Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4490

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-06-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
200.142.422
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtigingen uithuisplaatsing. Mandaatbesluit, doorlopende volmacht tot nemen van indicatiebesluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.142.422

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 354094)

beschikking van de familiekamer van 5 juni 2014

inzake

[verzoeker] , verder te noemen: de vader,

en

[verzoekster] , verder te noemen: de moeder,

verder gezamenlijk te noemen: de ouders,

beiden wonende te [woonplaats],
verzoekers in hoger beroep,

advocaat: mr. M. Erkens te Rotterdam,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de stichting.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de pleegouders van de hierna te noemen [Kind 1] en [Kind 2],

wonende op een geheim adres,

en

de pleegouders van de hierna te noemen [Kind 3] en [Kind 4],

wonende op een geheim adres.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de kinderrechter) van 20 november 2013, hersteld bij beschikking van 29 januari 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 18 februari 2014;

- het verweerschrift, ingekomen op 19 maart 2014;

- het journaalbericht van mr. Erkens van 15 april 2014 met een bijlage;

- een faxbericht van de stichting van 17 april 2014, ingekomen op diezelfde datum.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 24 april 2014 plaatsgevonden. De ouders zijn niet verschenen. Namens hen is hun advocaat verschenen. Namens de stichting zijn verschenen M.J. Hermelink en M. Snippe, beiden gezinsvoogd. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is niemand verschenen.

2.3

Ter mondelinge behandeling heeft mr. Erkens het woord gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota. Hij heeft voorts overgelegd een Rapportage Psychologisch Onderzoek van het Centrum Psychodiagnostiek Altrecht ten aanzien van de vader. Namens de stichting is ter zitting overgelegd een doorlopende volmachtverlening van 9 juli 2013.

2.4

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een journaalbericht van mr. Erkens van 28 april 2014, ingekomen op diezelfde datum.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren:

-[Kind 1], verder te noemen [Kind 1], op [geboortedatum] 2002,

- [Kind 2], verder te noemen [Kind 2], op [geboortedatum] 2005,

- [Kind 3], verder te noemen [Kind 3], op [geboortedatum] 2008,

- [Kind 4], verder te noemen [Kind 4], op [geboortedatum] 2010, en

- [Kind 5], verder te noemen [Kind 5], op [geboortedatum] 2013.

[Kind 1], [Kind 2], [Kind 3] en [Kind 4] worden hierna gezamenlijk ook de kinderen genoemd.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

3.2

Bij beschikking van 27 augustus 2011 heeft de kinderrechter, op verzoek van de raad, de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van drie maanden tot 27 november 2011 en machtiging tot spoeduithuisplaatsing van de kinderen verleend voor de duur van vier weken tot 24 september 2011.

3.3

Bij beschikking van 6 september 2011 heeft de kinderrechter de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd met ingang van 24 september 2011 tot 27 november 2011.

3.4

Bij beschikking van 24 november 2011 heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van een jaar, tot 24 november 2012, van welke ondertoezichtstelling de termijn nadien steeds is verlengd, laatstelijk tot 24 november 2014.

3.5

Bij beschikking van 24 november 2011 heeft de kinderrechter machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [Kind 1] en [Kind 2] in een voorziening voor verblijf accommodatie

24-uurs zoals bedoeld in de indicatiebesluiten van 1 november 2011, tot 24 mei 2012, alsmede machtiging tot uithuisplaatsing van [Kind 3] en [Kind 4] in een voorziening voor verblijf pleeggezin 24-uurs zoals bedoeld in de indicatiebesluiten van 1 november 2011, tot 24 mei 2012 en het verzoek voor het overige aangehouden.

3.6

Bij beschikking van 23 mei 2012 heeft de kinderrechter de machtigingen tot uithuisplaatsing van [Kind 1] en [Kind 2] in een voorziening voor verblijf accommodatie

24-uurs zoals bedoeld in de indicatiebesluiten van 1 november 2011, verlengd tot 24 november 2012. In deze beschikking zijn ook de machtigingen tot uithuisplaatsing van [Kind 3] en [Kind 4] in een voorziening voor verblijf pleeggezin 24-uurs zoals bedoeld in de indicatiebesluiten van 1 november 2011, verlengd tot 24 november 2012. Op het hoger beroep van de ouders heeft dit hof die beschikking bekrachtigd bij beschikking van 22 november 2012.

3.7

Laatstelijk, op 21 oktober 2013, zijn ten aanzien van de kinderen wederom indicatiebesluiten genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen “WJZ”).

3.8

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 20 november 2013, zoals hersteld bij beschikking van 29 januari 2014, heeft de kinderrechter de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor verblijf pleegouder 24-uurs, zoals bedoeld in de indicatiebesluiten van 21 oktober 2013, verlengd met ingang van 24 november 2013 tot 24 november 2014.

3.9

[Kind 1] en [Kind 2] zijn samen op 29 augustus 2011 in een crisispleeggezin geplaatst en [Kind 3] en [Kind 4] zijn eveneens samen op 29 augustus 2011 in een crisispleeggezin geplaatst. [Kind 1] en [Kind 2] verblijven sinds 6 juli 2012 samen in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin. [Kind 3] en [Kind 4] verblijven sinds 10 april 2012 samen in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin. [Kind 5] is na een kort verblijf in het pleeggezin van [Kind 3] en [Kind 4] bij de ouders teruggeplaatst.

4 De omvang van het geschil

De ouders zijn met twee grieven in hoger beroep gekomen. De grieven richten zich tegen de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen. De ouders verzoeken het hof de bestreden beschikking geheel of gedeeltelijk te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot (naar het hof begrijpt: verlenging van de) machtigingen tot uithuisplaatsing (geheel of gedeeltelijk) af te wijzen dan wel de machtigingen voor een beperkte periode te verlengen zodat kan worden gewerkt aan de voorwaarden voor en eventuele hulpverlening bij thuisplaatsing. De stichting verzoekt het hof het verzoek van de ouders in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:261 lid 1 Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de kinderrechter de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:262 lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van de stichting of de raad de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.2

Een verzoek om (verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing is, indien de machtiging zorg betreft als bedoeld in artikel 5 lid 2 WJZ, gericht op effectuering van een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 6 lid 1 WJZ, waarbij de aanspraak ten behoeve van de minderjarige op de beoogde jeugdzorg wordt gevestigd. Het indicatiebesluit is de grondslag waarop de kinderrechter de beschikking neemt. Dit brengt mee dat bij het verzoek om (verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing een geldig en ter zake dienend indicatiebesluit moet worden overgelegd.

5.3

Grief 1 beperkt zich, zoals ter zitting door de advocaat van de ouders is toegelicht, tot de klacht dat de indicatiebesluiten van 21 oktober 2013 onbevoegd zijn genomen zodat niet is voldaan aan de eisen die de wet stelt aan een verzoek om (verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing. De ouders betogen dat de indicatiebesluiten zijn ondertekend door de gezinsvoogd terwijl onduidelijk is of de gezinsvoogd daartoe wel bevoegd was, nu geen mandaatbesluit is overgelegd. Daarop heeft de stichting ter zitting een stuk overgelegd, getiteld “Doorlopende volmachtverlening in het kader van de uitvoering van de maatregelen van jeugdbescherming en jeugdreclassering, van werkzaamheden verricht door afdelingen toegang geïndiceerde jeugdzorg [etc…]”. Het stuk vermeldt als ingangsdatum 9 juli 2013. Blijkens dit stuk zijn de bij de stichting werkzame gezinsvoogden bevoegd om namens de stichting indicatiebesluiten als bedoeld in artikel 6 WJZ te nemen. In hun latere schriftelijke reactie op dit stuk voeren de ouders aan dat dit overgelegde besluit naar eigen zeggen van de stichting niet is gepubliceerd. Omdat het een niet gepubliceerd mandaatbesluit betreft, is dit besluit niet in werking getreden, aldus de ouders. Zij verwijzen daarvoor naar artikel 3:40 jo artikel 3:42, tweede lid, jo artikel 10:1 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). Omdat het mandaatbesluit niet in werking is getreden, is volgens de ouders geen sprake van bevoegd genomen indicatiebesluiten.

5.4

Naar de ouders terecht aanvoeren, kan voormeld verweer met betrekking tot de bewuste indicatiebesluiten in een procedure als de onderhavige ter beoordeling aan de kinderrechter worden voorgelegd. Dit verweer baat hen echter niet. Blijkens het door de stichting ter zitting overgelegde stuk heeft de stichting aan de bij haar werkzame gezinsvoogden een doorlopende volmacht verleend tot het nemen van indicatiebesluiten en zijn de onderhavige indicatiebesluiten genomen na de ingangsdatum van die volmacht. Daarmee staat vast dat de gezinsvoogd feitelijk gemachtigd was de desbetreffende indicatiebesluiten te nemen. Voor zover de ouders zouden moeten worden gevolgd in hun betoog dat het bewuste stuk een besluit van een bestuursorgaan is dat volgens de voorschriften van artikel 3:42 Awb bekend moet worden gemaakt, geldt dat aannemelijk is dat de ouders door het uitblijven van die bekendmaking niet zijn benadeeld. In overeenstemming met artikel 6:22 Awb mag in dat geval worden aangenomen dat het bewuste gebrek er niet toe leidt dat de indicatiebesluiten rechtens geen gevolg hebben.

Grief 1 is derhalve tevergeefs voorgedragen.

5.5

Met grief 2 keren de ouders zich tegen de verlenging van de machtigingen met de periode van één jaar. Zij wensen een kortere verlengingsperiode, zodat er voor de stichting druk op de ketel blijft om de onderzoeken af te ronden en op basis daarvan met een nieuw plan van aanpak te komen en de mogelijkheden van thuisplaatsing met voortvarendheid te bezien. Zij stellen dat uit de ten aanzien van hen uitgevoerde onderzoeken niet blijkt dat zij ongeschikt zijn om de kinderen op te voeden. Volgens hen is in de onderzoeken onvoldoende rekening gehouden met de dyslexie van de vader, de buitenlandse afkomst van de moeder en de stressvolle situatie waarin zij verkeerde. In de onderzoeken wordt evenmin een relatie gelegd met hun opvoedingsvaardigheden en de kinderen. Zij zijn ook in staat de bij hen wonende [Kind 5] op te voeden. Er is geen sprake van kindeigen problematiek. Het feit dat hun woning en de financiën nog niet op orde zijn, mag aan het toewerken naar een thuisplaatsing van de kinderen niet in de weg staan. Een machtiging tot uithuisplaatsing moet, gelet op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, wettelijk periodiek worden getoetst, juist nadrukkelijk met het oog op het werken aan thuisplaatsing, aldus de ouders.

5.6

Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Volgens het raadsrapport van 14 november 2011 hebben de kinderen vanaf hun geboorte in een steeds wisselende, verwaarlozende en onvoorspelbare opvoedingssituatie verkeerd, waarin de woonomgeving voortdurend werd gewijzigd. Ten tijde van de uithuisplaatsing hadden zij allen een ontwikkelingsachterstand. Bij de komst in de pleeggezinnen lieten zij signalen zien van zowel pedagogische, affectieve als fysieke verwaarlozing. De kinderen zijn getuige geweest van de conflictueuze relatie tussen de ouders en geconfronteerd geweest met de conflictueuze houding van de vader jegens de buitenwereld, aldus het raadsrapport. Naar de stichting onbestreden heeft aangevoerd, zijn de ouders in december 2011 naar Marokko vertrokken en pas begin 2013 weer in Nederland komen wonen. In de periode dat de moeder in Marokko woonde, hebben de kinderen haar niet gezien. De vader is wel enkele keren naar Nederland gekomen voor een georganiseerd omgangsmoment met de kinderen. Nadat de kinderen uit huis zijn geplaatst, hebben de ouders hen verteld dat zij een zusje, genaamd [Kind 5], hadden gekregen. Zij hebben hen een foto van haar gestuurd en zij hebben tijdens de telefonische contacten en bezoeken steeds over deze [Kind 5] gesproken. Naderhand hebben zij de kinderen verteld dat [Kind 5] niet bestaat. De ouders hadden deze geboorte gefingeerd, omdat zij dachten dat de stichting dan sneller tot plaatsing van de kinderen bij hen in Marokko zou overgaan. Uiteindelijk is op

[geboortedatum] 2013 daadwerkelijk een dochter geboren, aan wie de ouders de naam [Kind 5] hebben gegeven. Dit handelen van de ouders getuigt van weinig inlevingsvermogen in de gevoelens van de kinderen.

5.7

Voorts komt uit de rapportage van Altrecht over het in juni en juli 2013 bij de vader uitgevoerd psychologisch onderzoek onder andere het volgende naar voren. Bij de vader is sprake van een zeer laag gemiddeld verstandelijk niveau, hij is extreem kwetsbaar, zijn sociale coping vertoont forse tekorten, hij is uitermate op zijn eigen behoeften en belangen gericht zonder oog te hebben voor de zorgen van anderen en zijn persoonlijkheid kenmerkt zich door een combinatie van cluster A en borderline persoonlijkheidstrekken met (meerdere) kenmerken uit alle cluster B persoonlijkheidsstoornissen; er zijn sterke aanwijzingen voor psychotische verschijnselen.

5.8

De moeder heeft een moeilijke jeugd gehad en is slachtoffer geweest van vrouwenhandel. De rapportage van Altrecht over het bij de moeder in september 2013 uitgevoerd psychologisch onderzoek vermeldt dat de moeder intellectueel op het leeftijdsniveau van een negenjarige functioneert, zij het dat het IQ wordt gedrukt door het toestandsbeeld, haar allochtone afkomst, haar beperkte scholing en levensloop. De moeder ervaart gevoelens van sociale en emotionele vervreemding die consequenties kunnen hebben voor haar maatschappelijk en relationeel functioneren. Er is sprake van een weinig uitgerijpt gevoelsleven en vermijdende hechting. Er lijken therapeutische mogelijkheden, maar het is zeer de vraag of de moeder het proces wil aangaan gezien de weerstand tot (zelf)confrontatie, aldus Altrecht.

5.9

Uit het door het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMC) in januari 2014 verrichte onderzoek ten aanzien van de kinderen komt het volgende naar voren. [Kind 1] heeft een algemene cognitieve ontwikkelingsachterstand (zij volgt speciaal onderwijs). Het UMC noemt de mogelijkheid van therapie gericht op onder meer het verwerken van haar voorgeschiedenis. Bij [Kind 2] heeft een eerdere meting een TIQ op zwakbegaafd moeilijk lerend niveau uitgewezen. Hij heeft een achterstand in taalontwikkeling. Bij [Kind 3] worden op dit moment geen aanwijzingen gevonden voor een grote cognitieve ontwikkelingsachterstand of een jeugdpsychiatrische stoornis. Bij [Kind 4] is sprake van een disharmonisch ontwikkelingsprofiel (met beneden gemiddelde performale vaardigheden) en een brede taalontwikkelingsachterstand. Hij krijgt logopedie.

5.10

Het hof is, gezien de hiervoor weergegeven rapportages/onderzoeken, van oordeel dat bij het uitblijven van de verzochte verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing, de continuïteit van en veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen niet zijn gewaarborgd. Ten tijde van de uithuisplaatsing was sprake van een problematische gezinssituatie, die naar het oordeel van het hof nog steeds bestaat. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de ouders inmiddels over voldoende opvoedingscapaciteiten beschikken en in staat zijn om de verzorging en opvoeding van de kinderen op verantwoorde wijze ter hand te nemen. Blijkens de psychologische rapportage uit 2013 kampt de vader met ernstige psychologische/psychiatrische problematiek en bestaan er ook met betrekking tot het functioneren van de moeder zorgen. Gelet daarop moet ernstig worden betwijfeld of de ouders de kinderen, mede gelet op de kwetsbaarheid van de kinderen, kunnen bieden wat zij voor een gezonde en veilige opvoeding nodig hebben. Voorts blijkt uit het faxbericht van de stichting van 17 april 2014 dat de vader zich recent nog zeer agressief jegens de gezinsvoogden heeft getoond en concrete (doods)bedreigingen aan hun adres heeft geuit. Ook dit gedrag geeft aanleiding tot zorgen over zijn opvoedingscapaciteiten. Daarnaast verlopen de begeleide bezoekmomenten niet goed. De stichting ziet vrijwel geen wederkerigheid in het contact tussen de ouders en de kinderen en met name de vader is in het contact erg passief. De vader belast de kinderen bovendien met volwassenenproblematiek. Zo klaagt hij in hun bijzijn over het hulpaanbod. Hij laat zich jegens de kinderen ook negatief uit over een van zijn dochters uit een eerder huwelijk terwijl die dochter een belangrijke hechtingsfiguur voor de kinderen is. Naar de stichting ter zitting heeft aangevoerd, laten de ouders zich in het bijzijn van de kinderen diskwalificerend uit over de pleeggezinnen. De stichting heeft haar stelling dat zij niet is kunnen toekomen aan het stellen van voorwaarden voor thuisplaatsing omdat de situatie van de ouders steeds te onrustig is geweest, voldoende aannemelijk gemaakt. De stichting wijst op de problemen omtrent de woonsituatie, de financiën en de gezondheid van de vader, het moeizame verloop van de omgang en het feit dat constructieve gesprekken hierover vrijwel niet te voeren zijn. Voorts is ten processe gebleken dat het nu goed gaat met de kinderen. Zij verblijven sinds ongeveer twee jaar in de huidige pleeggezinnen, zij hebben onderling veel contact, zij kunnen contact met hun oudere halfzus onderhouden en zij ervaren in de pleeggezinnen de stabiliteit die zij lange tijd hebben moeten missen. Tegen de achtergrond van al het voorgaande acht het hof het, met de rechtbank, noodzakelijk dat de machtigingen tot uithuisplaatsing van de vier kinderen voor de duur van één jaar worden verlengd. Ook grief 2 faalt derhalve.

5.11

Uit het voorgaande volgt dat het hof de beschikking van 20 november 2013, zoals hersteld bij beschikking van 29 januari 2014, dient te bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 november 2013, zoals hersteld bij beschikking van 29 januari 2014;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, R.A. Dozy en B.F. Keulen, bijgestaan door de griffier, en is op 5 juni 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.