitgegaan van deze feiten, aangevuld met enige feiten die in hoger beroep als vaststaand zijn aan te merken. Deze feiten luiden als volgt.

4.1

[geïntimeerde] en [vrouw] zijn gehuwd geweest. Hun huwelijk is ontbonden door inschrijving, [in 2008], van de echtscheidingsbeschikking d.d. 9 januari 2008 in de registers van de burgerlijke stand.

4.2

[appellant] is de zoon van [geïntimeerde] en [vrouw]. Hij heeft met zijn vader een garage-sloopbedrijf gedreven onder de naam “[V.O.F.]”. [vrouw] is per 1 januari 2010 als vennoot uitgetreden, waarna [appellant] het bedrijf van de vennootschap als eenmanszaak onder de naam “[Autobedrijf]” heeft voortgezet.

4.3

[Autobedrijf] is gevestigd in een bedrijfspand aan [adres]. Dit bedrijfspand is eigendom van [geïntimeerde] en [vrouw] en valt in de nog niet verdeelde ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

4.4

Op 20 december 2010 heeft [appellant] met [vrouw] een huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW gesloten waarbij de huurprijs is bepaald op € 600,- per maand.

4.5

[vrouw] is bij beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden veroordeeld om aan [geïntimeerde] alimentatie te betalen van € 1.200,- per maand, ingaande 16 juni 2008.

4.6

[geïntimeerde] heeft uit hoofde van deze beschikking op 28 november 2012 executoriaal derdenbeslag op grond van artikel 475 Rv gelegd op alle vorderingen en/of roerende zaken die derde beslagene van [vrouw] onder zich heeft of op grond van een reeds nu bestaande rechtsverhouding onder zich zal of mocht verkrijgen tot een totaalbedrag van

€ 23.581,55 aan achterstallige alimentatie op grond van de beschikking van het hof Leeuwarden, hiervoor vermeld.

4.7

Op 14 december 2012 heeft [registeraccountant], namens [appellant] een verklaring afgelegd er op neerkomende dat [geïntimeerde] niets meer aan [vrouw] was verschuldigd, omdat hij een tegenvordering van € 44.000,- op [vrouw] zou hebben.

4.8

Bij dagvaarding van 10 januari 2013 heeft [geïntimeerde] de juistheid van deze verklaring betwist.

4.9

De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden heeft bij beschikking van 10 juli 2013 de alimentatiebeschikking van het hof Leeuwarden gewijzigd met ingang van 14 december 2012 en tot € 762, - per maand teruggebracht.

5 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] gehouden was om de gehele huur aan zijn vader te voldoen, welke huur tot en met het wijzen van het vonnis was opgelopen tot € 7.200,- en dat de tegenvordering van [appellant] slechts tot een bedrag van € 2.145,93 gerechtvaardigd was en [appellant] veroordeeld om de achterstallige huurbedragen en toekomstige huurbedragen aan [geïntimeerde] te voldoen totdat een bedrag van € 23.583,34 zal zijn voldaan.

6 De beoordeling van de grieven

6.1

De zestien door [appellant] opgeworpen grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor.

6.2

De tussen partijen gevoerde procedure is een verklaringsprocedure, waarbij [geïntimeerde] op voet van artikel 477a Rv, tweede lid, de door [appellant] afgelegde verklaring wat hij nog schuldig is aan zijn vader [vrouw] heeft betwist en waarbij de rechter moet vaststellen welk bedrag [appellant] aan zijn vader verschuldigd is en ingevolge het gelegde derdenbeslag aan zijn moeder dient af te dragen. Beide partijen hebben bij voortduring de aard van deze procedure uit het oog verloren en stellingen ingenomen over onderwerpen als de verschuldigdheid van alimentatie, de beheersregeling voor het bedrijfspand in het kader van de boedelscheiding en de redelijkheid van de contractueel afgesproken huur, die het bestek van de verklaringsprocedure te buiten gaan. Voor zover de rechtbank zich door partijen op sleeptouw heeft laten nemen en in het voetspoor van partijen, ook uitspraken heeft gedaan over de rechtsbetrekking tussen [appellant] en [geïntimeerde] met betrekking tot het pand waarin [appellant] zijn bedrijf uitoefent, is de rechtbank buiten de omvang van verklaringsprocedure getreden, doch nu deze overwegingen niet de kern van de beslissing van de rechtbank treffen, heeft de klacht van [appellant] dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden, geen gevolgen voor de beslissing in hoger beroep. Het zijn immers juist partijen - waarbij [appellant] zich bepaald niet onbetuigd heeft gelaten - die de rechtsstrijd tot ver buiten de grenzen van de verklaringsprocedure hebben opgerekt.

6.3

Voor zover [appellant] vraagtekens plaatst bij het totaalbedrag aan alimentatieachterstand waarvoor [geïntimeerde] derdenbeslag heeft doen leggen overweegt het hof dat [geïntimeerde] de alimentatieachterstand heeft doen berekenen tot en met december 2012. De overgelegde beschikking van 10 juli 2013 betreft een wijziging ingaande 14 december 2012, zodat deze de alimentatieachterstand zoals door [geïntimeerde] berekend slechts marginaal raakt, namelijk alleen het (halve) maandbedrag voor de maand december 2012. Voor zover [geïntimeerde] meer alimentatie zou innen dan haar toekomt, is dat een onrechtmatige handeling jegens [vrouw], waar [appellant] vooreerst buiten staat. Dat op dit moment meer alimentatie is voldaan dan waarop [geïntimeerde], gelet op de overgelegde beschikkingen, aanspraak kan maken, blijkt evenwel niet uit de gedingstukken. Voor zover [appellant] aanvoert dat nog een alimentatieprocedure in appel wordt gevoerd tussen zijn ouders, kan het hof niet op de uitkomsten daarvan vooruitlopen. Anders dan [appellant] meent, maken die appelstukken ook niet ambtshalve deel uit van deze verklaringsprocedure.

6.4

In concreto gaat het in deze zaak om de huurpenningen die [appellant] aan zijn vader verschuldigd is op grond van de tussen hen gesloten huurovereenkomst. Dat [appellant] ook uit anderen hoofde nog bedragen verschuldigd zou zijn aan zijn vader, heeft de rechtbank niet vastgesteld, zodat ook het hof daarvan heeft uit te gaan.

6.5

Dat [geïntimeerde], als mede-eigenaar mogelijk ook rechtstreeks jegens [vrouw] aanspraak kan maken op een deel van de huurpenningen, doet hier niet terzake. Volgens de overgelegde huurovereenkomst is [appellant] de huurpenningen aan zijn vader schuldig. Hij kan in deze procedure niet aanvoeren dat feitelijk de helft van de huurpenningen aan [geïntimeerde] ten goede zou moeten komen. Dat betreft de rechtsverhouding tussen [vrouw] en [geïntimeerde], die [appellant] in zoverre niet raakt en buiten het bereik van deze verklaringsprocedure valt.

6.6

Nu [appellant] niet heeft betoogd dat hij ooit de verschuldigde maandhuur aan zijn vader heeft betaald, is hij deze in beginsel aan hem verschuldigd en kan [geïntimeerde] op de niet betaalde huurpenningen vanaf 20 december 2010 beslag leggen, tenzij [appellant] kan aantonen dat hij een verrekenbare vordering op zijn vader heeft waardoor de huurschuld geheel of gedeeltelijk teniet is gegaan. Anders dan [appellant] stelt (zie onder meer de toelichting op grief 5) gaat het daarbij niet om veronderstelde vorderingen van [vrouw] op [geïntimeerde]. [vrouw] is geen partij in dit geschil. [appellant] heeft zijn vader niet op de voet van artikel 118 RV in het geding geroepen.

6.7

De rechtbank heeft in totaal een verrekenbare vordering vastgesteld van €2.145,93. Dat bedrag is in deze verstekprocedure niet aangevochten, zodat het er uitsluitend om gaat of [appellant] in appel nog meer verrekenbare vorderingen aannemelijk heeft gemaakt. [appellant] tracht in de grieven 4 tot en met 14 aan te tonen dat zulks het geval is.

6.8

Het betoog ter toelichting op grief 4 is voor het hof onnavolgbaar. Het hof kan daaruit geen voor verrekening vatbare tegenvordering van [appellant] destilleren. Evenmin kan het hof [appellant] volgen in zijn stelling verwoord in de toelichting op grief 5 dat hij tussen januari 2010 tot 1 januari 2012 een bedrag van € 6.534,24 heeft voldaan aan zijn ouders, dat voor verrekening vatbaar zou zijn. Uit de overgelegde bankafschrijvingen van Regiobank kredietrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [vrouw] blijkt alleen van maandelijkse bijschrijvingen ad € 272,26 van rekening nummer [rekeningnummer], die ook op naam van [vrouw] staat. Dat dit onverplichte betalingen van [appellant] jr. aan zijn vader zijn, blijkt naar ’s hofs oordeel niet uit de overgelegde bescheiden.

6.9

Voorts beroept [appellant] zich in de toelichting op die grief erop dat hij ook betalingen aan [deurwaarderskantoor] heeft verricht ten behoeve van zijn vader. Het hof acht de daarvoor bij grieven overgelegde bescheiden (productie 14) voldoende begrijpelijk om daar uit af te leiden dat [appellant] acht termijnbedragen van € 150, - voor zijn vader heeft voldaan, derhalve tot een totaal bedrag van € 1200, - . Dit bedrag levert naar ’s hof oordeel ook een verrekenbare vordering op.

6.10

Hetgeen [appellant] meldt over de bedrijfsovername (grief 6) is voor het hof weer grotendeels onnavolgbaar. Dat de bedrijfsschuld van [vrouw] is aangezuiverd met de overwaarde uit de verkoop van de echtelijke woning leidt er, zonder begrijpelijke toelichting, die ontbreekt, niet toe dat [appellant] zich op verrekening met enig bedrag kan beroepen terzake van zijn huurbetalingsverplichting. De posten genoemd in grief 7 zijn geen beter lot beschoren nu het hof het daarin gevoerde betoog niet kan volgen.

6.11

Ten aanzien van de WOZ-beschikkingen (grief 8) overweegt het hof dat de als productie 15 bij de grieven overgelegde aanslagbiljetten, anders dan [appellant] stelt, niet alle betrekking hebben op eigenaarslasten. Blijkens de eveneens bijgevoegde bijlage ziet de code 4 op de heffing OZB op de aanslag voor de gebruiker-niet eigenaar, evenals de code 3 bij de rioolheffing. Geen van de overgelegde aanslagen van de gemeente Súdwest-Fryslân heeft betrekking op de eigenaarslasten, zodat ook het hof van oordeel is dat het hier niet gaat om een verrekenbare post en er geen reden is het door de rechtbank aangenomen bedrag op het hogen.

6.12

Ten aanzien van de groepenkast (grief 9) ad € 287,84 heeft [appellant] in appel onweersproken gesteld dat [vrouw] als verhuurder ermee akkoord ging dat deze, voor rekening van de verhuurder komende, reparatie door [appellant] zou worden gedaan en betaald en klaarblijkelijk met de huur verrekend mocht worden. Hetzelfde geldt voor de nota’s van advocatenkantoor Maris, die in appel als productie zijn overgelegd. Blijkens de memorie van grieven, paragraaf 36, heeft [appellant] hiervan € 7.929,50 betaald - wat in appel niet is bestreden – zodat ook dit bedrag voor verrekening in aanmerking komt.

6.13

De vergoeding voor onderhoud (grief 11) is in appel niet verder met bewijsstukken gestaafd; anders dan [appellant] stelt heeft [geïntimeerde] deze kosten in eerste aanleg niet erkend. Dat appellant, naast de vervanging van de groepenkast, onderhoudswerkzaamheden heeft verricht die binnen het bereik van artikel 7:206 BW, derde lid vallen en langs die weg voor rekening van zijn vader dienen te komen, heeft [appellant] niet met zoveel woorden gesteld en dit blijkt ook niet uit de dossierstukken, zodat het hof die punten (dus ook de punten kast 2011 en onkosten 2012, grief 12) afwijst.

6.14

Voor het overige heeft [appellant] geen voor het hof navolgbaar beroep op enige tegenvordering gedaan, zodat het hof oordeelt dat het beroep van [appellant] op compensatie slechts slaagt voor de navolgende posten:

  • -

    € 2.145,93 (door de rechtbank vastgestelde bedrag);

  • -

    € 1.200, - betaald aan [deurwaarderskantoor],

  • -

    € 287,84 terzake van de groepenkast

  • -

    € 7.929,50 terzake van de nota’s van [X].

Het totaal komt derhalve neer op een bedrag van € 11.563,27.

Tot aan 1 juni 2014 is [appellant] terzake van de huur in totaal € 25.200, - aan zijn vader verschuldigd geraakt. Daarvan is er € 11.563,27 door verrekening teniet gegaan, zodat het beslag in beginsel nog kleeft voor € 13.636,73, te vermeerderen met € 600, - voor elke maand dat nadien het beslag niet is opgeheven en de achterstallige alimentatieschuld waarvoor beslag is gelegd – met een maximum van € 23.583,34 - niet volledig is voldaan.

6.15

Van [geïntimeerde] mag daarbij verwacht worden dat zij het derdenbeslag opheft zodra haar vordering is voldaan. Daaronder valt ook het geval waarin de alimentatievordering in appel zodanig is verminderd dat er materieel geen vordering meer resteert.

6.16

Uit de stellingen van [appellant], voor zover door het hof nagevolgd, volgt evenwel niet dat hij al meer aan [geïntimeerde] heeft voldaan dan zij van [vrouw] te vorderen heeft.

De slotsom

6.17

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, met aanpassing van gronden, bekrachtigen. Ook het hof ziet in de familieverhouding aanleiding om de kosten van deze procedure te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten dient te dragen.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 13 november 2013 met aanpassing van gronden, in die zin dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling aan de deurwaarder van de huurpenningen voor het pand [adres] ad € 600, - per maand, met inachtneming van een te verrekenen bedrag van € 11.563,27, zulks totdat de alimentatievordering van [geïntimeerde] is voldaan tot een maximum van € 23.583,34;

compenseert de kosten van deze procedure in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. K.E. Mollema, mr. J.H. Kuiper en mr. A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

10 juni 2014.