Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4494

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
200.137.875-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Proceskostenveroordeling. Man heeft niet de benodigde gegevens voor het beoordelen van zijn draagkracht in het geding gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2014/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.137.875/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, C/07/2026989/FA RK 13-399)

beschikking van de familiekamer van 13 mei 2014

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H.C.L. Crozier, kantoorhoudend te Sneek,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. N. Kloosterboer, kantoorhoudend te Deventer.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 3 oktober 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 28 november 2013, waarin de man verzoekt om voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat met ingang van 1 december 2012, althans per datum indiening van het verzoek in eerste aanleg, althans per zodanige datum als het hof in goede justitie juist acht, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (het hof verstaat:) van de minderjarige [minderjarige], geboren [in 1997], op nihil wordt gesteld, althans op enig bedrag als (het hof verstaat:) het hof juist acht, kosten rechtens;

- het verweerschrift, ingekomen op 13 februari 2014, waarin de vrouw verzoekt om, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel het beroep van de man af te wijzen;

II. de man te veroordelen in de proceskosten in deze procedure;

- een journaalbericht van mr. Crozier van 3 december 2013, met bijlagen, ingekomen op 4 december 2013;

- een journaalbericht van mr. Crozier van 19 december 2013 met bijlage, ingekomen op 24 december 2013;

- een journaalbericht van mr. Crozier van 11 maart 2014 met bijlagen, ingekomen op 12 maart 2014.

2.2

De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken met betrekking tot de zaak, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 17 april 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

Mr. Kloosterboer heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van de man en de vrouw is [in 2007] ontbonden door inschrijving van de - bij beschikking van 9 maart 2007 uitgesproken - echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige], geboren [in 1993],

- [minderjarige], voornoemd.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, van 15 oktober 2012, is de behoefte van [minderjarige] bepaald op € 198,30 per maand en is bepaald dat de man ter zake van kinderalimentatie voor [minderjarige] een dienovereenkomstige bijdrage aan de vrouw dient te betalen.

Bij die beschikking is bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen van de man onder meer rekening gehouden met een post ter hoogte van een bedrag van € 70,- betreffende een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige].

3.4

Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 28 maart 2013, heeft de man – zakelijk weergegeven – verzocht om de kinderalimentatie met ingang van

1 december 2012 op nihil te bepalen. De vrouw heeft zich daartegen verweerd.

3.5

Bij de bestreden beschikking is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]. De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking

van 3 oktober 2013.

5 De motivering van de beslissing

De ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek

5.1

De man heeft wijziging verzocht van de bij de beschikking van 15 oktober 2012 vastgestelde, door hem ten behoeve van [minderjarige] aan de vrouw te betalen, kinderalimentatie. Hij heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij per 1 december 2012 werkloos is geraakt waardoor zijn inkomen zodanig is gedaald dat hij onvoldoende draagkracht heeft om enige onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] te voldoen.

5.2

Aangezien de man heeft gesteld dat zich een wijziging als bedoeld in artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft voorgedaan, is hij ontvankelijk in zijn verzoek. Indien de rechter het verzoek onvoldoende onderbouwd acht, volgt afwijzing van het verzoek en niet zoals de rechtbank heeft geoordeeld een niet-ontvankelijk verklaring van het verzoek. Het beroep van de man is dan ook in zoverre reeds gegrond. Het hof zal hierna bepalen of zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan die een nieuwe beoordeling van de draagkracht van de man rechtvaardigt, zoals door hem is gesteld.

De wijziging van omstandigheden

5.3

Zoals hiervoor onder 5.1 overwogen heeft de man aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij per 1 december 2012 werkloos is geraakt waardoor zijn inkomen zodanig is gedaald dat hij onvoldoende draagkracht heeft om enige onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] te voldoen. Naar de mening van de man is er sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die een nieuwe beoordeling van zijn draagkracht rechtvaardigt.

5.4

De vrouw heeft gemotiveerd weersproken dat zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 1:401, eerste lid, BW. Zij heeft daarbij - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat sprake is van vrijwillige beëindiging van het dienstverband waarvan de man zich - gelet op zijn onderhoudsverplichting - had behoren te onthouden, dat niet is gebleken dat de man zich voldoende inspant om (weer) voldoende inkomen te verwerven, dat het huidige, door de man gestelde, inkomen, niet is onderbouwd, en dat de man vermogen heeft.

5.5

Het hof oordeelt als volgt. Bij de beschikking van 15 oktober 2012, waarvan wijziging wordt verzocht, is het inkomen van de man vastgesteld op € 30.753,- (jaaropgave 2011). Niet ter discussie staat dat de man met zijn (voormalige) werkgever, [bedrijf], op 25 september 2012 een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten waarbij is overeengekomen dat zijn dienstverband met wederzijds goedvinden eindigt per 1 december 2012. Voorts staat vast dat de man na het einde van zijn dienstverband zijn aanspraak op een WW-uitkering heeft ingeroepen.

5.6

Het hof is van oordeel dat het de man - gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens zijn minderjarige kind - niet zonder meer vrij stond om akkoord te gaan met het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Het ligt op de weg van de man om genoegzaam met stukken te onderbouwen dat sprake was van feiten en/of omstandigheden die meebrengen dat de beëindiging van zijn dienstverband hem niet is te verwijten. De man heeft dit nagelaten. De eventuele, uit de beëindiging van het dienstverband voortvloeiende, inkomensvermindering dient aldus voor zijn rekening te blijven.

5.7

Daargelaten het voorgaande is het hof overigens van oordeel dat het door de man gestelde huidige inkomen, ná het einde van zijn dienstverband, onvoldoende is onderbouwd. Het hof overweegt daartoe het volgende. De man heeft gesteld uitsluitend inkomen uit de WW-uitkering te ontvangen en heeft ten bewijze daarvan enkele betaalspecificaties WW overgelegd. De uitkering zoals die uit deze betaalspecificaties blijkt, correspondeert echter niet met het recht op een uitkering ter hoogte van 75% respectievelijk 70% van het voormalige bruto-inkomen uit dienstbetrekking. De man heeft desondanks nagelaten het onderliggende besluit betreffende de toekenning van de WW-uitkering in het geding te brengen. De man heeft evenmin een jaaropgave van het UWV over 2012 en/of 2013 overgelegd waaruit het door hem gestelde inkomen had kunnen blijken en zoals het procesreglement vereist.

5.8

Daarnaast is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat de man zich voldoende inspant om inkomen te verwerven. Bewijzen van sollicitaties of van een actieve status bij uitzendbureaus en dergelijke, heeft de man niet overgelegd. Voor zover de man heeft betoogd dat aan zijn WW-uitkering een sollicitatieverplichting is verbonden, overweegt het hof dat de sollicitatieverplichting die voortvloeit uit de Werkloosheidswet niet zonder meer overeenkomt met de inspanningsverplichting zoals die rust op onderhoudsplichtigen jegens een minderjarig kind. Gelet op de gemotiveerde betwisting van zijn standpunt door de vrouw had het op de weg van de man gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen. Daarbij komt dat de man weliswaar heeft gesteld nooit op zijn WW-uitkering te zijn gekort, maar dat uit het door de man overgelegde afschrift van de betaalrekening bij de ING Bank blijkt dat bij de betaling over de periode 16 december 2013 tot 10 januari 2014 'code 3' is vermeld, hetgeen mogelijk inhoudt dat de uitkering is verlaagd in verband met een door het UWV opgelegde boete of een maatregel. De man heeft nagelaten op dit punt een genoegzaam onderbouwde verklaring te geven.

5.9

Het hof overweegt voorts dat de man tegenover het gemotiveerde verweer van de vrouw inhoudende dat hij de beschikking heeft over vermogen, enkel heeft gesteld dat het vermogen er niet meer is. Het hof acht dit zonder nadere toelichting en onderbouwing onvoldoende weerlegging van het gemotiveerde verweer van de vrouw.

5.10

Aangezien het inkomen van de man niet is komen vast te staan kan niet worden vastgesteld dat de draagkracht van de man onvoldoende is om de bij de beschikking van

15 oktober 2012 vastgestelde bijdrage te blijven betalen. Het verzoek van de man tot wijziging van die beschikking dient te worden afgewezen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en er zal opnieuw worden beslist zoals hierna te melden.

De proceskosten

6.2

Het hof is van oordeel dat veroordeling van de man in de proceskosten in hoger beroep is aangewezen, zoals door de vrouw is verzocht. Het hof overweegt dat de man door in strijd met het procesreglement - niet de voor een goede beoordeling van zijn draagkracht benodigde gegevens in het geding te brengen - de vrouw nodeloos in de onderhavige procedure heeft betrokken.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 3 oktober 2013;

en opnieuw beslissende:

wijst het inleidend verzoek van de man af;

veroordeelt de man in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vrouw op € 299,00 aan griffierecht en op € 1.788,-

aan salaris voor de advocaat (op basis van twee punten in tarief II à € 894,- per punt).

Deze beschikking is gegeven door mr. A.W. Beversluis, voorzitter, mr. M.P. den Hollander en mr. H.J. de Ruijter, bijgestaan door de griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 13 mei 2014.