Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4484

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
12-06-2014
Zaaknummer
200.133.602-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stelling man dat hij onvoldoende is voorgelicht door de echtscheidingsbemiddelaar onvoldoende onderbouwd. Hof neemt bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.133.602/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/07/204261/FZ RK 12-2211)

beschikking van de familiekamer van 27 mei 2014

inzake

[de vrouw],

wonende te [woonplaats 1],

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.H. Broeksema, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats 2],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Alta, kantoorhoudend te Hoogeveen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 2 juli 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 16 september 2013;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 4 november 2013;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 15 januari 2014;

- een journaalbericht van mr. Broeksema van 26 september 2013 met als bijlage het proces-verbaal d.d.18 april 2013, ingekomen op 30 september 2013.

2.2

De minderjarige [minderjarige 1] heeft bij brief van 16 februari 2014 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de zaak.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 10 maart 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

De pleitnotitie van mr. Alta is door het hof geweigerd, nu deze niet voldeed aan de vereisten zoals gesteld in het procesreglement.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, [minderjarige 1] (hierna te noemen [minderjarige 1]) op [geboortedatum 1] in de gemeente [woonplaats 1] en [minderjarige 2] (hierna te noemen [minderjarige 2]) op [geboortedatum 2] in de gemeente [woonplaats 1].

3.2

Op 7 februari 2011 hebben partijen een echtscheidingsconvenant en een ouderschapsplan ondertekend, waarin onder meer is opgenomen dat de man met ingang van 1 april 2011 en zolang de kinderen minderjarig zijn aan de vrouw een kinderalimentatie dient te voldoen van € 915,-- per maand, zijnde € 457,50 per kind per maand. Deze bijdrage is volgens het ouderschapsplan gebaseerd op een behoefte van de kinderen van € 915,-- per maand, welke behoefte is afgeleid van het netto gezinsinkomen ten tijde van de scheiding. Per 1 januari 2012 bedraagt deze bijdrage, als gevolg van wettelijke indexering, € 926,90 per maand en per 1 januari 2013 € 942,66 per maand.

Ter zake van partneralimentatie is in voornoemd convenant onder meer opgenomen dat partijen uitdrukkelijk afstand doen van elk recht om voor hun levensonderhoud nu of later van elkaar partneralimentatie te vorderen en dat dit 'nihilbeding' op het feit berust dat het inkomen van de man (van ongeveer € 52.436,00 bruto per jaar) en zijn vermogen onvoldoende draagkracht bieden voor voldoening van partneralimentatie naast kinderalimentatie, terwijl dit in de toekomst niet anders zal worden. Voorts is overeengekomen dat de partneralimentatie op verzoek van een partij opnieuw beoordeeld kan worden indien zich een, anders dan incidentele, substantiële wijziging voordoet met betrekking tot de maatstaven waarvan partijen voor de vaststelling van de partneralimentatie zijn uitgegaan.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 maart 2011 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De regeling zoals tussen partijen is overeengekomen in het ouderschapsplan en het convenant van 7 februari 2011 maakt deel uit van de beschikking van de rechtbank en is daartoe aan de beschikking gehecht.

3.4

Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van de rechtbank op 14 november 2012, heeft de man de rechtbank verzocht voornoemde beschikking van 9 maart 2011 te wijzigen en de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 1 oktober 2012 te stellen op € 521,-- per maand, zijnde € 260,50 per kind per maand.

De vrouw heeft zich tegen dit verzoek verweerd en heeft bij zelfstandig verzoek, ter griffie van de rechtbank binnengekomen op 21 januari 2013, de rechtbank verzocht -voor zover hier van belang- te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud dient te voldoen van € 1.750,-- bruto per maand. De man heeft zich bij verweerschrift tegen onder meer dit zelfstandig verzoek verweerd.

Bij brief van 8 april 2013 heeft de man zijn inleidende verzoek gewijzigd en de rechtbank verzocht de door hem te betalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] - uitgaande van de voor kinderalimentatie geldende richtlijnen - te stellen op € 432,-- per maand voor twee kinderen, zijnde op € 216,-- per kind per maand.

3.5

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, onder wijziging van het tussen partijen op 7 februari 2011 gesloten echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan, zoals opgenomen in de beschikking van 9 maart 2011 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 14 november 2012 vastgesteld op € 221,-- per kind per maand en het meer of anders verzochte afgewezen.

Het principaal hoger beroep van de vrouw en het incidenteel hoger beroep van de man richten zich tegen deze beschikking.

4 De omvang van het geschil

4.1

De vrouw is met zes grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 2 juli 2013. De grieven 1, 2, 3, 4 (twee keer) en 6 zien op de draagkracht van de man, in het bijzonder op de woonlasten van de man, de kosten van de omgang, de premie van de overlijdensrisico-verzekering, de werkelijke verwervingskosten en de onkostenvergoeding.

Grief 5 ziet op de behoefte van de kinderen.

4.2

De man is op zijn beurt met drie grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de ingangsdatum en de (nieuwe) wijziging van zijn draagkracht (deze betreft zijn woonlasten) per 3 april 2013 en de daarmee samenhangende te hanteren rekenmethode voor de berekening van de alimentatie.

4.3

De man heeft tevens zijn verzoek in hoger beroep vermeerderd en verzoekt het hof de vrouw te veroordelen om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad het bedrag dat de man sinds 14 november 2012 tot en met juli 2013 ter zake van de alimentatie teveel aan de vrouw heeft betaald, te weten een bedrag van € 4.020,40, binnen een week na betekening van de in deze procedure te wijzen beschikking aan de man terug te betalen.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5. De gronden waarop een overeengekomen bijdrage kan worden gewijzigd of ingetrokken

5.1

Een verzoek tot wijziging of intrekking van een overeenkomst betreffende levensonderhoud dient:

- ingevolge het bepaalde in artikel 1:401 lid 5 BW te worden gegrond op de stelling dat deze overeenkomst destijds is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven;

- ofwel ingevolge het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 BW te worden gegrond op de stelling dat deze overeenkomst nadien door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

5.2

De man heeft primair verzocht voormelde beschikking van 9 maart 2011 te wijzigen met ingang van 1 oktober 2012, dit mede omdat de overeenkomst betreffende kinderalimentatie is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, nu de behoefte van de kinderen niet in overeenstemming is met de destijds geldende richtlijnen.

De man betwist dat hij de behoefte van de kinderen met de vrouw is overeengekomen, althans dat hij bewust heeft willen afwijken van de Nibudnormen. De behoefte van de kinderen is volgens de man dan ook destijds niet goed vastgesteld in het ouderschapsplan.

Partijen hebben de echtscheiding laten regelen door een echtscheidingsbemiddelaar die, aldus de man, achteraf niet neutraal bleek te zijn. Hij stelt dat uitgaande van het gezinsinkomen van destijds, € 3.010,16 per maand, de behoefte van de kinderen geen

€ 915,-- maar € 655,-- per maand bedroeg.

Volgens de man levert dit voldoende grond op om af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt dat de alimentatie niet eerder wordt gewijzigd dan met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift. De door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient dan ook in eerste instantie te worden begrensd door de (lagere) behoefte van de kinderen en niet door zijn draagkracht.

5.3

De vrouw betwist de stellingen van de man. Volgens haar hebben zij en de man destijds de behoefte van de kinderen in onderling overleg bepaald op € 915,-- per maand en de kinderalimentatie hierop vastgesteld, rekening houdend met het feit dat de man geen partneralimentatie zou voldoen.

5.4

Van grove miskenning van de wettelijke maatstaven is sprake wanneer, uitgaande van dezelfde gegevens, er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter destijds zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het gaat dan om gevallen waarin partijen zich wel op de wettelijke maatstaven hebben willen richten, maar - als gevolg van een onjuist inzicht in de betekenis van die maatstaven of doordat zij daarbij zijn uitgegaan van onjuiste en/of onvolledige gegevens - tot een resultaat zijn gekomen dat evident in strijd is met de uitkomst waartoe toepassing van die maatstaven zou hebben geleid.

5.5

De wijze van de totstandkoming van de overeenkomst betreffende de kinderalimentatie is ter zitting van het hof met partijen uitvoerig besproken. Partijen hebben aangegeven dat er destijds aan de hand van de toen voor hen geldende financiële situatie een berekening is gemaakt van hetgeen aan de zijde van de man beschikbaar zou zijn voor een alimentatiebijdrage en dat voor hen daarbij uitgangspunt was dat hetgeen beschikbaar was naar de kinderen zou gaan.

5.6

Partijen hebben geen berekening overgelegd waaruit de draagkracht van de man ten tijde van het sluiten van de overeenkomst blijkt. Derhalve kan niet worden beoordeeld of er sprake is van een duidelijke wanverhouding tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter op dat moment zou hebben beslist en de tussen partijen overeengekomen onderhoudsbijdrage. Voor het hof staat echter vast dat de man en de vrouw, zoals zij ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard, met elkaar zijn overeengekomen dat al het beschikbare, ofwel € 915,-- per maand, ten behoeve van de kinderen zou worden besteed. Door aldus de behoefte van de kinderen gelijk te stellen aan de beschikbare ruimte zijn de man en de vrouw naar het oordeel van het hof bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven. Voor zover de man heeft bedoeld te stellen dat hij in dit verband onvoldoende, dan wel onjuist zou zijn voorgelicht door de echtscheidingsbemiddelaar, heeft hij deze stelling onvoldoende onderbouwd zodat het hof daaraan voorbij gaat. Gelet hierop en mede gelet op de omstandigheid dat er geen stukken zijn waaruit een andere draagkracht van de man en aldus een ander behoeftebedrag kan worden afgeleid, is er geen aanleiding om hetgeen partijen indertijd met betrekking tot de behoefte van de kinderen zijn overeengekomen aan een nader te onderzoek te onderwerpen. Het hof zal dan ook uitgaan van een behoefte van de kinderen gezamenlijk van (destijds) € 915,-- per maand.

5.7

Het hof zal dan ook bij het vaststellen van de eventueel te wijzigen bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgaan van de destijds overeengekomen behoefte van in totaal

€ 915,-- per maand. Per 1 januari 2012 bedraagt deze behoefte, als gevolg van de wettelijke indexering, € 926,90 per maand en per 1 januari 2013 € 942,66 per maand.

5.8

In de tweede plaats is aan de orde de vraag of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW. Het enkele beroep van de man en de vrouw op een zodanige wijziging van omstandigheden maakt dat zij in hun verzoeken - de man in zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie en de vrouw in haar verzoek tot wijziging/vaststelling van de partneralimentatie - kunnen worden ontvangen. Voorts dient te worden beoordeeld of er ook daadwerkelijk sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Indien wordt vastgesteld dat hier geen sprake van is, zullen de (inleidende) verzoeken moeten worden afgewezen.

5.9

Tussen partijen is niet in geschil dat zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan die een hernieuwde vaststelling van de door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen en de vrouw rechtvaardigt. Partijen verschillen echter van mening over de aard van de wijziging.

5.10

De man stelt - kort gezegd - dat er in verband met verlaging van zijn inkomen/ draagkracht door het vervallen van overuren sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden aan zijn zijde dat hij de overeengekomen bijdrage niet meer kan voldoen.

De vrouw is - kort gezegd - van mening dat een wijziging van de draagkracht van de man, met name ten aanzien van zijn woonlasten, met zich brengt dat de man thans, naast de overeengekomen bijdrage ten behoeve van de kinderen, in staat is een bijdrage te voldoen in de kosten van haar levensonderhoud.

5.11

Thans dient dan ook te worden beoordeeld of de (gestelde) wijziging in de draagkracht van de man als rechtens relevant moet leiden tot een verlaging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], of tot vaststelling van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw.

5.12

Ten aanzien van de ingangsdatum van de op het verzoek van de man te wijzigen

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen overweegt het hof als volgt.

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

Van de bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud over een periode in het verleden dient echter behoedzaam gebruik te worden gemaakt, nu in beginsel niet eerder dan vanaf de datum van indiening van een inleidend verzoekschrift daadwerkelijk rekening moet worden gehouden met de financiële gevolgen. Uitgangspunt met betrekking tot de ingangsdatum van een verzochte wijziging is derhalve de datum waarop het inleidend verzoek ter griffie van de rechtbank is ingediend. In de onderhavige zaak is dit op 14 november 2012 geschied.

5.13

Gelet op hetgeen over en weer is aangevoerd is er naar het oordeel van het hof geen aanleiding om van voornoemd uitgangspunt af te wijken. De omstandigheid dat de man niet met voortvarendheid is opgetreden om tot wijziging van zijn alimentatieverplichting te komen, ondanks dat er naar zijn inzicht sprake was van grove miskenning van de wettelijke maatstaven bij het aangaan van de overeenkomst betreffende kinderalimentatie dan wel van een relevante wijziging van omstandigheden, dient naar het oordeel van het hof voor rekening en risico van de man te komen. De vrouw heeft immers niet eerder dan vanaf 14 november 2012 daadwerkelijk rekening behoeven te houden met een mogelijke wijziging van de overeengekomen, door de man te betalen alimentatie.

5.14

In het licht van het vorenstaande zal het hof de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opnieuw beoordelen met ingang van 14 november 2012 en uitgaan van die datum als eerst mogelijke ingangsdatum van de wijziging van de destijds overeengekomen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Voor een eventuele op te leggen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, gaat het hof eveneens uit van de datum indiening van het verzoek, zijnde 21 januari 2013.

5.15

Met betrekking tot de door partijen in hoger beroep ter discussie gestelde draagkracht van de man overweegt het hof het volgende.

6 Het samenwonen van de man/de woonlasten van de man

6.1

Tussen partijen is thans niet meer in geschil dat de man samenwoont met zijn partner, mevrouw [X]. De man en mevrouw [X] zijn op [in 2013] in het huwelijk getreden. In geschil is het tijdstip waarop de man met mevrouw [X] is gaan samenwonen en de daaraan te koppelen, ter bepaling van zijn draagkracht te hanteren (per 1 april 2013 gewijzigde) rekenmethode.

6.2

De man heeft gesteld dat hij tot 3 april 2013 de voormalige echtelijke woning aan [adres 1] te [woonplaats 1] heeft bewoond. Zijn nieuwe woning aan [adres 2] te [woonplaats 2] is aan de man -zoals ook blijkt uit de door de man in het geding gebrachte akte van levering- geleverd op 3 april 2013. Naast de genoemde akte van levering heeft de man ook stukken betreffende zijn nieuwe hypotheeklasten in het geding gebracht en hij stelt dat deze wijziging van zijn woonlasten een relevante wijziging van omstandigheden betreft die aanleiding geeft tot een nieuwe berekening van zijn draagkracht vanaf 3 april 2013 en wel met toepassing van de per 1 april 2013 geldende nieuwe richtlijnen.

6.3

Dat hij reeds vóór 1 april 2013 zou hebben samengewoond wordt door de man uitdrukkelijk betwist. Hij stelt dat weliswaar zijn affectieve relatie de aanleiding is geweest voor zijn verhuizing naar [woonplaats 2], maar dat hij en mevrouw [X] pas daadwerkelijk op 2 juli 2013 zijn gaan samenwonen als waren zij gehuwd. Mevrouw [X] is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering en de man stelt dat hij en zijn partner eerst inlichtingen hebben ingewonnen over welke invloed de samenwoning zou hebben op de afdrachten die zijn partner diende te verrichten en de toestemming van de bewindvoerder hebben afgewacht. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft de man een vervolgverslag van de bewindvoerder van 23 juni 2013 overgelegd, waarin de bewindvoerder melding maakt van het feit dat mevrouw [X] per 2 juli 2013 gaat samenwonen met de man. Uit de stukken blijkt vervolgens dat de bewindvoerder in de door haar gemaakte Recofa berekening rekening houdt met een bedrag van € 200,-- per maand aan woonlasten, door mevrouw [X] aan de man te betalen als haar deel van de hypotheeklasten.

6.4

De vrouw stelt dat de man reeds vóór 1 april 2013 is gaan samenwonen (in zijn nieuwe woning te [woonplaats 2]) met zijn nieuwe partner. Zo blijkt volgens haar uit de door haar in het geding gebrachte Facebook-berichten onder meer dat de man en zijn partner de inboedel al hebben verhuisd op en of rond 4 januari 2013.

Zij stelt dan ook dat de rechtbank bij de vaststelling van de draagkracht van de man ten onrechte rekening heeft gehouden met de volledige woonlasten van de man. Nu het moment van samenwonen op een datum vóór 1 april 2013 valt, dienden volgens de vrouw de nieuwe woonlasten van de man conform de toen geldende richtlijnen door hem met zijn nieuwe partner bij helfte worden gedeeld.

6.5

De door de vrouw in dit kader in het geding gebrachte Facebook-berichten van mevrouw [X], en de door haar naar voren gebrachte omstandigheid dat de woning van mevrouw [X] reeds ten tijde van de zitting in eerste aanleg, te weten op 18 april 2013, te huur stond aangeboden (en dus reeds voor 2 juli 2013, de datum waarop de man volgens hem is gaan samenwonen), vormen voor het hof onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat er reeds vóór 1 april 2013 sprake was van samenwoning tussen de man en zijn partner.

6.6

Het hof zal dan ook voor de periode tot 3 april 2013, de datum waarop de woning in [woonplaats 2] daadwerkelijk aan de man is geleverd, net als de rechtbank uitgaan van de volledige, in die periode nog ongewijzigde woonlasten van de man, te weten de hypothecaire lasten van de woning te [woonplaats 1] van € 850,-- per maand.

6.1

Gelet op de nieuwe richtlijnen van de Werkgroep Alimentatienormen, gepubliceerd in februari 2013, overweegt het hof ten aanzien van de woonlasten van de man voor de periode vanaf 3 april 2013 als volgt.

Voor de toepasselijke normen beveelt de Werkgroep de volgende overgangsregeling aan. Als de ingangsdatum van de vaststelling of wijziging van de kinderalimentatie ligt in de periode vanaf 1 april 2013 dient de draagkracht te worden berekend volgens de nieuwe richtlijnen.

Het hof zal daarom - anders dan de vrouw wenst - voor de periode vanaf 3 april 2013 genoemde richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen volgen, en het bedrag aan draagkracht van de man met ingang van die datum vaststellen aan de hand van een draagkrachttabel, waarbij op forfaitaire wijze rekening is gehouden met de kosten van levensonderhoud van de onderhoudsplichtige, daaronder begrepen de woonlasten. De omstandigheid dat de man op enig moment in de onderhavige periode vanaf 3 april 2013 is gaan samenwonen met zijn nieuwe partner is dan ook niet meer relevant voor de vaststelling van zijn draagkracht, evenmin als de hoogte van haar (door de bewindvoerder vastgestelde) bijdrage in de woonlasten van de man.

Gelet op deze nieuwe, in deze zaak te hanteren richtlijn komt het hof niet toe aan inhoudelijke bespreking van de overige stellingen van de vrouw en de man ten aanzien van woonlasten de man.

7 De premie overlijdensrisicoverzekering

7.1

Nu ter zitting van het hof is komen vast te staan dat de door de man opgevoerde premie voor de bij [Y] verzekeringsgroep afgesloten overlijdensrisicoverzekering van

€ 24,37 per maand niet gekoppeld is aan de hypothecaire lening van de man, zal het hof - anders dan de rechtbank - deze premie niet meenemen in de berekening van de draagkracht van de man.

8 De kosten omgangsregeling/zorgkorting

8.1

Ook zal het hof - anders dan de rechtbank- geen rekening houden met de door de man opgevoerde omgangskosten van € 70,-- per maand respectievelijk enige op grond van de nieuwe richtlijn voor de man toepasselijke zorgkorting.

8.2

Gebleken is dat er geen contact is tussen de man en de kinderen. In verband hiermee is in eerste aanleg tegelijk met de alimentatie een zelfstandig verzoek van de vrouw tot opschorting van de omgangsregeling tussen de man en de kinderen behandeld. Gelet op hetgeen ter zake op de zitting in eerste aanleg van 18 april 2013 is besproken, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal, is duidelijk dat het toen aan de man was om stappen te zetten om de communicatie te herstellen. Hij heeft zich destijds ook bereid verklaard om daarvoor in gesprek te gaan met het maatschappelijk werk en hierop heeft de vrouw haar verzoek tot opschorting ingetrokken. Ter zitting van het hof heeft de man echter desgevraagd verklaard geen enkele actie te hebben ondernomen om het contact tussen hem en de kinderen te herstellen.

8.3

Het hof is dan ook van oordeel, gelet op de stukken uit de eerste aanleg, dat het mede aan de man te wijten is dat er tot nog toe geen goed contact tot stand komt tussen hem en de kinderen en acht het daarom op dit moment niet redelijk om rekening te houden met de door de man opgevoerde kosten voor een omgangsregeling, althans om een zorgkorting toe te passen op de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

9 Het inkomen/ de onkostenvergoeding

9.1

De rechtbank is bij het berekenen van de draagkracht van de man uitgegaan van drie salarisspecificaties 2013, zijnde salarisspecificaties over periode 31 december 2012 tot en met 24 februari 2013 en bij het berekenen van de draagkracht van de man uitgegaan van een belastbaar loon van € 41.318,-- per jaar.

9.2

Het hof zal bij de berekening van het inkomen van de man uitgaan van de meest recente beschikbare gegevens en zal naast voornoemde specificaties tot en met 24 februari 2013, tevens in zijn oordeel betrekken de door de man in hoger beroep overgelegde salarisspecificaties 2013 over de periodes 7, 8, 9, en 10.

9.3

Uit de specificaties blijkt dat de man een vierwekelijks salaris heeft en dat hij, zoals ook blijkt uit de cumulatieven, vermeld op de specificatie over periode 10, over de eerste 40 weken van 2013 een loon voor (de berekening van de) loonheffing heeft ontvangen van

€ 34.682,95, inclusief het in de maand mei dan wel in de maand juni uitgekeerde vakantiegeld. Wegens het ontbreken van verdere gegevens over het inkomen over 2013 zal dit bedrag worden vermeerderd met drie maal het gemiddelde vierwekelijks loon voor loonheffing, te weten drie keer € 3.234,29, of te wel € 9.702,88 als loon voor loonheffing over de resterende 12 weken in 2013.

Optelling van de genoemde bedragen (€ 34.682,95 plus € 9.702,88) resulteert in een belastbaar loon van afgerond € 44.386,--. Het hof stelt het inkomen van de man uit dienstbetrekking over 2013 dan ook op een bedrag van € 44.386,--.

9.4

Derhalve zal een bedrag van afgerond € 44.386,-- in de draagkrachtberekening worden opgenomen als belastbaar (jaar)loon.

9.5

Tussen partijen is vervolgens in geschil of naast voornoemd inkomen de door de man te ontvangen onkostenvergoeding/afwezigheidsvergoeding als inkomen dient te worden beschouwd.

9.6

Uit de salarisspecificaties blijkt dat de man in 2013 vierwekelijks nog steeds een aanzienlijke afwezigheidsvergoeding/onkostenvergoeding heeft ontvangen. Over periode 1 betrof dit in totaal een netto vergoeding van € 459,50, in periode 2 bedroeg deze vergoeding € 488,98, in periode 3 € 456,82, in periode 7 € 455,23, in periode 8 € 493,98, periode 9

€ 120,84 en in periode 10 € 608,86.

9.7

De vrouw heeft betwist dat de man daadwerkelijk de onkosten maakt waarop voormelde vergoeding betrekking heeft en wijst erop dat de man, anders dan op zijn weg had gelegen, dit ook niet heeft aangetoond.

9.8

Voor het hof is niet duidelijk hoeveel van de vergoeding door de man wordt besteed aan de onkosten waarvoor hij deze ontvangt, in het bijzonder nu de man ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij niet meer de hele week voor zijn werk in het buitenland verblijft. In redelijkheid zal het hof daarom, gelet op de gemiddelde hoogte van de vergoeding, een bedrag van € 250,-- per maand als netto inkomen bijtellen bij het inkomen van de man.

10 De werkelijke verwervingskosten

10.1

De vrouw betwist dat de man een bedrag van € 360,-- per maand aan verwervingskosten besteedt, zoals door de rechtbank bij beschikking waarvan beroep vastgesteld. Zij wijst er op dat de vrachtauto waarmee de man reed vroeger altijd bij het huis stond. Zij acht de kosten van de man onvoldoende onderbouwd en ook niet passend, nu de man de eventuele kosten met een collega kan delen.

10.2

De man erkent dat hij de vrachtauto vroeger aan huis heeft gehad, maar stelt dat hij thans met drie chauffeurs op één vrachtauto is ingedeeld, naar aanleiding van een eind 2011 door zijn werkgever gepleegd onderzoek naar middelen om het rendement van de voertuigen te verhogen. De man stelt dat hij geen reiskostenvergoeding krijgt voor de door hem te maken kosten en heeft in zijn verweerschrift het volgende overzicht weergegeven:

- vanaf januari 2012 tot oktober 2012 heeft de man de vrachtauto in [plaats 1] geparkeerd, zodat hij twee keer per week voor zijn woon-werkverkeer van [woonplaats 1] naar [plaats 1] (170 km) moest rijden;

- vanaf 14 november 2012 tot 3 april 2013 reed de man dagelijks van [woonplaats 1] naar [plaats 2] (35 km enkel reis) om de vrachtauto op te halen, hetgeen leidde tot 700 km woon-werkverkeer per maand;

- vanaf 3 april 2013 tot en met 14 juni 2013 reed hij dagelijks van [woonplaats 2] naar [plaats 2] (75 km enkel reis), hetgeen leidde tot 3.200 km woon-werkverkeer per maand;

- vanaf 14 juni 2013 rijdt hij dagelijks van [woonplaats 2] naar [plaats 3] (13 km enkel reis), dus 200 km woon-werkverkeer per maand.

10.3

Het hof acht het door de man opgestelde overzicht onduidelijk en onvoldoende ter onderbouwing van de door hem opgevoerde verwervingskosten van € 360,-- per maand.

Niettemin acht het hof aannemelijk dat de man als vrachtwagenchauffeur enige verwervingskosten heeft en het hof stelt deze in redelijkheid op € 50,-- per maand.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de man ter ondersteuning van zijn verhaal op dit punt een schriftelijk stuk van zijn werkgever in het geding heeft gebracht omtrent het nieuw in te voeren systeem binnen het bedrijf en dat uit zijn salarisspecificaties blijkt dat hij geen reiskostenvergoeding ontvangt.

11 De draagkrachtberekening

* De periode van 14 november 2012 tot en met 2 april 2013

11.1

Rekening houdend met bovenstaande gegevens en voorts uitgaande van de overige niet betwiste gegevens komt het hof tot de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening, waaruit blijkt dat de man (naar de tarieven van januari 2013) in de periode van 14 november 2012 tot en met 2 april 2013 een draagkrachtruimte van € 1.257,-- per maand heeft. Van deze draagkrachtruimte is 70%, derhalve afgerond € 880,-- per maand beschikbaar voor kinderalimentatie.

11.2

Gelet op deze draagkrachtruimte van de man is er in de onderhavige periode geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW, aangezien moet worden vastgesteld dat de man vanwege zijn draagkracht in deze periode nog steeds in staat is te voldoen aan de bij convenant gemaakte afspraken betreffende de door hem te betalen alimentatiebijdrage. Rekening houdend met het fiscaal voordeel dat de man had kunnen/heeft ontvangen over de bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], van € 116,-- per maand, bedraagt de in deze periode voor kinderalimentatie beschikbare ruimte immers

€ 996,-- per maand, terwijl de man op grond van het convenant is gehouden een bijdrage van € 926,90 (tot 1 januari 2013) respectievelijk € 942,66 (vanaf 1 januari 2013) per maand te voldoen.

11.3

Zijn inleidend verzoek tot wijzing van de bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over de periode van 14 november 2012 tot en met 2 april 2013 zal dan ook alsnog worden afgewezen, evenals zijn verzoek tot terugvordering van de door hem (beweerdelijk) te veel betaalde bijdrage.

* De periode vanaf 3 april 2013

11.4

Het hof zal - anders dan de vrouw wenst - voor de onderhavige periode de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen volgen zoals deze vanaf 1 april 2013 luidt, en het bedrag aan draagkracht van de man met ingang van 3 april 2013 vaststellen aan de hand van een draagkrachttabel, waarbij op forfaitaire wijze rekening is gehouden met de kosten van levensonderhoud van de onderhoudsplichtige.

11.5

Het bedrag aan draagkracht voor inkomens vanaf een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 1.500,-- wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 850,--)]. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd.

11.6

Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning.

11.7

Op grond van het vorenstaande stelt het hof het NBI van de man op een bedrag van

€ 33.284,-- per jaar, zijnde afgerond 2.774,-- per maand. Het bedrag van € 850,- per maand zal worden verhoogd met € 50,- per maand aan verwervingskosten, nu deze last hiervoor onder 10.3 is komen vast te staan.

11.8

De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule (70% x (€ 2.744,-- - (0,3 x

€ 2.774,-- + € 850,-- + € 50,-- )) afgerond € 715,-- per maand, nog te verhogen met het fiscaal voordeel ad € 116,-- per maand, derhalve in totaal € 831,-- per maand.

11.9

Vast staat dat de man geen uitdrukkelijk beroep heeft gedaan op de aanvaardbaarheidstoets. Er is dan ook geen aanleiding tot een overige correctie van de hiervoor berekende draagkracht.

11.10

Nu uit de behandeling ter zitting is gebleken dat er structureel geen zorgregeling tussen de man en de kinderen is, en de man - zoals reeds overwogen in r.o. 8.3 naar het oordeel van het hof tekortschiet of is tekortgeschoten op dat gebied, zal het hof geen rekening houden met een eventuele zorgkorting.

11.11

De man is dan ook in staat om met ingang van 3 april 2013 een kinderalimentatie van € 831,-- per maand, zijnde € 415,50 per kind per maand te voldoen aan de vrouw.

11.12

Het voorgaande brengt mee dat het tussen partijen op 7 februari 2011 gesloten echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan, zoals opgenomen in de beschikking van 9 maart 2011 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, dient te worden gewijzigd. Het hof zal de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] conform zijn draagkracht met ingang van 3 april 2013 bepalen op € 415,50 per kind per maand, inclusief fiscaal voordeel van in totaal € 116,-- per maand voor twee kinderen.

12 De partneralimentatie

12.1

De man heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende structurele draagkracht om naast de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een bijdrage ten behoeve van de vrouw te voldoen. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partneralimentatie zal dan ook worden afgewezen.

13 Slotsom

13.1

Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

14 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 2 juli 2013;

en opnieuw beslissende:

wijzigt het tussen partijen op 7 februari 2011 gesloten echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan, zoals opgenomen in de beschikking van 9 maart 2011 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, en bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] in de gemeente [woonplaats 1] en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] in de gemeente [woonplaats 1], met ingang van 3 april 2013 op € 415,50 per kind per maand, inclusief fiscaal voordeel van € 116,-- per maand voor twee kinderen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. Feunekes, voorzitter, mr. A.H. Garos en mr. S. Rezel, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 27 mei 2014 in bijzijn van de griffier.