Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4443

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-06-2014
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
TBS P14/0131
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:572, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 38f, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt, voor zover hier van belang, dat de termijn van de terbeschikkingstelling niet loopt gedurende de tijd waarin de terbeschikkinggestelde die van overheidswege wordt verpleegd, uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Dat brengt in dit geval mee dat de termijn van de terbeschikkingstelling vanaf de inverzekeringstelling van de terbeschikkinggestelde op 14 januari 2014 is opgeschort. Deze omstandigheid leidt er niet toe dat de reeds ingediende vordering niet langer als tijdig kan worden beschouwd. Een redelijke en praktische uitleg van artikel 509o van het Wetboek van Strafvordering brengt immers mee dat de vraag, wanneer de vordering moet worden ingediend, moet worden beantwoord aan de hand van de ten tijde van die indiening geldende termijn. Een andere uitleg zou leiden tot het ook vanuit een oogpunt van rechtszekerheid onwenselijke gevolg dat een aanvankelijk tijdig ingediende vordering door een later opgekomen en niet te voorziene omstandigheid alsnog als niet tijdig ingediend beoordeeld zou moeten worden en niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P14/0131

Beslissing d.d. 5 juni 2014

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[naam terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

onder administratief toezicht van [FPC],

thans uit anderen hoofde verblijvende in [Huis van Bewaring].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant van 10 februari 2014, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 januari 2001, waarbij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege werd opgelegd;

- het verlengingsadvies van [FPC] van 19 november 2013, met als bijlage de wettelijke aantekeningen van 22 september 2012 tot en met 11 november 2013;

- de vordering van de officier van justitie, ingekomen op 17 december 2013;

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 13 februari 2014;

- de aanvullende informatie van [FPC] van 23 april 2014 met als bijlage de wettelijke aantekeningen van 12 november 2013 tot en met 14 januari 2014.

Het hof heeft ter zitting van 15 mei 2014 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr J.A.W. Knoester, advocaat te 's-Gravenhage, en de advocaat-generaal mr G.J. de Haas.

Overwegingen:

Het advies van de kliniek

De terbeschikkinggestelde is een 46-jarige man met een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline en narcistische trekken. Daarbij ontwikkelden zich egocentrisme, een basaal gevoel van wantrouwen, neiging tot externalisering, directe behoeftebevrediging, weinig empathie en makkelijk te activeren impulsief-agressief gedrag. Binnen de anti-sociale trekken, met name de hang naar directe behoeftebevrediging ontwikkelde zich voorts een afhankelijkheid van alcohol (in sterke mate), cocaïne en XTC, hetgeen inmiddels door de behandeling gedwongen in remissie is.

De terbeschikkinggestelde is herhaaldelijk veroordeeld voor verkrachting, geweld en diefstal. Het indexdelict betreft een verkrachting van een voor hem onbekende vrouw. Betrokkene heeft een moeizame behandeling achter de rug waarbij wantrouwen en krenkingen de behandelrelatie steeds weer verstoorden. Inmiddels functioneert betrokkene stabiel en lopen de verloven goed. Ook de overgang naar een transmuraal verlofkader en de verdere vooruitgang naar een training zelfstandig wonen zijn goed verlopen. Betrokkene is open in contact betreffende seksualiteit, krenking, spanningen en emoties. Hij neemt trouw zijn zuchtremmende medicatie en antidepressiva die hem ondersteunen om een stabiel emotioneel beeld te behouden. Inmiddels heeft betrokkene een helder toekomstperspectief, en probeert hij een balans te onderhouden tussen werk en vrije tijd. Met name op het gebied van werk is nadere ondersteuning nog nodig, om te komen tot een voor betrokkene realistische daginvulling. Betrokkene ervaart positieve ondersteuning van zijn netwerk. Het uitstroomdoel is zelfstandig wonen met een langdurig therapeutisch contact en systeemtherapie indien er sprake is van een intieme relatie.

Wanneer de terbeschikkingstelling op dit moment zal worden beëindigd, is de kans op recidive in de vorm van ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag in de vorm van verkrachting en pogingen daartoe hoog te noemen. De kans van een agressief seksueel delict is binnen een intieme relatie groter dan zonder relatie. Betrokkene kent de dynamiek van een negatieve gedachtespiraal en erkent dat hij externe hulp nodig heeft om hieruit te blijven of raken. Hij accepteert deze hulp maar zal die niet altijd tijdig vragen, waardoor betrokkene zonder enige begeleiding kan recidiveren, zeker wanneer hij middelen gaat gebruiken. De kans is groot dat hij in een dergelijke situatie het overzicht verliest, zich terug trekt en destabiliseert. Geadviseerd wordt de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met een jaar te verlengen.

Nadat de verlengingsvordering was ingediend, is de terbeschikkinggestelde op 14 januari 2014 aangehouden als verdachte van een ernstig geweldsdelict, gepleegd in 1995. Hij bevindt zich nu in voorlopige hechtenis.

Uit de aanvullende informatie van de kliniek komt naar voren dat tot aan de aanhouding van de terbeschikkinggestelde er zich geen noemenswaardige ontwikkelingen hebben voorgedaan. Op 14 januari 2014 is de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgeschort, waardoor de kliniek formeel geen bemoeienis meer heeft met de terbeschikkinggestelde. Hoewel de kliniek sinds 14 januari 2014 niet inhoudelijk op de hoogte is van de psychische gesteldheid en het functioneren van de terbeschikkinggestelde, kiest de kliniek voor handhaving van het eerder uitgebrachte verlengingsadvies. Mocht de terbeschikkinggestelde schuldig worden bevonden aan de tenlastegelegde feiten, dan zal er door de kliniek op basis van nadere dossier- en feiteninformatie en gesprekken met de terbeschikkinggestelde, een nadere inschatting gemaakt dienen te worden met betrekking tot het recidiverisico en de benodigde behandelduur.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vordering. Op het moment dat de officier van justitie zijn verlengingsvordering indiende, was de vordering tijdig, maar inmiddels is er een andere situatie ontstaan. Door de opschortende werking van de huidige detentie van de terbeschikkinggestelde is niet bekend wanneer de terbeschikkingstelling zal eindigen, zodat op dit moment niet kan worden gesteld dat de vordering niet langer dan een maand voor het einde van de TBS-termijn is ingediend. Of de vordering tijdig is gedaan, dient beoordeeld te worden naar de situatie op het moment van beslissen. Subsidiair verzoekt de raadsman de behandeling van de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling aan te houden. Het staat niet vast dat de terbeschikkinggestelde veroordeeld zal gaan worden in de strafzaak die thans loopt. Er moet rekening gehouden worden met een vrijspraak. Na beëindiging van de detentie van de terbeschikkinggestelde kan alsnog op de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling worden beslist. Op dat moment kan beter het dan bestaande delict gevaar worden beoordeeld. Als de nieuwe strafzaak er niet was geweest, zou de raadsman een voorwaardelijke beëindiging hebben bepleit. Die mogelijkheid moet open blijven tot na het onherroepelijk worden van de uitspraak in de lopende strafzaak.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de verlengingsvordering tijdig is ingediend. De verlengingsvordering is ingediend op 17 december 2013. Dat is tijdig, namelijk niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel, voor zover op dat moment bekend was, zou eindigen, te weten 25 januari 2014. Het openbaar ministerie moest op het moment van indiening van de vordering ervan uitgaan dat de terbeschikkingstelling zou eindigen op het moment dat de laatste verlengingstermijn door tijdsverloop zou eindigen. De omstandigheid dat na het indienen van de vordering de datum waarop de maatregel zonder verlenging zou eindigen is opgeschort door de voorlopige hechtenis, maakt dit niet anders.

De advocaat-generaal verzet zich tegen de door de raadsman bepleite aanhouding van de beslissing nu dit naar verwachting zal leiden tot zeer langdurig uitstel van de beslissing, gezien de stand van zaken in de thans tegen de terbeschikkinggestelde lopende strafzaak.

Gelet op de ernst van de stoornis, het feit dat het recidivegevaar bij een eventuele beëindiging van de terbeschikkingstelling als hoog wordt ingeschat en het gegeven dat de terbeschikkinggestelde nog veel zorg en begeleiding nodig heeft, is voortzetting van de maatregel geïndiceerd. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank.

Het oordeel van het hof

Vernietiging

Het hof zal de beslissing van de rechtbank om doelmatigheidsredenen vernietigen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Artikel 509o, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling moet worden ingediend niet eerder dan twee maanden en niet later dan een maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen. Behoudens nadere voorziening zou de maatregel op 25 januari 2014 eindigen. Overeenkomstig voormelde wettelijke bepaling diende een eventuele vordering tot verlenging te worden ingediend tussen 26 november 2013 en 26 december 2013. De vordering is ingediend op 17 december 2013 en derhalve tijdig.

Artikel 38f, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt, voor zover hier van belang, dat de termijn van de terbeschikkingstelling niet loopt gedurende de tijd waarin de terbeschikkinggestelde die van overheidswege wordt verpleegd, uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Dat brengt in dit geval mee dat de termijn van de terbeschikkingstelling vanaf de inverzekeringstelling van de terbeschikkinggestelde op 14 januari 2014 is opgeschort. Deze omstandigheid leidt er niet toe dat de reeds ingediende vordering niet langer als tijdig kan worden beschouwd. Een redelijke en praktische uitleg van artikel 509o van het Wetboek van Strafvordering brengt immers mee dat de vraag, wanneer de vordering moet worden ingediend, moet worden beantwoord aan de hand van de ten tijde van die indiening geldende termijn. Een andere uitleg zou leiden tot het ook vanuit een oogpunt van rechtszekerheid onwenselijke gevolg dat een aanvankelijk tijdig ingediende vordering door een later opgekomen en niet te voorziene omstandigheid alsnog als niet tijdig ingediend beoordeeld zou moeten worden en niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling tijdig is ingediend en dat het openbaar ministerie daarin ontvankelijk is.

Aanhoudingsverzoek

Het hof acht zich op basis van de voorhanden zijnde informatie voldoende voorgelicht om te kunnen oordelen op het door de terbeschikkinggestelde ingediende beroep. Het hof beschikt over een eenduidig advies van de kliniek, dat in hoger beroep is gehandhaafd. Dit advies strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling met inbegrip van het bevel tot verpleging. In het advies is meegewogen dat de terbeschikkinggestelde momenteel niet veroordeeld is voor de feiten waarvan hij thans wordt verdacht en is uitgegaan van de behandeling en resocialisatie zoals die plaats hebben gevonden voorafgaand aan de aanhouding van de terbeschikkinggestelde. Het verzoek tot aanhouding van de zaak wordt afgewezen, nu de noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken.

Indexdelict

De terbeschikkingstelling is door de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij vonnis van 18 januari 2001 opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten: verkrachting, meermalen gepleegd en het opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Stoornis en recidivegevaar

Bij de terbeschikkinggestelde is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline en narcistische trekken. Voorts is er sprake van middelengebruik, thans in remissie. Bij beëindiging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, is de kans op recidive in de vorm van ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag in de vorm van verkrachting en pogingen daartoe hoog te noemen.

Verlenging terbeschikkingstelling

Gelet op de advisering en hetgeen overigens ter zitting naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat de algemene veiligheid van anderen verlenging van de terbeschikkingstelling eist en dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient te worden verlengd met een termijn van een jaar. Het hof heeft bij dit oordeel geen acht geslagen op de feiten waarvan de terbeschikkinggestelde thans verdacht wordt.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant van 10 februari 2014 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam terbeschikkinggestelde].

Verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vordering tot verlenging van de ter beschikkingstelling.

Wijst af het verzoek tot aanhouding.

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Aldus gedaan door

mr Y.A.J.M. van Kuijck als voorzitter,

mr P.R. Wery en mr M. Keppels als raadsheren,

en drs. R. Vecht-van den Bergh en drs. R. Poll als raden,

in tegenwoordigheid van mr J.P. Fuchs-van Dis als griffier,

en op 5 juni 2014 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.