Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4267

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
ks 21-002388-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Megazaak Golfclub, onderzoek Mineermot.

Belangrijk verschil geconstateerd tussen proces-verbaal van verhoor van verdachte en de transcriptie, inhoudende de letterlijke weergave van dat verhoor. Daarnaast nog een onvolledige transcriptie. Zeer kwalijk. Evenwel geen schending van de beginselen van de behoorlijke procesorde (Zwolsman¬). Verwerping verweer niet-ontvankelijkheid van het OM.

Bewijsoverweging voorwaardelijk opzet op de dood. Aanmerkelijke kans dat personen door een kogel zouden worden geraakt.

Veroordeling ter zake van medeplegen van poging tot doodslag en medeplegen van bedreiging. Beroep op noodweer(-exces) verworpen. Sprake van omstandigheden die aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) in de weg staan.

Zeer ernstige feiten. Gezien de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en die aanleiding hebben gegeven tot verdachtes handelen, komt het hof echter tot een lichtere straf dan door de rechtbank is opgelegd (8 jr), en door de AG is gevorderd (6 jr). Er wordt een gevangenisstraf opgelegd van 4 jaren m.a.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002388-13

Uitspraak d.d.: 26 mei 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 27 december 2012 met parketnummer 18-630497-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1965,

thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 17 juni 2013, 28 juni 2013, 11 september 2013, 2 december 2013, 19 december 2013, 20 februari 2014, 8 en 10 april 2014 en 12 mei 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Het inbeslaggenomen balletjespistool dient onttrokken te worden aan het verkeer en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde3] dient hoofdelijk te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. C. Eenhoorn, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat er een belangrijk verschil zit tussen de verklaring van verdachte zoals die in het proces-verbaal van verhoor d.d. 15 september 2011 is opgenomen en zoals die blijkt uit de transcriptie, inhoudende de letterlijke weergave van de verklaring van verdachte. Volgens de raadsman hebben de verbalisanten in het proces-verbaal een voor de bewezenverklaring mogelijk essentieel punt opzettelijk onjuist weergegeven. Het openbaar ministerie heeft hiervoor geen verantwoordelijkheid genomen.

De raadsman heeft er verder op gewezen dat het openbaar ministerie niet heeft voldaan aan het door het hof toegewezen verzoek van de verdediging om het verhoor van 22 september 2011 letterlijk uit te laten werken. Juist het door de verdediging bestreden gedeelte van die verklaring, is niet in de door het openbaar ministerie overgelegde transcriptie opgenomen. Bij requisitoir is dit door de advocaat-generaal volledig genegeerd en is uitsluitend uit de (onvolledige) transcriptie geciteerd.

Volgens de raadsman is het Zwolsman-criterium van toepassing en dient de (in zijn woorden) "vervalsing van het proces-verbaal van verhoor van 15 september 2011", in combinatie met de gang van zaken rond het verhoor van 22 september 2011 te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof stelt het volgende vast.

In het proces-verbaal van verhoor van verdachte op 15 september 2011 is als verklaring van verdachte opgenomen: "Ik bracht mijn wapen omhoog en schoot 2 of 3 keer op het raam waar [medeverdachte2] stond. Ik schoot niet gericht op [medeverdachte2] maar naast hem." De raadsman heeft er terecht op gewezen dat deze uitlating van verdachte in de transcriptie, inhoudende de letterlijke weergave van zijn verklaring, niet is terug te vinden. Verdachte heeft blijkens de transcriptie slechts verklaard dat hij in de lucht geschoten heeft.

Blijkens het proces-verbaal van het verhoor verdachte op 22 september 2011 heeft verdachte bij dat verhoor onder meer verklaard: "Toen heb ik twee keer in de lucht geschoten. Ik heb wel 1 keer geschoten tegen het raam om [medeverdachte2] bang te maken". Uit het audiobestand van dat verhoor blijkt dat deze erkenning van het schieten tegen het raam volgt op een confrontatie met het foutief weergegeven deel van het verhoor van 15 september 2011. Dit blijkt echter niet uit het proces-verbaal. In verband hiermee heeft het hof het verzoek van de verdediging om ook dit verhoor letterlijk te laten uitwerken, toegewezen. De raadsman stelt terecht dat in de transcriptie die door het openbaar ministerie is overgelegd, deze passage, waarin het verhoor van 15 september 2011 aan verdachte is voorgehouden, niet is opgenomen.

Vooropgesteld dient te worden dat de afwijking tussen het proces-verbaal van 15 september 2011 en de transcriptie van dat verhoor en de gang van zaken rond het proces-verbaal van 22 september 2011 en de transcriptie van dat verhoor, op zijn minst buitengewoon nalatig en onzorgvuldig te noemen is. De processen-verbaal geven daadwerkelijk een vertekend beeld van de verklaring van verdachte. In het Nederlandse strafproces ligt een belangrijk accent op het voorbereidend onderzoek en de schriftelijke verslaglegging gedurende dit onderzoek. Deelnemers aan een strafproces, alsook de rest van de samenleving, moeten erop kunnen vertrouwen dat processen-verbaal nauwgezet en naar waarheid zijn opgemaakt. De hierboven weergegeven gang van zaken is gelet hierop zeer kwalijk en legt dit vertrouwen in de waagschaal.

Het hof is echter van oordeel dat er geen sprake is van een onrechtmatigheid die van dien aard is dat daarop een processuele sanctie past. In ieder geval is geen sprake van een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij door de betrokken verbalisanten doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan. Immers is bij het proces-verbaal van 15 september 2011 (direct) een transcriptie gevoegd met daarin de letterlijke weergave van het verhoor en waren ook de geluidsbanden van het verhoor van 22 september 2011 ter beschikking van de verdediging. De verdediging heeft daarom kennis kunnen nemen van de volledige en juiste verklaring van verdachte.

Eén en ander leidt daarom niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof volstaat met de constatering dat in de betreffende processen-verbaal een onjuiste indruk is gewekt over de inhoud van de verklaring van verdachte en/of de omstandigheden waaronder hij tot die verklaring is gekomen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

primair:

hij op of omstreeks 27 augustus 2011, te Tripscompagnie, althans in de gemeente Menterwolde, in elk geval in het arrondissement Groningen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een of meer personen, te weten [medeverdachte4] en/of [medeverdachte15] en/of [medeverdachte2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogels heeft afgevuurd op die [medeverdachte4] en/of die [medeverdachte15] en/of die [medeverdachte2],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

1

subsidiair:

hij op of omstreeks 27 augustus 2011, te Tripscompagnie, althans in de gemeente Menterwolde, in elk geval in het arrondissement Groningen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer personen, te weten [medeverdachte4] en/of [medeverdachte15] en/of [medeverdachte2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

- met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogels afgevuurd op en/of in de richting van die [medeverdachte4] en/of die [medeverdachte15] en/of die [medeverdachte2] op en/of in de richting van het pand waarin die [medeverdachte4] en/of die [medeverdachte15] en/of die [medeverdachte2] toen verbleef/verbleven, en/of

- op zodanige wijze dat die [medeverdachte4] en/of die [medeverdachte15] en/of die [medeverdachte2] dat kon(den) waarnemen met een of meer vuurwapens een of meer kogels afgevuurd op en/of in de richting van een auto (Volkswagen Polo).

2.

hij op of omstreeks 27 augustus 2011, te Tripscompagnie, althans in de gemeente Menterwolde, in elk geval in het arrondissement Groningen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een persoon, te weten [medeverdachte10], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

- een of meer vuurwapens op (de/een knie(ën) en/of het hoofd van) die [medeverdachte10] gericht en/of gericht gehouden, althans een of meer vuurwapens aan die [medeverdachte10] getoond en/of hierbij aan die [medeverdachte10] de woorden toegevoegd: "Nu ga je er aan" en/of "je gaat dood", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1 primair:

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat verdachte consequent heeft verklaard dat hij slechts in de lucht heeft geschoten en dat hij die schoten heeft gelost toen hij tegen de muur onder het raam stond. De kogels die in de boerderij zijn aangetroffen zijn niet afkomstig uit verdachtes wapen. Bij schieten in de lucht vanuit de positie waar verdachte stond, kan geen sprake zijn van een aanmerkelijke kans op de dood van de personen die zich achter het raam in de boerderij bevonden. Evenmin kan worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte5] heeft gehandeld. De samenwerking tussen hen was gericht op het aangaan van een gesprek met [medeverdachte2]. De wapens waren niet meegenomen om te schieten, maar alleen ter afdreiging of om serieus genomen te worden door [medeverdachte2]. Zowel [medeverdachte5] als verdachte werden letterlijk overvallen door de gebeurtenissen rondom de boerderij. Indien aangenomen wordt dat [medeverdachte5] door het raam geschoten heeft, is van belang dat verdachte niet de tijd of de gelegenheid heeft gehad om zich daarvan te distantiëren, aldus de raadsman.

Schietincident op personen in de boerderij

Het hof overweegt met betrekking tot de ten laste gelegde poging tot moord/doodslag op [medeverdachte4], [medeverdachte15] en/of [medeverdachte2], terwijl zij achter het raam in de boerderij stonden, als volgt.

Uit het dossier blijkt het volgende.

Op 27 augustus 2011 is meermalen in en/of bij de boerderij aan de [adres] te Tripscompagnie is geschoten. Er was sprake van een conflict tussen [medeverdachte2] ([medeverdachte2]) enerzijds en verdachte en [medeverdachte5] anderzijds. Toen verdachte door [medeverdachte8] werd gevraagd mee te gaan naar de boerderij in Tripscompagnie om het geschil met [medeverdachte2] uit te praten, besloot [medeverdachte5] mee te gaan. Omdat verdachte en [medeverdachte5] hadden begrepen dat [medeverdachte2] tot veel in staat was, zijn zij gewapend met [medeverdachte8] meegegaan.

Onbetwist is dat toen verdachte, diens zonen, en [medeverdachte5] bij de boerderij arriveerden, [medeverdachte2], [medeverdachte15] en [medeverdachte4] zich op de bovenverdieping van de boerderij, bevonden, achter of bij het grote raam aan de achterkant van de boerderij. Zoals hierna bij de bespreking van het onder 2 ten laste gelegde feit aan de orde zal komen, zijn verdachte en [medeverdachte5] uit de auto gestapt en is verdachte als eerste naar [medeverdachte10], die daar in zijn geparkeerde auto zat, toe gelopen. Verdachte had op dat moment een vuurwapen in de hand. [medeverdachte5], eveneens bewapend, heeft zich vervolgens bij verdachte gevoegd. Op de vraag van verdachte waar zijn oom, [medeverdachte2], was, antwoordde [medeverdachte10] 'boven' en wees daarbij naar het raam aan de bovenkant van de boerderij. Toen verdachte en [medeverdachte5] naar het raam boven in de boerderij keken, zagen ze [medeverdachte2] staan met een wapen in zijn hand.

Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte5] stellen dat zij vervolgens - ter afschrikking - alleen in de lucht hebben geschoten. Het hof stelt echter vast dat het dossier ook andersluidende verklaringen bevat waaruit blijkt dat verdachte en/of [medeverdachte5] naar de bovenkant van de boerderij, richting het raam hebben geschoten. Zo heeft [medeverdachte4] bij de politie verklaard: "Vervolgens keek [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) naar boven en zag mij staan. Ik zag dat [verdachte] zijn pistool in mijn richting richtte. Ik ben weggedoken en hoorde gelijk een knal en zag dat er door het raam was geschoten. Ik hoorde terwijl ik over de grond kroop meerdere schoten". [medeverdachte15] heeft op 28 augustus 2011 in diezelfde lijn verklaard: "Ik liep naar het raam. Ik keek naar beneden en zag een Turk en een andere Turk om het huis rennen. Ik hoorde en zag opeens dat de Turk een wapen op mij richtte en zag en hoorde drie knallen". In een latere verklaring zegt [medeverdachte15]: "In de boerderij stond ik voor het grote raam waar doorheen was geschoten. Ik zag dat [medeverdachte4] voor het grote raam stond. Ik hoorde op dat moment geschreeuw van buiten. Kort voor het geschreeuw hoorde ik schoten. Ik zag ineens glas op tafel liggen. Ik zag tevens een kogelgat in het plafond." Het hof hecht ten slotte waarde aan de verklaring van [zoon verdachte], de zoon van verdachte, afgelegd op 30 september 2011 bij de politie, inhoudende: "Mijn vader en [medeverdachte5] stapten uit de auto. Terwijl ze daar stonden, hoorde ik ineens glasgerinkel en een schot tegelijkertijd. Ik zag dat mijn vader of [medeverdachte5] hun handen schuin naar boven gericht hadden en een wapen in de hand had. Ik zag dat mijn vader of [medeverdachte5] die kant op schoten, naar boven toe. [zoon verdachte] heeft zijn vader en verdachte kennelijk niet goed van elkaar kunnen onderscheiden, maar heeft in ieder geval gezien dat één van beiden (schuin) naar boven (gericht) schoot.

Het dossier bevat een proces-verbaal d.d. 20 november 2011 van het sporenonderzoek dat in en bij de boerderij heeft plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat er op het erf aan de achterzijde van de boerderij 4 lege patroonhulzen zijn aangetroffen. Hulzen 1 en 4 zijn aangemerkt als '9mm Luger merk S en B' en de hulzen 2 en 3 zijn aangemerkt als '.32 auto CBC'. Op de rijbaan van de [adres] werd op ongeveer 54 meter vanaf de woning in de berm nog een huls aangetroffen. Deze huls lag ter hoogte van het weiland waardoor [medeverdachte15] is gevlucht.

Door de verbalisanten is in de achtergevel van de woning/boerderij een inschot in het raam op de eerste etage aangetroffen. Er werden geen andere inschoten aangetroffen. Aan de vorm van de beschadiging in de glasruit konden de verbalisanten zien dat er van buiten naar binnen was geschoten. Het projectiel bleek in de gipsplaat in het plafond te zitten. Gelet op de schotbaan zal de afstand van de plaats van de schutter zal ongeveer 5 meter zijn geweest van de achtergevel, aldus verbalisanten.

Ten slotte is onderzoek verricht aan een Volkswagen Polo. Deze auto stond op het erf van de boerderij. In het portier werden munitiedelen aangetroffen.

De aangetroffen patroonhulzen, het projectiel uit het plafond, en de munitiedelen uit het portier van de auto zijn allen veiliggesteld en voor onderzoek verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

Het rapport munitieonderzoek van het NFI d.d. 28 december 2011 houdt als conclusies in:

De twee hulzen voorzien van het bodemstempel "S&B 9 mm Luger" zijn van het kaliber 9 mm Parabellum. De waargenomen overeenkomsten tussen de sporen in de hulzen passen goed bij de hypothese dat deze met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten (hypothese 1). De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 (dat de hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens) juist is.

Het aangetroffen kogeldeel in het portier van de VW Polo past bij kaliber 9 mm Parabellum.

De twee hulzen '.32 auto CBC' die op het erf achter de boerderij zijn aangetroffen en de huls die in de berm op de [adres] is aangetroffen, betreffen hulzen van het kaliber 7,65 mm Browning. De waargenomen overeenkomsten tussen de sporen in de hulzen passen goed bij de hypothese dat deze met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten (hypothese 3). De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn 'zeer veel waarschijnlijker' wanneer hypothese 3 juist is dan wanneer hypothese 4 (dat de hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens) juist is.

Het kogeldeel dat in het plafond in de boerderij is aangetroffen past bij het kaliber 7,65 mm Browning.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat de hulzen 1 en 4 en de kogel in de auto met hetzelfde wapen zijn verschoten, en dat dit een ander wapen is dan waarmee de kogel door het raam/plafond is verschoten. Verdachte heeft erkend dat hij op de VW Polo heeft geschoten. Het hof stelt op basis hiervan vast dat verdachte een wapen heeft gebruikt met munitie van het kaliber 9 mm Parabellum.

Voorts valt uit het voorgaande af te leiden dat de hulzen 2 en 3 en de huls die in de berm van de [adres] is aangetroffen, met hetzelfde wapen zijn verschoten, zijnde een wapen met munitie van het kaliber 7,65 mm Browning. Medeverdachte [medeverdachte5] heeft erkend dat hij een schot heeft gelost toen hij op de weg voor de boerderij stond en dat het kan zijn dat die huls uit zijn wapen afkomstig is. Op basis hiervan wordt vastgesteld dat [medeverdachte5] een wapen heeft gebruikt met munitie van het kaliber 7,65 mm Browning.

Het projectiel dat in het plafond van de boerderij is aangetroffen is ook van het kaliber 7,65 mm Browning.

Uit het dossier blijkt dat van de groep die samen met verdachte de boerderij bezocht slechts verdachte en medeverdachte [medeverdachte5] vuurwapens hanteerden en daarmee hebben geschoten.

Uit voornoemd proces-verbaal van de politie en de verklaringen van [medeverdachte4] ("Ik hoorde gelijk een knal en zag dat er door het raam was geschoten"), [medeverdachte15] ("Kort voor het geschreeuw hoorde ik schoten. Ik zag ineens glas op tafel liggen.") en de verklaring van [zoon verdachte] ("Terwijl ze daar stonden hoorde ik ineens glasgerinkel en een schot tegelijkertijd"), blijkt dat het inschot in het raam veroorzaakt is door een kogel die op 27 augustus 2011 van buiten naar binnen is geschoten.

Nu de kogel die in het plafond is aangetroffen van buiten is afgevuurd en daar geen andere personen met een pistool waren dan verdachte en medeverdachte [medeverdachte5], kan het niet anders zijn dan dat deze kogel door [medeverdachte5] is afgevuurd. Hij was immers degene die een wapen met kaliber 7,65 mm Browning munitie gebruikte. Dat er later door de eigenaar een kogel van hetzelfde kaliber in de bank is aangetroffen, leidt niet tot een ander oordeel.

Uit het feit dat er daadwerkelijk een kogel door het raam is gegaan, blijkt dat medeverdachte [medeverdachte5] naar boven in de richting van het raam heeft geschoten en niet zoals hij zelf heeft verklaard, in de lucht. Ook verdachte heeft richting de bovenverdieping van de boerderij geschoten, zo blijkt uit voornoemde verklaring van [medeverdachte4]. Het hof heeft geen reden aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen nu – zo blijkt uit de behandeling ter zitting – is gebleken dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat het mogelijk is dat hij in de richting van het raam heeft geschoten. De verklaring van verdachte inhoudende dat hij tegen de muur onder het raam stond toen hij schoot - om uit de vuurlinie te blijven -, vindt geen steun in het dossier, nu de hulzen elders op het erf zijn aangetroffen.

Aldus stelt het hof vast dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte5] schoten hebben gelost in de richting van het raam op de bovenverdieping van de boerderij, waarachter [medeverdachte4], [medeverdachte15] en [medeverdachte2] stonden.

Overeenkomstig het oordeel van de rechtbank, het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof niet bewezen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte5] hebben gehandeld met voorbedachten rade om voornoemde personen van het leven te beroven, zodat hiervan zal worden vrijgesproken.

Wel acht het hof bewezen dat er bij verdachte en medeverdachte [medeverdachte5] voorwaardelijk opzet op de dood van voornoemde persoon/personen bestond. Het als ongeoefende schutters meermalen richting een raam aan op de bovenverdieping van de boerderij schieten, alwaar zichtbaar mensen achter staan en zodanig dat het raam daadwerkelijk wordt geraakt door een kogel, roept de aanmerkelijke kans in het leven dat één of meer van die personen dodelijk zullen worden geraakt. Dit handelen is bovendien naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op dat gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte en zijn medeverdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg hebben aanvaard. Contra-indicaties daarvoor heeft het hof niet aangetroffen.

Aldus acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte5] voorwaardelijk opzet op de dood had van [medeverdachte4], [medeverdachte15] en/of [medeverdachte2]. Zij hebben zich tezamen en in vereniging schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op één of meer van deze personen. Nadat zij samen [medeverdachte10] hebben bedreigd (feit 2), waarop hij desgevraagd antwoordde dat [medeverdachte2] boven was, hebben zij, toen ze zagen dat [medeverdachte2] gewapend achter het raam stond, beiden hun getrokken wapen omhoog gebracht en hebben vervolgens allebei richting het raam op de bovenverdieping van de boerderij geschoten. Zij hebben zich aldus aan dezelfde gedraging schuldig gemaakt, gericht op dezelfde persoon/personen. Na afloop zijn zij samen vertrokken. Het voorgaande getuigt van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op voornoemd gevolg.

Schietincident op vluchtende persoon in weiland ([medeverdachte15])

Het hof acht overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman niet bewezen dat verdachte zich - al dan niet tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte5] - schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [medeverdachte15], toen deze na de schietpartij op het erf door een weiland vluchtte.

Feit 2:

Op 28 augustus 2011 heeft [medeverdachte10] aangifte gedaan van bedreiging. Zijn verklaring houdt in dat hij op 28 augustus 2011 in zijn auto zat, die achter de boerderij aan de [adres] in Tripscompagnie stond, en dat er toen een man met een pistool in zijn hand aan kwam. Dit was [verdachte], oftewel verdachte. Verdachte ging bij het geopende portier van de auto staan en richtte het pistool afwisselend op de knieën en het hoofd van [medeverdachte10]. Daarbij zei hij iets waaruit [medeverdachte10] afleidde dat hij bedoelde: "Jij gaat dood". Vervolgens kwam er een tweede persoon aanlopen. Dit betrof medeverdachte [medeverdachte5]. [medeverdachte5] had ook een pistool en hield [medeverdachte10] onder schot. Hij zei daarbij in het Marokkaans: "Jij bent dood". In deze verklaring geeft [medeverdachte10] verder aan dat zijn oom, medeverdachte [medeverdachte2], op vakantie is naar Marokko en dat hij derhalve niet in de boerderij was.

Op 9 mei 2012 is [medeverdachte10] bij de rechter-commissaris gehoord. In deze verklaring komt hij deels terug op zijn verklaring van 28 augustus 2011. [medeverdachte10] verklaart dat zijn oom [medeverdachte2] op 27 augustus 2011 wel in de boerderij was. Hij verklaart verder: "[medeverdachte5] en [verdachte], ik weet zijn echte naam niet, kwamen uit de auto. [medeverdachte5] en [verdachte] kwamen op mij aflopen. Ze waren boos. Ze hadden een wapen bij zich, volgens mij allebei één. Ze vroegen aan mij waar mijn oom was. Ze hebben mij niet met een wapen gedreigd. U houdt mij pagina 3 van mijn aangifte d.d. 27 augustus 2011 (het hof begrijpt: 28 augustus 2011) voor. Zoals het daar staat is het niet gebeurd. Ik moest dit zo zeggen van mijn oom. In opdracht van mijn oom heb ik niet over zijn aanwezigheid gesproken. Ik moest zeggen dat hij in Marokko was."

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte5] hebben beiden ontkend dat zij een wapen op [medeverdachte10] hebben gericht. Ze hadden wel een wapen bij zich. Verdachte heeft hieromtrent op 15 september 2011 verklaard: "Ik liep naar de persoon die in de auto zat. Ik trok mijn pistool en hield dit in mijn hand. Ik zei tegen hem: "Waar is [medeverdachte2] (het hof begrijpt: [medeverdachte2])".

Vast staat dat [medeverdachte2] op 27 augustus 2011 in de boerderij in Tripscompagnie aanwezig was. De verklaring van [medeverdachte10] op 28 augustus 2011 is daarmee op onderdelen aantoonbaar onjuist. De verklaring van [medeverdachte10] bij de rechter-commissaris sluit aan op de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte5]. Daarnaast heeft ook aangevers broer [medeverdachte4] verklaard dat zij van hun oom niet mochten zeggen dat zijn oom in de boerderij was. Het hof acht het gelet op het voorgaande aannemelijk dat [medeverdachte10] de verklaring van 28 augustus 2011 in overleg met zijn oom heeft afgelegd, en dat die verklaring ten nadele van de 'tegenpartij' – verdachte en medeverdachte [medeverdachte5] - is aangepast/aangedikt. Het hof hecht daarom geen waarde aan de verklaring van [medeverdachte10] dat verdachte het pistool afwisselend op de knieën en het hoofd van [medeverdachte10] heeft gericht en dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte5] hebben gezegd dat verdachte dood was/moest.

Het voorgaande laat onverlet dat verdachte onverwacht met een vuurwapen in zijn hand op [medeverdachte10] is afgekomen, van wie hij vervolgens - terwijl hij het vuurwapen zichtbaar in zijn handen hield - informatie wilde. Vervolgens voegde een tweede gewapende man - [medeverdachte5] - zich bij verdachte. Het hof is van oordeel dat door dit handelen bij [medeverdachte10] de redelijke vrees kon ontstaan dat wanneer hij de gevraagde informatie niet zou geven, de mannen hun wapens zouden gebruiken waardoor hij het leven zou kunnen laten.

Aldus kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte5] schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [medeverdachte10].

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig bewezen en heeft het hof de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

primair:

hij op 27 augustus 2011, te Tripscompagnie, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk personen, te weten [medeverdachte4] en/of [medeverdachte15] en/of [medeverdachte2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet, met vuurwapens kogels heeft afgevuurd op die [medeverdachte4] en/of die [medeverdachte15] en/of die [medeverdachte2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

hij op 27 augustus 2011, te Tripscompagnie, tezamen en in vereniging met een ander, een persoon, te weten [medeverdachte10], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend

- vuurwapens aan die [medeverdachte10] getoond.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof een beroep gedaan op noodweer, voor het geval er een bewezenverklaring mocht volgen ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. Of [medeverdachte2] als eerste heeft geschoten of niet, is daarvoor niet relevant. Verdachte zag hem met een wapen en hoorde vervolgens schoten. Mogelijk waren dit schoten die door [medeverdachte5] werden gelost. In ieder geval had verdachte redenen om aan te nemen dat men het op hem voorzien had en dat er jegens hem een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding plaatsvond. Ter verdediging, heeft hij daarop gereageerd door ook schoten te lossen. Bovendien was er sprake van een heftige gemoedsbeweging, wat de mogelijkheid biedt voor noodweerexces, aldus de raadsman.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het begane feit geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is vereist dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een aanranding als hiervoor bedoeld.

Gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer kunnen onder omstandigheden in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) door de verdachte. Dat is bijvoorbeeld het geval indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie.

Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van zodanige omstandigheden die aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) in de weg staan, waarbij het er niet toe doet of er als eerste door [medeverdachte2] vanuit de boerderij is geschoten (bijvoorbeeld via een openstaand raam).

De verdachte en medeverdachte [medeverdachte5] zijn bewapend naar de boerderij gegaan en verwachtten ook dat [medeverdachte2] - die hen reeds ernstig bedreigd had - een wapen zou hebben. Zij hebben zich vervolgens zichtbaar met een wapen in de hand op het erf begeven en hebben de neef van [medeverdachte2] daarmee bedreigd.

Onder die omstandigheden moesten de verdachten er naar het oordeel van het hof niet alleen ernstig rekening mee houden dat er vanuit de tegenpartij - met gelijke middelen - gewelddadig gereageerd zou worden (hetzij door te dreigen met een wapen, hetzij door daarmee te schieten op verdachte en zijn medeverdachte), maar hebben verdachte en zijn medeverdachte die gewelddadige reactie ook geprovoceerd. In zo'n geval kan niet gezegd worden dat het feit is begaan in een situatie waarin voor de verdachte de noodzaak bestond tot verdediging, noch als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding, en komt verdachte geen beroep op die strafuitsluitingsgrond toe.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 27 augustus 2011 aan een ernstig feit schuldig gemaakt. Hij is samen met medeverdachte [medeverdachte5] naar de woning van [medeverdachte2] in Tripscompagnie gegaan en heeft zich aldaar samen met [medeverdachte5] schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [medeverdachte4], [medeverdachte15] en/of [medeverdachte2]. Uit het dossier blijkt dat er na de komst van verdachte en medeverdachte [medeverdachte5] op de boerderij in Tripscompagnie een soort 'wild west situatie' is ontstaan, waarbij meerdere schoten zijn gelost en waarbij het een wonder mag heten dat er niemand gewond is geraakt. Door aldus te handelen heeft verdachte samen met zijn mededader ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Daarnaast is het gevoel van veiligheid in de samenleving in het algemeen aangetast. Toevallige passanten zijn op klaarlichte dag met een schietpartij geconfronteerd en aldus ongewild in een zeer bedreigende situatie beland.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met de omstandigheden die verdachte aanleiding hebben gegeven zich te bewapenen en naar de boerderij in Tripscompagnie te gaan. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte2] voorafgaand aan de schietpartij ernstige bedreigingen heeft geuit jegens verdachte en zijn gezin. Ingegeven door de angst dat zijn gezin onherstelbaar leed zou worden toegebracht, voelde verdachte zich naar eigen zeggen genoodzaakt om zich te bewapenen om aldus zijn gezin te kunnen beschermen. Hoewel hetgeen verdachte heeft verklaard, zijn handelen enigszins inzichtelijk en voorstelbaar maakt, blijft dit onacceptabel en strafwaardig. Door met vuurwapens naar [medeverdachte2] toe te gaan, hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte5] de voorwaarden voor een schietpartij zelf gecreëerd. De omstandigheden die maakten dat het volgens hen nodig was om wapens mee te nemen, hadden reden moeten zijn om niet ter plaatse te gaan. Partijen hadden er ook voor kunnen kiezen om het gesprek op een meer neutrale plek aan te gaan.

Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit een reclasseringsadvies d.d. 28 november 2011 en zoals die ter terechtzitting van het hof aan de orde zijn gekomen. Tot het onderhavige delict had verdachte zijn leven op orde. Nadat hij met zijn gezin uit Syrië was gevlucht, heeft hij een bestaan in Nederland opgebouwd. Verdachte verrichtte aanvankelijk productiewerk, maar is vanwege lichamelijke klachten (onder meer hartklachten en suikerziekte) afgekeurd. Hij ontvangt nu een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Zijn gezin is het allerbelangrijkste voor verdachte. Deze zeer beschermende opstelling heeft een grote rol gespeeld bij de totstandkoming van het onderhavige delict. Uit angst, frustratie en onmacht heeft hij de keuze gemaakt om naar [medeverdachte2] toe te gaan. Verdachte ziet nu in dat hij andere keuzes had kunnen en moeten maken en heeft spijt van zijn handelen. De reclassering schat het recidiverisico laag in. Het voorgaande wekt de indruk dat het gebeuren op 27 augustus 2011 een eenmalig incident is geweest. Dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 14 maart 2014 niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, versterkt die indruk.

Het hof komt gezien de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en die aanleiding hebben gegeven tot verdachtes handelen, tot een lichtere straf dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, passend en geboden.

Beslag

Blijkens het proces-verbaal wapenonderzoek d.d. 21 november 2011 is het in de woning van verdachte inbeslaggenomen balletjespistool een wapen in de zin van artikel 2 lid 1, categorie 1 onder 7 van de Wet Wapens en munitie. Ingevolge artikel 13 jo. artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie is het verboden een dergelijk wapen voorhanden te hebben. Met betrekking tot dit wapen is derhalve - door verdachte of één van zijn huisgenoten - een strafbaar feit begaan.

Gezien het voorgaande zal het balletjespistool aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 190,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 47, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een balletjespistool.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde3] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 190,00 (honderdnegentig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde3], een bedrag te betalen van € 190,00 (honderdnegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. G.M. Meijer-Campfens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 26 mei 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.