Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4273

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-05-2014
Datum publicatie
10-06-2014
Zaaknummer
21-002797-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2012:BW8099, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgesproken vechtpartij tussen twee personen op 4 juni 2011 in Doetinchem die is uitgemond in openlijke geweldpleging door meerdere personen, waarbij één persoon door toedoen van de verdachte door een pistoolschot in zijn voorhoofd werd getroffen. Deze persoon raakte zwaar gewond maar heeft het overleefd. Anders dan de rechtbank acht het hof niet bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft geschoten. Het hof veroordeelt de verdachte wegens het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door schuld, openlijke geweldpleging en verboden wapenbezit tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte reeds 2 jaar en 3 maanden in voorarrest heeft doorgebracht. De verdachte moet daarnaast € 15.000,- schadevergoeding betalen aan het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002797-12

Uitspraak d.d.: 22 mei 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van

12 juni 2012 met parketnummer 06-950385-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([voormalig Sovjet-Unie]) op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 29 april 2014 en 1 mei 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr J.P. Plasman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde tot een andere bewijsbeslissing komt. Voorts komt het hof tot een andere strafoplegging. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

1:

hij op of omstreeks 4 juni 2011, te Doetinchem, althans in Nederland,

met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Tweede Loolaan

en/of op (het voor het publiek opengestelde) Landgoed Hagen (achter het Slingeland

Ziekenhuis), in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het

publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen:

[betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], en/of [Slachtoffer],

welk geweld bestond uit:

het meermalen, althans eenmaal, slaan en/of stompen en/of (met geschoeide

voet) schoppen en/of trappen en/of trekken en/of duwen van die [betrokkene 1] en/of die

[betrokkene 2] en/of die [betrokkene 3] en/of die [Slachtoffer], en/of

het trekken en/of tonen en/of in de lucht houden en/of in de richting houden van

(en/of richten op) één of meer vuurwapen(s), althans één of meer op

(vuur)wapen(s) gelijkende voorwerp(en), aan die [Slachtoffer] en/of die [betrokkene 1], die [betrokkene 2] en/of die [betrokkene 3] en/of die [betrokkene 4].

2

primair:

hij op of omstreeks 4 juni 2011 te Doetinchem tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met één of meer kogels/munitie uit het vuurwapen in het hoofd van die [Slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2

subsidiair:

hij op of omstreeks 4 juni 2011 te Doetinchem, aan [Slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door deze opzettelijk met één of meer kogels/munitie uit een vuurwapen in het hoofd te schieten;

2

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 4 juni 2011 te Doetinchem,

roekeloos, in elk geva1 zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend,

terwijl hij, verdachte, wist dat [betrokkene 5] en [betrokkene 1], althans enige personen,

hadden afgesproken om te vechten op een afgesproken tijd en plaats

en/of terwijl hij, verdachte heeft gezien dat

- een ander ([betrokkene 6]) een vuurwapen uit zijn kleding of een tasje heeft

gehaald/getrokken, en/of

- een ander ([betrokkene 6]) (vervolgens) een vuurwapen heeft doorgeladen althans

(voor schieten) gereed had gemaakt, althans met een vuurwapen één of

meer handelingen had verricht en/of

- een ander ([betrokkene 6]) (vervolgens) dat (geladen) vuurwapen dreigend richtte

op één of meer andere personen,

dat vuurwapen heeft (afgepakt (van die andere persoon ([betrokkene 6])),

en/of (vervolgens) dat (geladen) vuurwapen niet voortdurend in een veilige richting

heeft gehouden en/of is blijven houden,

en/of dat (geladen) vuurwapen niet (direct) heeft ontladen, althans de (houder met)

kogel(s) uit dat (geladen) vuurwapen heeft gehaald, en/of heeft laten halen

en/of (daarbij) met dat (geladen) vuurwapen is gaan lopen en/of rennen (in de

richting van, althans op korte afstand van een aantal (met elkaar en/of duidelijk voor

hem, verdachte, zichtbaar (vechtende)) personen,

en/of met dat (geladen) vuurwapen niet rechtstreeks naar zijn personenauto is

gelopen en/of is blijven lopen, althans dat verdachte niet van de (vechtende)

personen is weggelopen en/of is blijven weglopen

en/of met dat (geladen) vuurwapen in zijn hand(en) (wederom) heeft gepoogd

(vechtende) personen uit elkaar te halen, althans (wederom) met dat (geladen)

vuurwapen in de richting van die (vechtende) personen is gelopen,

en/of (op dat moment) niet dan wel onvoldoende heeft gelet, hoe hij, verdachte, dat

(geladen) vuurwapen vast had/in zijn hand(en) had, en/of één of meer vinger(s) bij

de trekker van dat (geladen) vuurwapen heeft gehouden,

en/of het (geladen) vuurwapen (wederom) niet of in onvoldoende mate in een veilige richting heeft gehouden en/of is blijven houden

en/of (vervolgens) met dat (geladen) vuurwapen in zijn hand(en) een

zwaai/gooibeweging heeft gemaakt (teneinde dat (geladen) vuurwapen weg te

gooien) zonder daaraan voorafgaand in die (zwaai/gooi) richting te kijken

en/of zonder zich er (in voldoende mate) van te hebben vergewist dat:

-de richting waarin hij, verdachte, die zwaai/gooibeweging heeft gemaakt met dat

(geladen) vuurwapen, een veilige richting zou zijn en/of

- zich op korte afstand van hem, verdachte, één of meer andere personen /

objecten bevonden die hij met dat (geladen) vuurwapen zou kunnen raken en/of

- het (geladen) vuurwapen hierbij af zou kunnen gaan en/of hij, verdachte,

(hierbij) met dat (geladen) vuurwapen een schot zou kunnen lossen en/of een

kogel met dat (geladen) vuurwapen af zou kunnen vuren,

terwijl hij, verdachte, (telkens) onbekend was met dat (geladen) vuurwapen en/of

met de werking van dat (geladen) vuurwapen en/of met de eigenschappen van dat

(geladen) vuurwapen,

terwijl [Slachtoffer] zich (op dat moment, kennelijk) op (relatief) korte afstand van

hem, verdachte, bevond,

en/of (waarbij en/of waardoor) voornoemd (geladen) vuurwapen is afgegaan en/of

een schot (door verdachte met het (geladen) vuurwapen) is gelost en/of een kogel

door het (geladen) vuurwapen is afgevuurd en/of (vervolgens) deze kogel in het

hoofd van voornoemde [Slachtoffer] terecht is gekomen,

waardoor voornoemde [Slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel heeft

bekomen.

3.

hij op of omstreeks 4 juni 2011 te Doetinchem

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

één vuurwapen van de categorie III voorhanden heeft gehad

en/of heeft gedragen,

en/of (daarbij behorende) munitie van categorie III, te weten

één of meer, althans één, patro(o)n(en) (kaliber 7.65 mm).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 2 primair en subsidiair

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof acht net als de officier van justitie en de advocaat-generaal maar anders dan de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk heeft geschoten.

Verdachte heeft steeds – kort gezegd - verklaard dat het pistool per ongeluk is afgegaan toen hij het had afgepakt van een ander die daarmee dreigde en het daarna op enig moment met een armzwaai wilde weggooien. Deze verklaring vindt tot op zekere hoogte steun in diverse verklaringen die in hoger beroep bij de rechter-commissaris zijn afgelegd. Zo heeft [getuige] verklaard dat [betrokkene 1] haar vertelde dat het pistool is afgegaan toen het werd afgepakt en heeft [betrokkene 2] verklaard dat hij na het schot iemand hoorde schreeuwen dat het per ongeluk ging. [betrokkene 4] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte een zwaaiende beweging maakte en dat hij een knal hoorde. [betrokkene 7] heeft verklaard dat het enige wat hem bijblijft de geschrokken blik van verdachte is.

Tegenover de verklaring van de verdachte inhoudende dat het een ongeluk was, staat de verklaring van het slachtoffer [Slachtoffer]. Hij heeft verklaard dat verdachte met gestrekte arm op hem heeft geschoten. Gezien de inhoud van het rapport van de deskundige dr.

M. Jelicic van 22 februari 2012 is het hof evenwel net als de rechtbank van oordeel dat die verklaring niet voor het bewijs kan worden gebruikt. De deskundige heeft immers geconcludeerd dat het scenario dat [Slachtoffer] geen authentieke herinneringen heeft aan het schietincident op 4 juni 2011 veel sterker is dan het scenario dat hij zich dit incident echt is gaan herinneren.

De rechtbank heeft op basis van 1) de waarnemingen van de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 7] direct na het schot over de wijze waarop verdachte zijn arm hield met daarin het vuurwapen 2) de bevindingen van het NFI over de schootsafstand en 3) de plaats van de schotverwonding midden op het voorhoofd van het slachtoffer [Slachtoffer] afgeleid dat verdachte van heel dichtbij heeft getracht om [Slachtoffer] te doden. Naar het oordeel van de rechtbank ligt in die gedraging het opzet op de dood van [Slachtoffer] besloten.

Het hof volgt deze bewijsconstructie niet. [betrokkene 3] heeft weliswaar in eerste aanleg bij de rechter-commissaris op de vraag of hij iemand met een pistool in de hand heeft zien staan, geantwoord: “Ja, ik draaide me om en zag hem met gestrekte arm staan”, maar bij de politie heeft hij daarover niets verklaard en in hoger beroep heeft hij bij de rechter-commissaris verklaard dat hij niet meer weet of de arm gebogen of recht was. Voorts heeft [betrokkene 7] bij de politie en in eerste aanleg bij de rechter-commissaris verklaard dat hij zag dat verdachte het pistool in zijn handen had en dat de arm van verdachte naar beneden zakte, maar in hoger beroep heeft hij bij de rechter-commissaris verklaard dat hij niet meer weet of hij het wegzakken heeft gezien en dat hij niet meer weet of het wegzakken met een gestrekte of een gebogen arm was. Bovendien past het wegzakken van de arm naar het oordeel van het hof ook bij het scenario van verdachte. Uit de enkele omstandigheden dat de schootsafstand waarschijnlijk klein is geweest en het slachtoffer [Slachtoffer] midden in het voorhoofd is geraakt, kan niet het opzet van de verdachte worden afgeleid.

Bij deze stand van zaken en bij gebreke van ander bewijs komt het hof tot een vrijspraak van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 meer subsidiair tenlastegelegde.

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde heeft zij het volgende aangevoerd. Verdachte ging ervan uit dat [betrokkene 5] en [betrokkene 1] hadden afgesproken om hun conflict uit te praten. Als het uitgevochten zou worden, zou dat een klassiek tweegevecht zijn. Een tweegevecht is geen openlijke geweldpleging. Er kan daarom niet gezegd worden dat verdachte opzet had op de openlijke geweldpleging. Hij heeft ook geen significante bijdrage geleverd aan het geweld. Hij heeft geen enkele geweldshandeling verricht.

Met betrekking tot het onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat het niet aan verdachtes schuld te wijten is dat [Slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft in een zeer chaotische situatie met de beste bedoelingen ad hoc gehandeld. Hem kan niet verweten worden dat hij verkeerde beslissingen heeft genomen, want hij had helemaal geen tijd om na te denken.

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 5] en [betrokkene 1] hadden afgesproken om met elkaar te gaan vechten en dat de anderen -onder wie verdachte- daarvan op de hoogte waren, in elk geval op het moment dat zij bovenop “de bult” aanwezig waren. Er is immers bewust gekozen voor een locatie zonder camera’s, er zijn scheidsrechters aangesteld, er zijn regels met betrekking tot het gevecht afgesproken en [betrokkene 5] en [betrokkene 1] zijn gefouilleerd. Op een gegeven moment heeft [betrokkene 5] zich niet aan de regels van het gevecht gehouden door [betrokkene 1] te bijten en zijn de anderen zich met het gevecht gaan bemoeien, waardoor een vechtpartij is ontstaan tussen de groep van [betrokkene 5] en de groep van [betrokkene 1]. Daarbij werd er over en weer geslagen, geschopt, geduwd en getrokken. Verdachte heeft aan deze vechtpartij meegedaan. Zo volgt uit de verklaring van [betrokkene 2] dat verdachte [Slachtoffer] heeft vastgepakt. Verdachte heeft zelf ook verklaard dat het wel kan zijn dat hij iemand heeft geduwd en heeft vastgepakt. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte aldus een significante bijdrage geleverd aan het geweld dat door zijn groep, de groep van [betrokkene 5], is gepleegd tegen personen van de andere groep, de groep van [betrokkene 1]. Wat de aanvankelijke intentie van verdachte ook is geweest, op een gegeven moment heeft verdachte opzettelijk meegedaan aan een vechtpartij tussen twee groepen. Het hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van de openlijke geweldpleging.

Verdachte heeft tijdens een geëscaleerde situatie waarin diverse personen met elkaar aan het vechten waren, een vuurwapen afgepakt waarvan hij wist dat het doorgeladen was. Vervolgens heeft hij het vuurwapen niet direct ontladen, maar is hij er op korte afstand van een aantal vechtende personen mee richting zijn auto gelopen. Hoewel hij zich bij zijn auto op een veilige manier van het vuurwapen had kunnen ontdoen, is hij gaandeweg omgekeerd en is hij met het vuurwapen in zijn hand teruggegaan naar de vechtende personen. Daar heeft hij blindelings met dat vuurwapen een zwaaibeweging gemaakt met de bedoeling om het weg te gooien. Hij heeft niet in de zwaairichting gekeken en hij heeft zich er niet van gewist dat die richting een veilige richting zou zijn. Het gevolg was een schot in het voorhoofd van [Slachtoffer], leidende tot zwaar lichamelijk letsel, dat moet zijn afgegaan terwijl verdachte het vuurwapen in zijn hand had. Gelet op deze opeenstapeling van zeer risicovolle handelingen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het aan verdachtes schuld te wijten is dat [Slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Anders dan de advocaat-generaal acht het hof niet bewezen dat verdachte de zwaarste vorm van schuld, te weten roekeloosheid, heeft gehad. Het hof bestempelt het gedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 meer subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:

hij op of omstreeks 4 juni 2011, te Doetinchem, althans in Nederland,

met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Tweede Loolaan

en/of op (het voor het publiek opengestelde) Landgoed Hagen (achter het Slingeland

Ziekenhuis), in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het

publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen:

[betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], en/of [Slachtoffer],

welk geweld bestond uit:

het meermalen, althans eenmaal, slaan en/of stompen en/of (met geschoeide

voet) schoppen en/of trappen en/of trekken en/of duwen van die [betrokkene 1] en/of die

[betrokkene 2] en/of die [betrokkene 3] en/of die [Slachtoffer], en/of

het trekken en/of tonen en/of in de lucht houden en/of in de richting houden van

(en/of richten op) één of meerdere vuurwapen(s), althans één of meer op

(vuur)wapen(s) gelijkende voorwerp(en), aan die [Slachtoffer] en/of die [betrokkene 1], die [betrokkene 2] en/of die [betrokkene 3] en/of die [betrokkene 4].

2

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 4 juni 2011 te Doetinchem,

roekeloos, in elk geva1 zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend,

terwijl hij, verdachte, wist dat [betrokkene 5] en [betrokkene 1], althans enige personen,

hadden afgesproken om te vechten op een afgesproken tijd en plaats

en/of terwijl hij, verdachte heeft gezien dat

- een ander ([betrokkene 6]) een vuurwapen uit zijn kleding of een tasje heeft

gehaald/getrokken, en/of

- een ander ([betrokkene 6]) (vervolgens) een vuurwapen heeft doorgeladen althans

(voor schieten) gereed had gemaakt, althans met een vuurwapen één of

meerdere handelingen had verricht en/of

- een ander ([betrokkene 6]) (vervolgens) dat (geladen) vuurwapen dreigend richtte

op één of meer andere personen,

dat vuurwapen heeft (afgepakt (van die andere persoon ([betrokkene 6])),

en/of (vervolgens) dat (geladen) vuurwapen niet voortdurend in een veilige richting

heeft gehouden en/of is blijven houden,

en/of dat (geladen) vuurwapen niet (direct) heeft ontladen, althans de (houder met)

kogel(s) uit dat (geladen) vuurwapen heeft gehaald, en/of heeft laten halen

en/of (daarbij) met dat (geladen) vuurwapen is gaan lopen en/of rennen (in de

richting van, althans op korte afstand van een aantal (met elkaar en/of duidelijk voor

hem, verdachte, zichtbaar (vechtende)) personen,

en/of met dat (geladen) vuurwapen niet rechtstreeks naar zijn personenauto is

gelopen en/of is blijven lopen, althans dat verdachte niet van de (vechtende)

personen is weggelopen en/of is blijven weglopen

en/of met dat (geladen) vuurwapen in zijn hand(en) (wederom) heeft gepoogd

(vechtende) personen uit elkaar te halen, althans (wederom) met dat (geladen)

vuurwapen in de richting van die (vechtende) personen is gelopen,

en/of (op dat moment) niet dan wel onvoldoende heeft gelet, hoe hij, verdachte, dat

(geladen) vuurwapen vast had/in zijn hand(en) had, en/of één of meer vinger(s) bij

de trekker van dat (geladen) vuurwapen heeft gehouden,

en/of het (geladen) vuurwapen (wederom) niet of in onvoldoende mate in een veilige richting heeft gehouden en/of is blijven houden

en/of (vervolgens) met dat (geladen) vuurwapen in zijn hand(en) een

zwaai/gooibeweging heeft gemaakt (teneinde dat (geladen) vuurwapen weg te

gooien) zonder daaraan voorafgaand in die (zwaai/gooi) richting te kijken

en/of zonder zich er (in voldoende mate) van te hebben vergewist dat:

- de richting waarin hij, verdachte, die zwaai/gooibeweging heeft gemaakt met dat

(geladen) vuurwapen, een veilige richting zou zijn en/of

- zich op korte afstand van hem, verdachte, één of meer andere personen /

objecten bevonden die hij met dat (geladen) vuurwapen zou kunnen raken en/of

- het (geladen) vuurwapen hierbij af zou kunnen gaan en/of hij, verdachte,

(hierbij) met dat (geladen) vuurwapen een schot zou kunnen lossen en/of een

kogel met dat (geladen) vuurwapen af zou kunnen vuren,

terwijl hij, verdachte, (telkens) onbekend was met dat (geladen) vuurwapen en/of

met de werking van dat (geladen) vuurwapen en/of met de eigenschappen van dat

(geladen) vuurwapen,

terwijl de heer [Slachtoffer] zich (op dat moment, kennelijk) op (relatief) korte afstand van

hem, verdachte, bevond,

en/of (waarbij en/of waardoor) voornoemd (geladen) vuurwapen is afgegaan en/of

een schot (door verdachte met het (geladen) vuurwapen) is gelost en/of een kogel

door het (geladen) vuurwapen is afgevuurd en/of (vervolgens) deze kogel in het

hoofd van voornoemde [Slachtoffer] terecht is gekomen,

waardoor voornoemde [Slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel heeft

bekomen.

3.

hij op of omstreeks 4 juni 2011 te Doetinchem

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

één vuurwapen van de categorie III voorhanden heeft gehad

en/of heeft gedragen,

en/of (daarbij behorende) munitie van categorie III, te weten

één of meer, althans één, patro(o)n(en) (kaliber 7.65 mm).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. In het bijzonder acht het hof niet bewezen dat verdachte wist dat er een vuurwapen was meegenomen naar het gevecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

het onder 2 meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt.

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III (vuurwapen) en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (munitie).

Beroep op noodweer(exces)

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 2 meer subsidiair en 3 tenlastegelegde een beroep op noodweer(exces) gedaan. Volgens haar was sprake van een noodweersituatie omdat iemand met een doorgeladen vuurwapen dreigde. Verdachte heeft het vuurwapen met gevaar voor eigen leven van die persoon afgepakt. Vervolgens wilde hij het vuurwapen weggooien om te voorkomen dat een ander het vuurwapen van hem zou afpakken. Daarbij is het vuurwapen per ongeluk afgegaan. Verdachte heeft het vuurwapen enkel voorhanden gehad om andere mensen te redden. Het weggooien van het vuurwapen was daar ook op gericht.

Het hof overweegt hierover het volgende. Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Op het moment dat verdachte het doorgeladen vuurwapen afpakte, was er naar het oordeel van het hof sprake van een noodweersituatie. Op dat moment mocht verdachte het vuurwapen voorhanden hebben. De daaropvolgende gedraging van de verdachte staat een gerechtvaardigd beroep op noodweer(exces) evenwel in de weg. Verdachte is immers met het doorgeladen vuurwapen in zijn hand teruggekeerd naar de groep vechtenden. Vanaf dat moment heeft verdachte het vuurwapen voorhanden gehad in strafrechtelijk verwijtbare zin.

Ook ten aanzien van het onder 2 meer subsidiair bewezen verklaarde faalt het beroep op noodweer(exces). Het hof volgt de verklaring van de verdachte dat het vuurwapen “per ongeluk” is afgegaan, zij het dat – zoals het hof heeft overwogen- verdachte daarbij zeer onvoorzichtig te werk is gegaan en voor hem alternatieven open stonden. Daarbij past op dit punt niet een beroep op noodweer(exces). Noodweer(exces) impliceert immers een opzettelijke handeling.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 meer subsidiair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 286 dagen. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft de officier van justitie geconcludeerd tot een bewezenverklaring, maar volgens hem dient voor dit feit geen straf te volgen omdat verdachte het vuurwapen enkel voorhanden heeft gehad om erger te voorkomen.

De rechtbank heeft verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.

De advocaat-generaal heeft aanvankelijk gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 meer subsidiair en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 280 dagen. Vervolgens heeft hij aangegeven zich te kunnen vinden in het verzoek van de verdediging om die straf geheel voorwaardelijk op te leggen en heeft hij zich in zoverre gerefereerd aan het oordeel van het hof.

De verdediging heeft bepleit om te volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. Als verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van meer dan 28 dagen komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van het kinderpardon. Dat betekent dat verdachte, die al veertien jaar in Nederland woont en als gespecialiseerde automonteur een bijdrage kan leveren aan de Nederlandse maatschappij, Nederland zal moeten verlaten. Rekening houdend met de VI-regeling heeft verdachte in voorarrest al een gevangenisstraf voor de duur van drieënhalf jaar uitgezeten. Het maakt dus feitelijk geen verschil als de door de advocaat-generaal geëiste straf geheel voorwaardelijk zou worden opgelegd. Voor verdachte zou het evenwel betekenen dat hij met zijn gezin in Nederland kan blijven. Bij straftoemeting gaat het om het toevoegen van leed aan de verdachte, dat recht doet aan het verwijt dat de verdachte kan worden gemaakt. Door het lange voorarrest is aan verdachte al voldoende leed toegevoegd.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte is meegegaan naar een afgesproken gevecht tussen [betrokkene 5] en [betrokkene 1], dat plaatsvond op landgoed Hagen te Doetinchem. Dit tweegevecht is uitgemond in een groepsgevecht, waaraan verdachte heeft deelgenomen. Tijdens het groepsgevecht is door [betrokkene 6] een vuurwapen getrokken en doorgeladen. Verdachte heeft dat doorgeladen vuurwapen afgepakt en daarmee zeer onvoorzichtig gehandeld, met als gevolg dat dit vuurwapen is afgegaan en [Slachtoffer] door een kogel in zijn voorhoofd is geraakt. [Slachtoffer] heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waarvan hij nog dagelijks de last ondervindt. Ten voordele van verdachte weegt het hof mee dat verdachte aanvankelijk adequaat heeft gehandeld door het geladen vuurwapen af te pakken, zijn aandeel in de openlijke geweldpleging minimaal is geweest en hij het vuurwapen slechts zeer kort voorhanden heeft gehad in strafrechtelijk verwijtbare zin. Gelet op die omstandigheden zou oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden in beginsel gerechtvaardigd zijn. In de persoon van verdachte vindt het hof evenwel redenen om die straf geheel voorwaardelijk op te leggen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat verdachte reeds twee jaar en drie maanden in voorarrest heeft gezeten, zodat hij ruim anderhalf jaar langer in detentie heeft doorgebracht dan bij tenuitvoerlegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. Dit kan niet op enige (andere) wijze ongedaan worden gemaakt of worden gecompenseerd. Bovendien neemt het hof in aanmerking dat zijn verblijfsstatus in gevaar komt als hij tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 28 dagen wordt veroordeeld, hij geen relevante strafrechtelijke documentatie heeft en de advocaat-generaal zich op dit punt heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 34.200,72 bestaande uit € 31.561,00 aan immateriële schade en € 2.639,72 aan misgelopen bijstandsuitkering. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 15.000,00 ter vergoeding van immateriële schade . De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof acht een bedrag van € 15.000,00 ter vergoeding van die schade alleszins redelijk en billijk, gelet op de aard en de ernst van het letsel dat de benadeelde partij heeft opgelopen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 3] en [betrokkene 4]

De benadeelde partij [betrokkene 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 901,00. De benadeelde partij [betrokkene 4] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 3.500,00 vermeerderd met de wettelijke rente. De vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van hun oorspronkelijke vorderingen.

Het hof overweegt dat de benadeelde partijen in deze zaak zelf ook als verdachte zijn aangemerkt en een eigen aandeel hebben gehad in de ontstane situatie. Om die reden levert de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op. Voorts is de vordering van [betrokkene 4], voor zover deze ziet op schade veroorzaakt door het schietincident (shockschade) onvoldoende onderbouwd, De benadeelde partijen kunnen daarom thans in hun vorderingen niet worden ontvangen. Zij kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 141 en 308 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 meer subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 meer subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (

twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 3]

Verklaart de benadeelde partij [betrokkene 3] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 4]

Verklaart de benadeelde partij [betrokkene 4] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [Slachtoffer] ter zake van het onder 2 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [Slachtoffer], een bedrag te betalen van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 110 (honderdtien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden

Aldus gewezen door

mr J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr R. van den Heuvel en mr C. Caminada, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.A.M. Oude Vrielink, griffier,

en op 22 mei 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.