Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4445

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-06-2014
Datum publicatie
06-06-2014
Zaaknummer
21-009328-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2979, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In een door de Hoge Raad terugverwezen zaak aangaande betrokkenheid bij het om het leven brengen van een man tijdens een drugsdeal, veroordeelt het gerechtshof verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van in totaal 11 jaren vanwege het (medeplegen van) doodslag; voor de overige tenlastegelegde feiten heeft het hof een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-009328-13

Uitspraak d.d.: 6 juni 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 28 april 2010 met parketnummer 16-710369-08 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in [P.I. verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is -na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad- gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 mei 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr C.M.P. Jongsma, naar voren is gebracht. Tevens heeft het hof kennis genomen van hetgeen namens de benadeelde partij [benadeelde], door mr J.M. Walther naar voren is gebracht.

Procesgang

De rechtbank Utrecht heeft verdachte bij vonnis van 28 april 2010:

1.

ter zake het onder 1 primair en 5 ten laste gelegde vrijgesproken en

2.

ter zake het onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 primair en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstaf van 16 jaren met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen dat vonnis heeft verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 31 mei 2012 :

1.

verdachte niet ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat beroep is gericht tegen de gegeven vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde;

2.

het vonnis, waarvan beroep, vernietigd voor zover dit vonnis aan het oordeel van het hof is onderworpen en heeft in zoverre opnieuw recht gedaan;

3.

bewezenverklaard dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 primair en 6 ten laste gelegde heeft begaan;

4.

verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van de tijd door verdachte doorgebracht in voorarrest.

Tegen dat arrest heeft verdachte beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 10 december 2013:

1.

de bestreden uitspraak van het hof vernietigd maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 ten laste gelegde en de strafoplegging;

2.

de zaak verwezen naar het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, om de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen, met verwerping van het ingestelde beroep voor het overige.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, na aanpassing van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog van belang, tenlastegelegd dat:

1

primair:
hij op of omstreeks 13 januari 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op/door het (boven-)lichaam van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

1

subsidiair:
hij op of omstreeks 13 januari 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op/door het (boven-)lichaam van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening wegnemen van een hoeveelheid (van een materiaal bevattende, althans gelijkende op) cocaïne, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

1

meer subsidiair:
hij op of omstreeks 13 januari 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op/door het (boven-)lichaam van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De beoordeling van het bewijs

TWIST

Feit 1, de dood van [slachtoffer]

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 primair tenlastegelegde, te weten medeplegen van moord.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van dit feit. Met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde heeft de verdediging betoogd dat niet bewezen kan worden dat medeverdachte [medeverdachte] heeft gehandeld met voorbedachte rade, dat (voorwaardelijk) opzet op het overlijden van [slachtoffer] ontbreekt en dat niet van medeplegen kan worden gesproken. Volgens de verdediging zou sprake zijn geweest van een drugs gerelateerde vechtpartij waarbij per ongeluk een wapen is afgegaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [slachtoffer] als eerste een vuurwapen trok, waarna een worsteling in de auto ontstond tussen hem en [slachtoffer]. Medeverdachte [medeverdachte] zou tijdens die worsteling het vuurwapen van [slachtoffer] hebben bemachtigd. Vervolgens pakte [slachtoffer] de autosleutels af, in reactie waarop buiten de auto opnieuw een schermutseling ontstond tussen [slachtoffer], medeverdachte [medeverdachte] en verdachte. Het wapen van [slachtoffer] is tijdens die schermutseling per ongeluk afgegaan toen medeverdachte [medeverdachte] het vasthield. Eén en ander zou zich in een zeer kort tijdsbestek hebben afgespeeld.

De verdediging heeft verder als bewijsverweer aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen van de plaats delict niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat zij – volgens de verdediging – onderling op cruciale punten verschillen en bovendien in strijd zijn met bevindingen van het NFI.

Het oordeel van het hof

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde acht het hof met name de voorbedachte raad niet bewezen. Voor het aannemen van voorbedachte raad moet naar vaste jurisprudentie vast komen te staan dat de dader de tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat – objectief gezien – gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis en gevolgen van de voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Daarvan is in casu niet gebleken. In tegendeel, naar het oordeel van het hof zijn er contra indicaties die duiden op een handelen zonder voorbedachte raad, te weten:

  • -

    niet is gebleken dat er een vooropgezet plan was om [slachtoffer] van het leven te beroven;

  • -

    niet is gebleken dat er direct voorafgaande aan het afvuren van de schoten op [slachtoffer] bij [medeverdachte] sprake is geweest van een moment van kalm beraad of rustig overleg;

  • -

    een pistool van het merk Crvena Zastava, model 70, is een semi automatisch vuurwapen waarmee - anders dan door de advocaat-generaal betoogd - meerdere schoten achter elkaar afgevuurd kunnen worden zonder dat het wapen behoeft te worden doorgeladen;

  • -

    het eerste en tweede schot zijn relatief kort na elkaar afgevuurd.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde is het hof van oordeel dat op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de doodslag van [slachtoffer] werd voorafgegaan van het door verdachte en zijn mededader met het oogmerk van wederechtelijke toe-eigening wegnemen van een hoeveelheid cocaïne.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 meer subsidiair ten laste legde, gelet op de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen.1 Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid daarvan te twijfelen.

Bewijsoverzicht

Op 13 januari 2008, omstreeks 20.00 uur, kreeg de politie een melding van een vechtpartij op de [adres] te Utrecht. Ter plaatse trof de politie op de hoek van de [adres] met de [adres] een gewonde man aan, liggend op de grond. Het slachtoffer werd met een ambulance naar het Universitair Medisch Centrum te Utrecht gebracht, waar hij later die avond overleed. Het slachtoffer is nadien geïdentificeerd als [slachtoffer].2

Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna telkens: NFI) is een pathologisch onderzoek uitgevoerd naar de doodsoorzaak van [slachtoffer]. Bij sectie op het lichaam is gebleken van een doorschot door de borstkas met een inschot links op de rug, doorschot door de onderkwab van de long links, door de wervelkolom en door de onderkwab van de long rechts, en met een uitschot rechts zijwaarts onder de oksel. De dood is ingetreden ten gevolge van verbloeding en daardoor opgetreden weefselschade, ontstaan door de genoemde schotverwonding.3 Het NFI heeft vastgesteld dat sprake is geweest van twee opgezette schoten (schootsafstand van 0 centimeter): één ter hoogte van de buik, door welk schot het slachtoffer mogelijk niet is geraakt, en één ter hoogte van het linker schouderblad.4 Bij de sectie zijn verder op het hoofd verscheidene oppervlakkige huidverscheuringen met omgevende, kleine bloeduitstortingen geconstateerd.5

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 13 januari 2008, omstreeks 19.00 uur, in Utrecht bij “[naam]” aan de [adres] samen met [slachtoffer] in een auto is gestapt waar twee mannen in zaten. [slachtoffer] stapte in achter de bestuurder en de getuige stapte in achter de bijrijder. De auto reed naar de woning van [slachtoffer]. [slachtoffer] stapte uit, verdween in een portiek, en bleef even weg. [slachtoffer] kwam na enige tijd terug en stapte weer achterin. [slachtoffer] ging achter de bijrijder zitten en de getuige achter de bestuurder. De auto reed vervolgens een stukje, ging de bocht om en werd geparkeerd ter hoogte van de [adres]. [slachtoffer] liet toen een handvol wit spul in een zakje zien. De bestuurder pakte het spul aan en zei: “Laat dit hier en ga de andere halen, dan betaal ik jou alles.” [slachtoffer] wilde dat niet. Hij wilde eerst geld zien. De bestuurder deed moeilijk en gaf het zakje weer terug aan [slachtoffer]. De getuige zag aan het gezicht van de bestuurder dat hij boos was en hoorde dat de bestuurder tegen [slachtoffer] zei: “Ik neem het. Ik heb geld genoeg.” Toen de bestuurder dat had gezegd, maakte hij zijn gordel los en boog voorover. De bestuurder pakte iets van onder zijn stoel vandaan. [getuige 1] zag dat het een vuurwapen was. [getuige 1] is vervolgens de auto uitgestapt en weggerend.6

Medeverdachte [medeverdachte] heeft (als getuige gehoord in de zaak van verdachte) bij de rechter-commissaris verklaard dat hij met verdachte is meegereden naar Utrecht. Verdachte en [slachtoffer] zouden elkaar treffen in coffeeshop [naam] en [medeverdachte] is meegegaan. Verdachte zat op de bestuurdersstoel en [medeverdachte] op de bijrijdersstoel. [slachtoffer] ging achter verdachte zitten en [getuige 1] achter [medeverdachte]. Ze zijn vervolgens naar het huis van [slachtoffer] gereden. Verdachte reed. Toen ze bij het huis van [slachtoffer] aankwamen, is [slachtoffer] uitgestapt. Hij ging een portiek in en bleef een tijdje weg. Daarna is [slachtoffer] weer ingestapt. Toen zat [slachtoffer] achter [medeverdachte] en [getuige 1] achter verdachte. Ze zijn een stukje doorgereden en vervolgens de bocht omgegaan. Daarna zijn ze gestopt langs de kant van de weg. [slachtoffer] is een gesprek gestart met verdachte over het spul. Hij haalde een zakje te voorschijn en gaf dat aan verdachte. Verdachte rook eraan en zei dat het geen goed spul was en dat hij het niet wilde hebben. Er ontstond wrijving. [getuige 1] is uit de auto gestapt en weggerend. Op een gegeven moment hoorde [medeverdachte] verdachte zeggen dat [slachtoffer] de autosleutel had. Op enig moment zijn verdachte, [medeverdachte] en [slachtoffer] uit de auto gestapt. [medeverdachte] had toen een vuurwapen vast. Verdachte liep naar [slachtoffer] toe voor de autosleutel. Er ontstond een vechtpartij met slaan en schoppen. Ze zijn met zijn drieën op de hoek van de straat beland. Het vuurwapen dat [medeverdachte] vasthield, is afgegaan. Verdachte had op enig moment ook een vuurwapen. Uiteindelijk heeft verdachte de sleutel te pakken gekregen. [medeverdachte] en verdachte zijn in de auto gestapt en weggereden.7

Verdachte heeft (als getuige gehoord in de zaak tegen [medeverdachte]) bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 13 januari 2008 in Utrecht een afspraak had met [slachtoffer]. De afspraak ging over cocaïne. Verdachte is samen met [medeverdachte] naar Utrecht gereden. Verdachte en [slachtoffer] hebben elkaar bij theehuis [naam] getroffen. [slachtoffer] had iemand bij zich. [slachtoffer] ging achter verdachte in de auto zitten. De andere persoon ging achter [medeverdachte] zitten. [slachtoffer] zei waar verdachte heen moest rijden. Ze stopten ergens. [slachtoffer] zei dat verdachte even moest wachten en hij stapte uit. Het duurde een tijd. Daarna stapte [slachtoffer] weer in de auto, maar nu ging hij achter de bijrijder zitten en zat [getuige 1] achter verdachte. [slachtoffer] vroeg verdachte weg te rijden en rechtsaf te slaan. Verdachte parkeerde de auto vervolgens op een parkeerplaats. [slachtoffer] haalde het zakje coke te voorschijn en gaf het aan verdachte. Verdachte keek ernaar en hij rook eraan. Verdachte zei tegen [slachtoffer] dat het geen goede coke was. Ze kregen een discussie. [slachtoffer] zei dat het wel goed spul was en hij vroeg verdachte of hij geld bij zich had. In de auto werd het rumoerig en ontstond chaos. [getuige 1] rende weg. Verdachte is als tweede uit de auto gestapt. Van onder de stoel pakte verdachte zijn eigen vuurwapen. [slachtoffer] pakte de autosleutels uit het contact van de auto. Op een gegeven moment stond [slachtoffer] buiten de auto op de stoep. Verdachte is op hem gesprongen, omdat hij de sleutels terug wilde hebben en [slachtoffer] die niet terug wilde geven. Verdachte heeft [slachtoffer] op zijn hoofd geslagen met de kolf van het wapen. Verdachte hoorde een schot. Ze waren met zijn drieën bezig: [medeverdachte], verdachte en [slachtoffer]. Op een gegeven moment, toen verdachte het schot hoorde, lag [slachtoffer] op de grond. Verdachte heeft de autosleutels gepakt toen [slachtoffer] op de grond lag. [medeverdachte] en verdachte zijn vervolgens weggegaan. Ze zijn naar de getuige [getuige 2] gegaan. Daar heeft verdachte gecontroleerd hoeveel kogels er in zijn wapen zaten.8 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte deze verklaring in essentie bevestigd. Het proces-verbaal van de als getuige bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring is aan het procesdossier van verdachte toegevoegd.

De politie heeft een gesprek opgenomen tussen verdachte en zijn vriendin [naam], afgeluisterd op 10 juni 2008. Verdachte zegt hierin, voor zover van belang, het volgende:

“Serieus, ik heb niet op die man geschoten broeder, kijk ik ben gegaan... (…) we zijn naar de man toe gegaan, daarna...puntje bij paaltje is die man een spel aan het spelen, snap je? De man wil ons verkloten, we wilden de man “droppen”, eindstand: één van de mannen is uitgestapt en weggerend, de Marokkaanse man... (…) eindstand; we zijn uitgest... ik wilde op hem schieten, snap je? (…) We zijn uit de auto gestapt, die man... weet je wat deze man gedaan heeft, broeder? De man is via achterin gesprongen en heeft de autosleutel gepakt, die man heeft de autosleutel gepakt en is uit de auto gestapt... en die man is heel groot, broeder.., ik heb die man gewurgd, ik heb hem met de kolf van het pistool geslagen, die man wilde de sleutel niet loslaten. Weet je wat die man wilde doen? Die man wil de sleutel in de put gooien. Die man wil de sleutel in de put gooien... Eindstand: we willen vechten.. die man wil de sleutel niet loslaten broeder...”9

Overwegingen

De getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat de bestuurder van de auto (het hof begrijpt: verdachte) in de auto als eerste een vuurwapen pakte. Verdachte zou dit wapen vervolgens op [getuige 1] en [slachtoffer] hebben gericht. Volgens de getuige had [slachtoffer] geen wapen bij zich.10 Bij de rechter-commissaris is de getuige bij deze verklaring gebleven.11 [medeverdachte] en verdachte hebben verklaard dat [slachtoffer] wel een wapen bij zich had en dat hij als eerste een wapen trok. In zoverre staat de verklaring van de getuige dus lijnrecht tegenover die van [medeverdachte] en verdachte. Het hof heeft op zichzelf geen reden om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaring van de getuige [getuige 1]. De verdediging heeft evenwel aangevoerd dat uit het gegeven dat op één van de op de plaats delict gevonden hulzen een DNA-spoor (mengprofiel) van [slachtoffer] is aangetroffen, dient te worden afgeleid dat [slachtoffer] degene is geweest die het wapen heeft geladen en bij zich heeft gehad. Dit scenario is niet onmogelijk, maar ook niet onomstotelijk juist. Er zijn immers ook andere manieren denkbaar waarop DNA-materiaal van [slachtoffer] op één van de hulzen is terechtgekomen. Zo kan bij een opgezet schot als waarvan in de onderhavige zaak sprake was de huls eenvoudig in contact komen met kleding en/of lichaamsmateriaal van het slachtoffer. Het hof kan niet vaststellen welke lezing de juiste is. Dit wordt niet anders door de door de verdediging aangehaalde passage uit het opgenomen gesprek tussen verdachte en zijn vriendin [naam], afgeluisterd op 10 juni 2008, te weten:

“de Marokkaanse man... groot... hij heeft het schietding in zijn andere hand genomen, hij hield het schietding vast.., zus en zo, eindstand; we zijn uitgest... ik wilde op hem schieten, snap je? Want hij had het schietding genomen, ik had zoiets van misschien pakt hij wel het schietding en gaat hij op de “bro” schieten.”

Naar het oordeel van het hof is deze passage voor verschillende uitleg vatbaar. Uit deze passage zou namelijk kunnen worden afgeleid dat [slachtoffer] zelf een wapen bij zich had, maar ook dat [slachtoffer] het wapen van verdachte of [medeverdachte] probeerde af te pakken.

Nu het hof niet kan vaststellen welke van de twee scenario’s het juiste is, wordt in het midden gelaten of [slachtoffer] een wapen bij zich had en/of in de auto als eerste een vuurwapen heeft getoond.

Op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast:

  • -

    Op enig moment waren verdachte, [medeverdachte] en [slachtoffer] uit de auto.

  • -

    Verdachte en [medeverdachte] hadden op dat moment ieder een vuurwapen vast.

  • -

    [slachtoffer] is vervolgens weggelopen.

  • -

    Verdachte en [medeverdachte] hebben [slachtoffer] gewapend achtervolgd.

  • -

    Verdachte is op [slachtoffer] gesprongen.

  • -

    Verdachte en [medeverdachte] hebben [slachtoffer] met een vuurwapen op zijn hoofd geslagen.

  • -

    [slachtoffer] is op de grond terechtgekomen.

  • -

    Verdachte en [medeverdachte] hebben [slachtoffer] geschopt, terwijl [slachtoffer] op de grond lag.

  • -

    [medeverdachte] heeft tweemaal op [slachtoffer] geschoten met 0 cm schootsafstand.

  • -

    [slachtoffer] is tengevolge van de schotverwonding aan zijn bovenlichaam overleden.

  • -

    [slachtoffer] is aangetroffen op een aantal meters afstand van de plek waar verdachte de auto had geparkeerd.

Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof het uitgesloten dat er sprake is geweest van een ongeluk. [medeverdachte] heeft [slachtoffer] door middel van een schot door het bovenlichaam van het leven beroofd. Uit de aard van de gedraging alsmede uit de omstandigheden zoals hiervoor genoemd, leidt het hof af dat de [medeverdachte] op dat moment het opzet heeft gehad om [slachtoffer] te doden.

Voorts is naar het oordeel van het hof sprake van medeplegen, nu sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte]. Daarbij neemt het hof onder meer in aanmerking dat het ging om een door verdachte geregelde ontmoeting met [slachtoffer] over drugs. Verdachte had daarbij een vuurwapen bij zich dat hij op enig moment wilde gebruiken.12 Verdachte en [medeverdachte] hebben beiden bewapend [slachtoffer] achtervolgd en ze hebben hem beiden geslagen en geschopt. Op het moment dat [medeverdachte] schoot, stond verdachte erbij en heeft hij niets gedaan om het (tweede) schieten te voorkomen. Nadat [slachtoffer] is neergeschoten, zijn [medeverdachte] en verdachte naar de auto gerend. Hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte] en verdachte zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat zij als medeplegers moeten worden aangemerkt.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

meer subsidiair:
hij op of omstreeks 13 januari 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op/door het (boven-)lichaam van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van doodslag.

Er is geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit uitsluit, zodat dit feit strafbaar is.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- het volgende in aanmerking genomen.

De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat de verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

16

jaren.

De rechtbank Utrecht heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep geëist dat voor het geval het hof komt tot een vrijspraak voor het primair en subsidiair tenlastegelegde en tot een bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde, de verdachte ter zake van het onder

1

meer subsidiair bewezenverklaarde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de

duur van 12 jaren en zes maanden en voor de onder 2, 3, 4 primair en 6 bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden.

Daarbij heeft de advocaat-generaal gewezen op de zeer ernstige en onherstelbare gevolgen voor de nabestaanden van [slachtoffer], de omstandigheid dat verdachte slechts een aantal weken na de dood van [slachtoffer] een gewapende overval heeft gepleegd en heeft geprobeerd om samen met een ander een gewapende overval op een woning te plegen, dat verdachte reeds eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld en dat hij lange tijd geen openheid van zaken heeft willen geven. Nu de verdachte geen inzicht heeft gegeven in zijn persoon en weigert mee te werken aan gedragsdeskundig onderzoek dient volgens de advocaat-generaal reeds vanuit het oogpunt van preventie een zeer langdurige gevangenisstraf opgelegd te worden.

De verdediging heeft betoogd dat bij de straftoemeting rekening moet worden gehouden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte. Volgens de verdediging is de nog zeer jonge verdachte een door zijn jeugd beschadigd persoon. Voorts heeft de verdediging als strafverminderende factoren genoemd dat verdachte niet degene is geweest die heeft geschoten en dat [slachtoffer] zelf gewapend de confrontatie met verdachte en [medeverdachte] is aangegaan.

Het hof overweegt als volgt. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, door op 13 januari 2008 te Utrecht samen met zijn mededader, [slachtoffer] met een opgelegd schot dood te schieten.

Alhoewel er verschillende mogelijke achterliggende scenario’s de revue zijn gepasseerd (een conflict in verband met een mislukte drugs- of juist een ripdeal), is tijdens het onderzoek op de zitting niet duidelijk geworden wat nu het precieze motief voor dit schietincident is geweest.

Doodslag is een misdrijf dat algemeen wordt beschouwd als één van de ernstigste strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht, nu het opzettelijk ontnemen van iemands leven een onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, is.

Dit feit maakt daarmee een diepe deuk in de rechtsorde.

De verdachte heeft de familieleden van het slachtoffer groot leed aangedaan.

Zijn verlies, de pijn en het verdriet over zijn gewelddadige dood zullen zij allen de rest van hun leven met zich moeten dragen.

Ook in de maatschappij leveren dergelijke feiten veel angst en onrust op.

Meerdere mensen die zich op 13 januari 2008 in de buurt van het incident bevonden zijn immers ongewild getuige geweest van het incident en weten dat daarbij iemand het leven heeft verloren. Zij hebben ofwel de medeverdachte zien schieten ofwel de afgevuurde schoten gehoord. De ervaring leert dat getuigen hiervan nog langdurig psychische schade kunnen ondervinden.

Blijkens het op zijn naam gestelde Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2014 is de verdachte al eerder veroordeeld voor gewelddadige diefstallen en wapenbezit.

Ook is acht geslagen op de inhoud van de omtrent de persoon van verdachte opgemaakte PBC-rapportage.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum van 15 jaar en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, kan, ondanks het tijdverloop, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt.

Alles afwegende acht het hof na te melden gevangenisstraf dan ook passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 16.068,77. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.023,91. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting van het hof niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, met dien verstande dat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Bepaling van de hoofdstraf op grond van het bepaalde in art. 423, vierde lid, Sv.

Nu het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk wordt vernietigd en daarbij één hoofdstraf werd opgelegd bij samenloop van meerdere misdrijven, moet het hof op grond van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, opnieuw de hoofdstraf bepalen voor de bij dat vonnis onder 2, 3, 4 primair en 6 bewezenverklaarde.

De hierna te melden straf is bepaald in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich, ondanks dat hij al eerder ter zake van al dan niet gewelddadige vermogensdelicten en wapenbezit tot straf is veroordeeld, wederom schuldig gemaakt aan soortgelijke feiten, op grond waarvan het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden acht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaling hoofdstraf ten aanzien van de onder 2, 3, 4 primair en 6 bewezenverklaarde feiten. Bepaalt het gedeelte van de door de eerste rechter opgelegde straf, hetwelk geacht moet worden te zijn toegemeten voor de onder 2, 3, 4 primair en 6 bewezenverklaarde feiten op een gevangenisstraf van 3 (drie) jaren.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde], terzake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 16.068,77 (zestienduizend achtenzestig euro en zevenenzeventig cent) bestaande uit € 6.068,77 (zesduizend achtenzestig euro en zevenenzeventig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 16.068,77 (zestienduizend achtenzestig euro en zevenenzeventig cent) bestaande uit € 6.068,77 (zesduizend achtenzestig euro en zevenenzeventig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 115 (honderdvijftien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr M. Otte, voorzitter,

mr A.W.M. Elders en mr M. Keppels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr D. Mientjes, griffier,

en op 6 juni 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr A.W.M. Elders is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 6 juni 2014.

Tegenwoordig:

mr M. Otte, voorzitter,

L.H.J. Vijlbrief-Smit, advocaat-generaal,

mr K.J.F. Roelofs-van Dinther, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

De voorzitter geeft verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Voor zover hierna wordt verwezen naar bijlagen, wordt verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte (stam)proces-verbaal, genummerd PL0915/08-001121 I ([verdachte]) resp. PL0981/08-012014 H ([medeverdachte]), gesloten en getekend op 28 november 2008 door [verbalisant], brigadier van politie.

2 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van een niet natuurlijke dood als bijlage op pagina 69 en het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen als bijlage op pagina 80 en 81.

3 Het deskundigenrapport, genummerd 2008.01.14.084, opgemaakt door dr. B. Kubat, werkzaam als vast gerechtelijke deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 29 februari 2008 (ordner “Dossier Forensisch Onderzoek”, pagina’s 192-196) en het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen als bijlage op pagina 96.

4 Het deskundigenrapport, genummerd 2008.01.14.084 (aanvraag 5), opgemaakt door ing. S.B.C.G. Chang, werkzaam als vast gerechtelijke deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 28 mei 2008 (ordner “Dossier Forensisch Onderzoek”, pagina’s 236-242) en het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 2 november 2011 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende als verklaring van S.B.C.G. Chang.

5 Het deskundigenrapport, genummerd 2008.01.14.084, opgemaakt door dr. B. Kubat, werkzaam als vast gerechtelijke deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 29 februari 2008 (ordner “Dossier Forensisch Onderzoek”, pagina’s 192-196) en het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen als bijlage op pagina 96.

6 De in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van verhoor als bijlagen op pagina 592-594 en 595-600, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1].

7 Het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 10 november 2011 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte].

8 Het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 10 november 2011 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte].

9 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal opname vertrouwelijke communicatie als bijlage op pagina 372, voor zover inhoudende als uitlating van [verdachte].

10 De in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van verhoor als bijlagen op pagina 592-594 en 605, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1].

11 Het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 25 mei 2009 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1].

12 Het hof leidt dit af uit het hierboven weergegeven gesprek tussen [verdachte] en zijn vriendin [naam], afgeluisterd op 10 juni 2008.