Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4470

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-06-2014
Datum publicatie
23-06-2014
Zaaknummer
200.140.222-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.140.222/01

(zaaknummer rechtbank C/18/142022/FA RK 13-1514)

beschikking van de familiekamer van 5 juni 2014

inzake

1 [moeder],

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de moeder,

2. [grootvader],

wonende te [woonplaats 1],

verder te noemen: de grootvader,

tezamen: appellanten,

verzoekers in hoger beroep,

advocaat: mr. E.T. van Dalen, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming regio Noord Nederland, locatie Groningen,

kantoorhoudende te Groningen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 familie [pleegouders],

wonende te [woonplaats 2],

hierna te noemen: de pleegouders,

advocaat: mr. P.A.K. van Eck, kantoorhoudende te Groningen,

2. Stichting William Schrikker Stichting,

kantoorhoudend te Amsterdam,

hierna te noemen: de stichting.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 8 oktober 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 januari 2014, zijn appellanten in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Appellanten verzoeken het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad af te wijzen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 maart 2014, heeft de raad het verzoek in hoger beroep van appellanten bestreden.

2.3

Bij verweerschrift, ingekomen op de griffie van het hof op 11 maart 2014, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van appellanten bestreden.

2.4

Bij verweerschrift, ingekomen op de griffie van het hof op 11 maart 2014, hebben de pleegouders het verzoek in hoger beroep van appellanten bestreden.

2.5

Ter griffie van het hof is binnengekomen op 12 maart 2014 een brief van 11 mart 2014 Van Dalen met bijlagen.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op dinsdag 13 mei 2014 plaatsgevonden. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de raad is de heer [X] verschenen. De pleegouders zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaat.

Namens de stichting is verschenen mevrouw [Y], gezinsvoogd.

3 De vaststaande feiten

3.1

De moeder heeft drie kinderen van twee vaders. [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats], is de oudste zoon van de moeder. Het is het hof niet bekend wie zijn vader is. De grootvader is de vader van de moeder. Het gezag over [minderjarige 1] berust bij de moeder en de grootvader gezamenlijk. [minderjarige 1] staat onder toezicht sinds 15 juni 2010. Op 12 januari 2011 is [minderjarige 1] middels een spoedmachtiging uit huis geplaatst en woont sindsdien bij de pleegouders, steeds op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing. Ook haar andere twee kinderen staan onder toezicht en zijn uit huis geplaatst.

3.2

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Noord-Nederland op 8 juli 2013, heeft de raad verzocht appellanten te ontheffen van het gezag over [minderjarige 1]. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank hen ontheven van het gezag over [minderjarige 1].

4 De motivering van de beslissing

4.1

Aan de orde in deze procedure is de vraag of appellanten ontheven dienen te worden van hun gezag over [minderjarige 1]. Partijen verschillen daarover van mening. Appellanten bepleiten dat het verzoek van de raad tot ontheffing afgewezen dient te worden omdat zij van mening zijn dat [minderjarige 1] (op termijn) naar de moeder dient terug te keren. De raad, de stichting en de pleegouders achten de ontheffing echter aangewezen.

4.2

Op grond van artikel 1:266 BW kan de rechter, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

4.3

Ingevolge artikel 1:268 lid 1 BW kan ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet, zoals appellanten dat doen. Deze regel lijdt ingevolge artikel 1:268 lid 2 onder a BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of -zoals hier aan de orde is- na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel -door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen- onvoldoende is om de dreiging dat de minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, af te wenden.

4.4

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting verenigt het hof zich met de beoordeling van de rechtbank zoals weergegeven op blad 5 en 6 van de beschikking van de rechtbank. Na eigen onderzoek neemt het hof deze overwegingen over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt daar het volgende aan toe.

4.5

Het hof is er van overtuigd geraakt dat appellanten onmachtig zijn om hun plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te vervullen. Een door appellanten gewenste thuisplaatsing bij de moeder behoort om die reden niet tot de reële mogelijkheden.

4.6

De moeder kampt reeds jarenlang met verslavingsproblematiek. Uit gedane drugtesten is gebleken dat de moeder meerdere malen cocaïne heeft gebruikt tijdens haar zwangerschap van [minderjarige 1]. Na diverse voorvallen heeft de stichting [minderjarige 1] in januari 2011 met spoed uit huis geplaatst. Uit informatie van de politie bleek dat de moeder en haar vriend in een pand verbleven dat bekend staat als drugspand en waar een steekpartij had plaatsgevonden. De vriend en de moeder hebben de neergestoken bewoner in aanwezigheid van [minderjarige 1] naar het ziekenhuis gebracht.

Ook tijdens haar zwangerschap van [minderjarige 2], geboren in augustus 2012 uit haar relatie met de heer [Z], heeft de moeder harddrugs gebruikt. [minderjarige 2] is daarom verslaafd ter wereld gekomen en direct na zijn geboorte uit huis geplaatst. Pas nadat uit tests van [minderjarige 2] bleek dat hij sporen van harddrugs in zijn urine had, heeft de moeder erkend dat zij tijdens de zwangerschap drugs heeft gebruikt. Tijdens deze zwangerschap hebben de moeder en ook de grootvader overigens desgevraagd steeds ontkend dat de moeder weer zwanger was.

Op [geboortedatum 2] is uit de relatie met de heer [Z] dochter [minderjarige 3] geboren. Ook zij is verslaafd ter wereld gekomen.

Tot op heden heeft de moeder geen behandeling afgerond.

4.7

Naast verslavingsproblematiek is sprake van persoonlijke problematiek bij de moeder. De moeder heeft een verstandelijke beperking, waardoor zij snel overvraagd wordt, ook bij intensieve hulpverlening. Voor de moeder en haar huidige partner is al jarenlang hulpverlening op diverse gebieden ingezet. Recentelijk - in november 2013 - zijn zij met [minderjarige 3] opgenomen in een gezinskliniek van Verslavingszorg Noord-Nederland om te onderzoeken in hoeverre zij in staat zouden zijn om de verzorging en opvoeding van hun dochter op zich te nemen. Inmiddels is gebleken dat deze behandeling voortijdig is beëindigd, omdat de veiligheid van [minderjarige 3] onvoldoende kon worden gegarandeerd. Als gevolg daarvan is ook [minderjarige 3] met ingang van 8 januari 2014 uit huis geplaatst. Deze uithuisplaatsing leidde ertoe dat de moeder en haar partner de gezinskliniek hebben moeten verlaten. Het betoog van de moeder dat zij tijdens de opname in de kliniek voldoende heeft aangetoond dat zij in staat is om te veranderen, is dan ook niet aannemelijk. Het hof is er dan ook niet van overtuigd geraakt dat de moeder in staat is om [minderjarige 1] een veilige opvoedsituatie te bieden, nu recent gebleken is dat zij ook met inzet van intensieve hulpverlening in een gezinskliniek haar jongste kind geen veilige opvoedingsomgeving heeft kunnen bieden.

4.8

Ook grootvader is niet in staat geweest verantwoord invulling te geven aan zijn gezag over [minderjarige 1]. Zo is hij afspraken niet consequent na gekomen en is ook hij onvoldoende open geweest over de persoonlijke omstandigheden van de moeder die van belang zijn voor de opvoeding en de veiligheid van [minderjarige 1]. Hij heeft onvoldoende inzicht getoond in de (verslavings)problematiek van de moeder en is een bepaalde periode, zelfs nog recentelijk, zonder bericht van verhindering aan de stichting weggebleven bij de bezoeken aan [minderjarige 1]. Ook thans toont de grootvader onvoldoende inzicht in de problematiek zoals bij de moeder aanwezig. Een plaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder zoals hij voorstaat, behoort, gelet op het vooroverwogene en meer specifiek de afloop van de opname van moeder met [minderjarige 3] in een gezinskliniek, niet tot de mogelijkheden.

4.9

Appellanten hebben nog aangevoerd dat [minderjarige 1] geen hinder of last ondervindt van de procedures over de verlenging van de maatregelen.

[minderjarige 1] heeft evenwel recht op duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief en op een ongestoorde hechting in het pleeggezin. Niet bestreden is dat het goed gaat met [minderjarige 1] in het pleeggezin. Hij heeft recht op zekerheid, continuïteit en stabiliteit. [minderjarige 1] is gebaat bij de rust, structuur en duidelijkheid die hem geboden worden en gebaat bij behoud van de veilige opvoedsituatie die hij nu geniet.

Aan de(ze) belangen van het kind moet gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, zwaarwegende betekenis worden gehecht. Als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden en niet langer het doel is van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, zoals hier het geval is, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen de discussie en onzekerheid over de verblijfplaats van [minderjarige 1] voortduren en dat is niet in het belang van [minderjarige 1], ongeacht of hij - zo jong als hij is - er nu al daadwerkelijk last of hinder van ondervindt. Het is in het belang van [minderjarige 1], dat voor hem en alle betrokkenen, waaronder de pleegouders, duidelijk is dat hij opgevoed en verzorgd blijft worden door zijn pleegouders en dat er duidelijkheid is over de rol op afstand die zijn moeder en grootvader in zijn leven kunnen innemen.

4.10

Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het hof in het belang van [minderjarige 1] de stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie te waarborgen met een gedwongen ontheffing van het gezag. Nu de gegronde vrees bestaat dat de maatregel van uithuisplaatsing door de onmacht van appellanten om hun plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te vervullen, onvoldoende is om de ontwikkelingsdreiging voor hem af te wenden, is het hof van oordeel dat appellanten, conform de beschikking van de rechtbank, ontheven moeten worden van het gezag over [minderjarige 1].

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient het hof de bestreden beschikking voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 8 oktober 2013 voor zover aan zijn oordeel onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, voorzitter, mr. G. Jonkman en mr. H.J. de Ruijter, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 5 juni 2014.