Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4266

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
ks 21-002387-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Megazaak Golfclub, onderzoek Mineermot.

Verwerping verweer niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie, vanwege het niet voldoen aan het verzoek van de verdediging om alle zaakdossiers uit het onderzoek Golfclub aan de verdediging ter beschikking te stellen. Geen sprake van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Verdachte is niet in zijn verdediging geschaad.

Bewijsoverweging voorwaardelijk opzet op de dood. Aanmerkelijke kans dat personen door een kogel zouden worden geraakt.

Verdachte wordt veroordeeld ter zake van medeplegen van poging tot doodslag, nog een poging tot doodslag en medeplegen van bedreiging. Verwerping beroep op noodweer(-exces). Sprake van omstandigheden die aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) in de weg staan.

Zeer ernstige feiten. Gezien de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en die aanleiding hebben gegeven tot verdachtes handelen, komt het hof echter tot een lichtere straf dan door de rechtbank is opgelegd (8 jr), en door de AG is gevorderd (7 jr). Er wordt een gevangenisstraf opgelegd van 5 jaren m.a.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002387-13

Uitspraak d.d.: 26 mei 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 27 december 2012 met parketnummer 18-630505-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1987],

thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 17 juni 2013, 11 september 2013, 2 december 2013, 19 december 2013, 20 februari 2014, 17 maart 2014, 8 en 10 april 2014, 12 mei 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 primair (poging tot doodslag) en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij Van Eijden dient hoofdelijk te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.B. Boone, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu niet is voldaan aan het verzoek van de verdediging om alle zaakdossiers uit het onderzoek 'Golfclub' aan de verdediging ter beschikking te stellen. Er is sprake van een grove schending van de rechten van de verdachte en strijd met de goede procesorde.

Het hof stelt de volgende gang van zaken vast.

Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling op de terechtzitting van 8 april 2014 heeft de raadsman voor het eerst het verzoek gedaan om de beschikking te krijgen over alle zaakdossiers uit het onderzoek Golfclub, en heeft in dat kader om aanhouding van de zaak verzocht. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten hebben plaatsgevonden in/bij een boerderij in Tripscompagnie, net als de feiten uit het zaakdossier Zeespin. Naast het kogeldeel dat in het plafond van de boerderij is aangetroffen, is door de eigenaar van de boerderij ongeveer 2 weken na het incident nog een kogelpunt aangetroffen. Uit het dossier blijkt niet waar die kogelpunt vandaan komt. Er is slechts één inschot waargenomen. Mogelijk is er in de zaak Zeespin ook geschoten en zit er in dat zaakdossier een proces-verbaal dat informatie geeft over het kogeldeel dat door de eigenaar in de boerderij is aangetroffen. Nu de verdediging niet over alle dossiers beschikt, kan de verdediging een en ander niet nagaan. Voor de beoordeling van de onderhavige zaak is het nodig dat de verdediging weet wat er in andere zaken is gebeurd. Het is in strijd met het beginsel van “equality of arms” dat het openbaar ministerie en het hof wel over alle zaakdossiers beschikken, en de verdediging niet.

Het hof heeft voornoemd verzoek van de raadsman ter zitting afgewezen, aangezien de noodzaak van het ter beschikking stellen van alle zaakdossiers niet was gebleken. Deze beslissing is bij monde van de voorzitter als volgt gemotiveerd: "Er is geen aanleiding te veronderstellen dat in andere zaakdossiers gegevens zitten die van belang zijn voor de feiten die verdachte verweten worden. Er is geen proces-verbaal over het door de eigenaar aangetroffen kogeldeel, niet in deze zaak en ook niet in andere zaken. De raadsman kan bij pleidooi aangeven wat volgens hem de consequenties moeten zijn van het feit dat er op 2 verschillende plekken kogeldelen zijn aangetroffen. Er is geen sprake van een schending van het beginsel van "equality of arms".

Na de afwijzing van het verzoek heeft de raadsman verklaard - en daarvan akte gevraagd - dat het hof de verdediging in zijn optiek aldus de mogelijkheid heeft onthouden te controleren of er in de andere zaakdossiers inderdaad geen informatie zit die voor de onderhavige zaak van belang is.

Tijdens het repliek is gebleken dat het de verdediging (ook) vooral gaat om informatie die in andere dossiers zou zitten over de aanslag met een molotovcocktail op de woning van verdachte, hetgeen een rol speelt bij de aanleiding van de in deze zaak ten laste gelegde feiten. Volgens verdachte werd een medeverdachte in eerste aanleg door de rechter geconfronteerd met een verklaring van [getuige1], waarin zij zegt dat de avond voor de aanslag door [medeverdachte2] werd gesproken over de aanslag en dat [medeverdachte7] en [medeverdachte15] het hebben uitgevoerd. Daarbij zou ook zijn voorgehouden dat [medeverdachte8] volgens [getuige1] had gezegd dat hij wist hoe je een molotovcocktail maakt.

De oudste raadsheer heeft vervolgens ter zitting de verklaring van [getuige1] op p. 108 van het dossier Zeespin voorgehouden, waarin zij onder meer zegt: "Er werden toen plannen gemaakt om bommen te maken. [medeverdachte8] wist hoe ze molotovcocktails moesten maken. Ze wilden de mensen in Winschoten voor zijn. Ik weet niet of ze ook gebruik hebben gemaakt van deze molotovcocktails".

De verdachte heeft bevestigd dat dit de verklaring was waar hij op doelde en dat hij van die verklaring kennis heeft genomen tijdens de gelijktijdige behandeling van zijn zaak met de zaken van anderen bij de rechtbank. [getuige1] had daarin volgens hem verder verklaard dat ze op een gegeven moment terugkwamen uit Den Haag, dat ze overstuur waren, dat [medeverdachte8] cocaïne had gestolen en dat verdachte hem verraden had. Omdat die mensen nu [medeverdachte8] wilden pakken, moesten ze iets in Winschoten doen, namelijk wraak nemen op verdachte.

Vervolgens heeft de voorzitter een deel van de verklaring van [getuige1] bij de rechter-commissaris voorgehouden, inhoudende: "Toen er over molotovcocktails werd gesproken waren we in Tripscompagnie. Toen was het al wat geëscaleerd. Zijn neefjes van 10 en 12 waren erbij. Hij zou ons naar het huis van zijn zus brengen. [medeverdachte8] kreeg telefoon uit Den Haag. [medeverdachte2] vroeg toen aan [medeverdachte8] of hij molotovcocktails kon maken, wat hij bevestigde."

De voorzitter heeft erop gewezen dat anders dan verdachte meende, deze verklaring niet inhoudt dat er afspraken zijn gemaakt om op een bepaald moment jegens verdachte een aanslag met een molotovcocktail te plegen, en evenmin door wie die aanslag zou zijn uitgevoerd. Er zijn bovendien geen aanwijzingen dat dergelijke informatie in andere dossiers (wel) aanwezig is.

De raadsman heeft naar aanleiding van het voorgaande en op basis van hetgeen hij bij pleidooi naar voren heeft gebracht - inhoudende dat er een overeenkomst is tussen de modus operandi van medeverdachte [medeverdachte2] ([medeverdachte2]) in de zaak Zeespin en in de onderhavige zaak - opnieuw verzocht om de beschikking te krijgen over alle zaakdossiers en om de behandeling van de zaak daartoe aan te houden.

Dit verzoek is ter terechtzitting afgewezen en als volgt gemotiveerd: "De manier waarop het woord molotovcocktail in het volledige Golfclubdossier naar voren komt, geeft het hof geen reden om het volledige dossier aan de verdediging te overleggen. Dit is niet noodzakelijk. De beslissing op het eerdere verzoek van de raadsman is derhalve niet anders."

Het hof stelt vast dat de aanname van de verdediging dat er in zaakdossier Zeespin en andere dossiers van Golfclub relevante informatie zit over wie de aanslag met molotovcocktails op het huis van verdachte heeft gepleegd, op een misvatting berust. De verklaringen van [getuige1] over [medeverdachte8], waarvan verdachte heeft aangegeven dat hij daarvan op de hoogte is geraakt bij de gezamenlijke behandeling bij de rechtbank, zijn aan hem voorgehouden. Verder is er geen aanleiding om te veronderstellen dat de andere dossiers informatie bevat die voor de zaak van verdachte van belang kan zijn. Dat er een aanslag met molotovcocktails op de woning van verdachte heeft plaatsgevonden, wordt overigens door het hof niet in twijfel getrokken.

Er is geen sprake van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Verdachte is niet in zijn verdediging geschaad. Het verweer wordt verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

primair:

hij op of omstreeks 27 augustus 2011, te Tripscompagnie, althans in de gemeente Menterwolde, in elk geval in het arrondissement Groningen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een of meer personen, te weten [medeverdachte4] en/of [medeverdachte15] en/of [medeverdachte2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogels heeft afgevuurd op die [medeverdachte4] en/of die [medeverdachte15] en/of die [medeverdachte2],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

1

subsidiair:

hij op of omstreeks 27 augustus 2011, te Tripscompagnie, althans in de gemeente Menterwolde, in elk geval in het arrondissement Groningen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer personen, te weten [medeverdachte4] en/of [medeverdachte15] en/of [medeverdachte2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

- met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogels afgevuurd op en/of in de richting van die [medeverdachte4] en/of die [medeverdachte15] en/of die [medeverdachte2] op en/of in de richting van het pand waarin die [medeverdachte4] en/of die [medeverdachte15] en/of die [medeverdachte2] toen verbleef/verbleven, en/of

- op zodanige wijze dat die [medeverdachte4] en/of die [medeverdachte15] en/of die [medeverdachte2] dat kon(den) waarnemen met een of meer vuurwapens een of meer kogels afgevuurd op en/of in de richting van een auto (Volkswagen Polo).

2.

hij op of omstreeks 27 augustus 2011, te Tripscompagnie, althans in de gemeente Menterwolde, in elk geval in het arrondissement Groningen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een persoon, te weten [medeverdachte10], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

- een of meer vuurwapens op (de/een knie(ën) en/of het hoofd van) die [medeverdachte10] gericht en/of gericht gehouden, althans een of meer vuurwapens aan die [medeverdachte10] getoond en/of hierbij aan die [medeverdachte10] de woorden toegevoegd: "Nu ga je er aan" en/of "je gaat dood", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1 primair:

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte van het primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij onder meer aangevoerd dat er geen sprake is van voorbedachten rade en (voorwaardelijk) opzet op de dood van de in de tenlastelegging genoemde personen. Verdachte heeft enkel in de lucht geschoten. Er was geen aanmerkelijke kans dat personen die achter het raam in de boerderij stonden, door een kogel zouden worden geraakt. Niet kan worden bewezen dat de kogel die in het plafond van de boerderij is aangetroffen, door verdachte is afgeschoten. Het wapen dat verdachte heeft gebruikt is niet gevonden en het is maar zeer de vraag of de kogel niet al eerder in dat plafond zat. Daar komt bij dat twee weken na het incident door de eigenaar van de boerderij een kogeldeel in/op de bank in de boerderij is aangetroffen. Nu er slechts één kogelgat in het raam is aangetroffen, draagt dit bij aan de stelling dat het niet verdachte is geweest die de kogel in het plafond heeft geschoten. Derhalve valt niet uit te sluiten dat er al eerder op de boerderij in Tripscompagnie is geschoten. Zonder verklaring voor de twee kogeldelen kan de in het plafond aangetroffen kogel niet bijdragen aan het bewijs dat verdachte op het raam heeft geschoten, aldus de raadsman.

Schietincident op personen in de boerderij

Het hof overweegt met betrekking tot de ten laste gelegde poging tot moord/doodslag op [medeverdachte4], [medeverdachte15] en/of [medeverdachte2], terwijl zij achter het raam in de boerderij stonden, als volgt.

Uit het dossier blijkt het volgende.

Op 27 augustus 2011 is meermalen in en/of bij de boerderij aan de [adres] te Tripscompagnie geschoten.

Er was sprake van een conflict tussen [medeverdachte2] ([medeverdachte2]) enerzijds en medeverdachte [medeverdachte6] en verdachte anderzijds. Toen [medeverdachte6] door [medeverdachte8] werd gevraagd mee te gaan naar de boerderij in Tripscompagnie om het geschil met [medeverdachte2] uit te praten, besloot verdachte mee te gaan. Verdachte had het vermoeden dat er in opdracht van [medeverdachte2] een molotovcocktail op zijn huis was gegooid en had gehoord dat [medeverdachte2] iemand wilde betalen om hem, verdachte, te vermoorden. Omdat [medeverdachte6] en verdachte hadden begrepen dat [medeverdachte2] tot veel in staat was, zijn zij gewapend met [medeverdachte8] meegegaan.

Onbetwist is dat toen verdachte, [medeverdachte6] en diens zonen bij de boerderij arriveerden, [medeverdachte2], [medeverdachte15] en [medeverdachte4] zich op de bovenverdieping van de boerderij bevonden, achter of bij het grote raam aan de achterkant van de boerderij. Zoals hierna bij de bespreking van het onder 2 ten laste gelegde feit aan de orde zal komen, zijn verdachte en [medeverdachte6] uit de auto gestapt en is [medeverdachte6] daarna als eerste naar [medeverdachte10], die daar in zijn geparkeerde auto zat, toe gelopen. [medeverdachte6] had op dat moment een vuurwapen in de hand. Verdachte, eveneens bewapend, heeft zich vervolgens bij [medeverdachte6] gevoegd. Op de vraag van [medeverdachte6] waar zijn oom, [medeverdachte2], was, antwoordde [medeverdachte10] 'boven' en wees daarbij naar het raam aan bovenkant van de boerderij. Toen [medeverdachte6] en verdachte naar het raam boven in de boerderij keken, zagen ze [medeverdachte2] staan met een wapen in zijn hand.

Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte6] stellen dat zij vervolgens - ter afschrikking - alleen in de lucht hebben geschoten. Het hof stelt echter vast dat het dossier andersluidende verklaringen bevat waaruit blijkt dat verdachte en/of [medeverdachte6] naar de bovenkant van de boerderij, richting het raam heeft/hebben geschoten. Zo heeft [medeverdachte4] bij de politie verklaard: "Vervolgens keek [medeverdachte6] (het hof begrijpt: [medeverdachte6]) naar boven en zag mij staan. Ik zag dat [medeverdachte6] zijn pistool in mijn richting richtte. Ik ben weggedoken en hoorde gelijk een knal en zag dat er door het raam was geschoten. Ik hoorde terwijl ik over de grond kroop meerdere schoten". [medeverdachte15] heeft op 28 augustus 2011 in diezelfde lijn verklaard: "Ik liep naar het raam. Ik keek naar beneden en zag een Turk en een andere Turk om het huis rennen. Ik hoorde en zag opeens dat de Turk een wapen op mij richtte en zag en hoorde drie knallen". In een latere verklaring zegt [medeverdachte15]: "In de boerderij stond ik voor het grote raam waar doorheen was geschoten. Ik zag dat [medeverdachte4] voor het grote raam stond. Ik hoorde op dat moment geschreeuw van buiten. Kort voor het geschreeuw hoorde ik schoten. Ik zag ineens glas op tafel liggen. Ik zag tevens een kogelgat in het plafond." Het hof hecht ten slotte waarde aan de verklaring van [zoon medeverdachte6], de zoon van medeverdachte [medeverdachte6], afgelegd op 30 september 2011 bij de politie, inhoudende: "Mijn vader en [verdachte] stapten uit de auto. Terwijl ze daar stonden, hoorde ik ineens glasgerinkel en een schot tegelijkertijd. Ik zag dat mijn vader of [verdachte] hun handen schuin naar boven gericht hadden en een wapen in de hand had. Ik zag dat mijn vader of [verdachte] die kant op schoten, naar boven toe.” [zoon medeverdachte6] heeft zijn vader en verdachte kennelijk niet goed van elkaar kunnen onderscheiden, maar heeft in ieder geval gezien dat één van beiden (schuin) naar boven (gericht) schoot.

Het dossier bevat een proces-verbaal d.d. 20 november 2011 van het sporenonderzoek dat in en bij de boerderij heeft plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat er op het erf aan de achterzijde van de boerderij 4 lege patroonhulzen zijn aangetroffen. Hulzen 1 en 4 zijn aangemerkt als '9mm Luger merk S en B' en de hulzen 2 en 3 als '.32 auto CBC'. Op de rijbaan van de Tripscompagnieweg werd op ongeveer 54 meter vanaf de woning in de berm nog een huls aangetroffen. Deze huls lag ter hoogte van het weiland waardoor [medeverdachte15] is gevlucht.

Door de verbalisanten is in de achtergevel van de woning/boerderij een inschot in het raam op de eerste etage aangetroffen. Er werden geen andere inschoten aangetroffen. Aan de vorm van de beschadiging in de glasruit konden de verbalisanten zien dat er van buiten naar binnen was geschoten. Het projectiel bleek in de gipsplaat in het plafond te zitten. Gelet op de schotbaan zal de afstand van de plaats van de schutter ongeveer 5 meter zijn geweest van de achtergevel, aldus verbalisanten.

Ten slotte is onderzoek verricht aan een Volkswagen Polo. Deze auto stond op het erf van de boerderij. In het portier werden munitiedelen aangetroffen.

De aangetroffen patroonhulzen, het projectiel uit het plafond, en de munitiedelen uit het portier van de auto zijn allen veiliggesteld en voor onderzoek verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

Het rapport munitieonderzoek van het NFI d.d. 28 december 2011 houdt als conclusies in:

De twee hulzen voorzien van het bodemstempel "S&B 9 mm Luger" zijn van het kaliber 9 mm Parabellum. De waargenomen overeenkomsten tussen de sporen in de hulzen passen goed bij de hypothese dat deze met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten (hypothese 1). De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 (dat de hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens) juist is.

Het aangetroffen kogeldeel in het portier van de VW Polo past bij kaliber 9 mm Parabellum.

De twee hulzen '.32 auto CBC' die op het erf achter de boerderij zijn aangetroffen en de huls die in de berm op de Tripscompagnieweg is aangetroffen, betreffen hulzen van het kaliber 7,65 mm Browning. De waargenomen overeenkomsten tussen de sporen in de hulzen passen goed bij de hypothese dat deze met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten (hypothese 3). De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn 'zeer veel waarschijnlijker' wanneer hypothese 3 juist is dan wanneer hypothese 4 (dat de hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens) juist is.

Het kogeldeel dat in het plafond in de boerderij is aangetroffen past bij het kaliber 7,65 mm Browning.

Het hof leidt uit voornoemde uitkomsten af dat de hulzen 1 en 4 en de kogel in de auto met hetzelfde wapen zijn verschoten, en dat dit een ander wapen is dan waarmee de kogel door het raam/plafond is verschoten. Medeverdachte [medeverdachte6] heeft erkend dat hij op de VW Polo heeft geschoten. Het hof stelt op basis hiervan vast dat [medeverdachte6] een wapen heeft gebruikt met munitie van het kaliber 9 mm Parabellum.

Voorts valt uit het voorgaande af te leiden dat de hulzen 2 en 3 en de huls die in de berm van de Tripscompagnieweg is aangetroffen, met hetzelfde wapen zijn verschoten, zijnde een wapen met munitie van het kaliber 7,65 mm Browning. Verdachte heeft erkend dat hij een schot heeft gelost toen hij op de weg voor de boerderij stond en dat het kan zijn dat die huls uit zijn wapen afkomstig is. Op basis hiervan wordt vastgesteld dat verdachte een wapen heeft gebruikt met munitie van het kaliber 7,65mm Browning.

Het projectiel dat in het plafond van de boerderij is aangetroffen is ook van het kaliber 7,65 mm Browning.

Uit het dossier blijkt dat van de groep die samen met verdachte de boerderij bezocht slechts verdachte en medeverdachte [medeverdachte6] vuurwapens hanteerden en daarmee hebben geschoten.

Uit voornoemd proces-verbaal van de politie en de verklaringen van [medeverdachte4] ("Ik hoorde gelijk een knal en zag dat er door het raam was geschoten"), [medeverdachte15] ("Kort voor het geschreeuw hoorde ik schoten. Ik zag ineens glas op tafel liggen.") en de verklaring van [zoon medeverdachte6] ("Terwijl ze daar stonden hoorde ik ineens glasgerinkel en een schot tegelijkertijd"), blijkt dat het inschot in het raam veroorzaakt is door een kogel die op 27 augustus 2011 van buiten naar binnen is geschoten. Dit was niet al eerder gebeurd, zoals de raadsman heeft geopperd.

Nu de kogel die in het plafond is aangetroffen van buiten is afgevuurd en daar geen andere personen met een pistool waren dan verdachte en medeverdachte [medeverdachte6], kan het niet anders zijn dan dat deze kogel door verdachte is afgevuurd. Hij was immers degene die een wapen met kaliber 7,65 mm Browning munitie gebruikte. Dat er later door de eigenaar een kogel van hetzelfde kaliber in de bank is aangetroffen, leidt niet tot een ander oordeel.

Uit het feit dat er daadwerkelijk een kogel door het raam is gegaan, blijkt dat verdachte naar boven in de richting van het raam heeft geschoten en niet zoals hij zelf heeft verklaard, in de lucht. Ook medeverdachte [medeverdachte6] heeft richting de bovenverdieping van de boerderij geschoten, zo blijkt uit voornoemde verklaring van [medeverdachte4]. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte6] bij de rechter-commissaris inhoudende dat hij tegen de muur onder het raam stond toen hij schoot - om uit de vuurlinie te blijven -, vindt geen steun in het dossier, nu de hulzen elders op het erf zijn aangetroffen.

Aldus stelt het hof vast dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte6] schoten hebben gelost in de richting van het raam op de bovenverdieping van de boerderij, waarachter [medeverdachte4], [medeverdachte15] en [medeverdachte2] stonden.

Overeenkomstig het oordeel van de rechtbank, het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof niet bewezen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte6] hebben gehandeld met voorbedachten rade om voornoemde personen van het leven te beroven, zodat hiervan zal worden vrijgesproken.

Wel acht het hof bewezen dat er bij verdachte en medeverdachte [medeverdachte6] voorwaardelijk opzet op de dood van voornoemde persoon/personen bestond. Het als ongeoefende schutters meermalen richting een raam op de bovenverdieping van de boerderij schieten, alwaar zichtbaar mensen achter staan en zodanig dat het raam eenmaal daadwerkelijk wordt geraakt door een kogel, roept de aanmerkelijke kans in het leven dat één of meer van die personen dodelijk zullen worden geraakt. Dit handelen is bovendien naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op dat gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte en medeverdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg hebben aanvaard. Contra-indicaties daarvoor heeft het hof niet aangetroffen.

Aldus acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte6] voorwaardelijk opzet had op de dood van [medeverdachte4], K.P. [medeverdachte15] en/of M. [medeverdachte2]. Zij hebben zich tezamen en in vereniging schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op één of meer van deze personen. Nadat zij samen [medeverdachte10] hebben bedreigd (feit 2), waarop hij desgevraagd antwoordde dat [medeverdachte2] boven was, hebben zij, toen ze zagen dat [medeverdachte2] gewapend achter het raam stond, beiden hun getrokken wapen omhoog gebracht en vervolgens allebei richting het raam op de bovenverdieping van de boerderij geschoten. Zij hebben zich aldus aan dezelfde gedraging schuldig gemaakt, gericht op dezelfde persoon/personen. Na afloop zijn zij samen vertrokken. Het voorgaande getuigt van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op voornoemd gevolg.

Schietincident op vluchtende persoon in weiland ([medeverdachte15])

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte6] zich schuldig hebben gemaakt aan poging tot moord op [medeverdachte15], toen deze vanuit de boerderij door het weiland vluchtte.

Ten aanzien hiervan heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van voorbedachten rade en evenmin van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [medeverdachte15]. Verdachte heeft niet gericht op [medeverdachte15] geschoten, maar in de lucht. De verklaringen van [getuige4], [getuige5] en [medeverdachte8] geven geen betrouwbaar beeld en kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt, aldus de raadsman.

Uit het dossier blijkt het volgende.

[medeverdachte15] heeft verklaard dat toen hij in de woonkamer stond en er werd geschoten, hij door een raam is geklommen en vervolgens een weiland in is gevlucht. Terwijl hij door het weiland rende, werd hij beschoten.

[medeverdachte15] heeft deze verklaring bij de rechter-commissaris in zoverre herroepen dat hij ontkent te zijn beschoten toen hij het weiland invluchtte. Deze verklaring heeft [medeverdachte15] als getuige ter zitting van het hof herhaald.

Verdachte heeft erkend dat hij na het schieten op het erf bij de boerderij, nog een keer heeft geschoten toen hij op de weg stond. Dit zou echter geen gericht schot zijn geweest, maar een schot in de lucht, aldus verdachte.

Het hof volgt verdachte niet in deze verklaring en acht wel bewezen dat verdachte in de richting van [medeverdachte15] heeft geschoten. De herroepen verklaring van [medeverdachte15] acht het hof evenals de advocaat-generaal niet geloofwaardig. Het hof baseert dit oordeel op het volgende.

[medeverdachte8] heeft verklaard: "We stonden op de openbare weg met de auto en ik zag op dat moment [verdachte] ter hoogte van de openbare weg/gras/berm richting de weilanden schieten. Ik zag toen ook een persoon in het weiland rennen, daar waar [verdachte] naar toe schoot. [verdachte] had een zwarte bodywarmer aan. De persoon die in de richting van het weiland schoot, had een zwarte bodywarmer aan. Ik kon het vuurwapen niet zien omdat ik tegen de rug van [verdachte] aan keek. Ik hoorde wel dat hij schoot. Daarnaast zag ik dat [verdachte] zijn armen niet langs zijn lichaam droeg. Ik zag bij het horen van de schoten dat het lichaam van [verdachte] bewoog van de terugslag van het wapen."

Anders dan de verdediging heeft bepleit, acht het hof deze verklaring bruikbaar voor het bewijs. Het betreft een gedetailleerde verklaring en de verklaring geeft goed weer hoe [medeverdachte8] tot zijn stelling komt dat verdachte schoot. Het hof acht dit een plausibele, geloofwaardige verklaring en ziet geen reden om hieraan te twijfelen. Bovendien staat deze verklaring niet op zichzelf.

De verklaring van [medeverdachte8] wordt gesteund door de verklaring van [getuige4], die aan de [adres] woont. [getuige4]: "Op 27 augustus 2011 rond half 8 reden we richting Veendam. Ik hoorde een geluid als van knappertjes. Ik zag dat er iemand in het weiland weg sprintte met een grijs vest. Ik zag een auto die stapvoets reed met aan weerszijden twee jongens/mannen. Er was een jongen bij met een zwart vest. We keken achterom en ik zag een jongen met een zwart vest met een pistool schieten. Volgens mij was dat de jongen die rechts van die auto liep en dan achteraan. Die schoot. U vraagt mij hoe ik dat weet, dat hij schoot. Ik zag dat hij een houding aannam, die hoort bij schieten, hij deed zijn arm in de richting van het weiland waar die jongen weg sprintte. En ik hoorde in de auto een dof knalletje, dat van buiten kwam." Ook deze verklaring is bruikbaar voor het bewijs. De verdediging heeft erop gewezen dat de verklaring een conclusie van de getuige betreft en dat zijn verklaring geen betrouwbaar beeld van de zaak geeft aangezien [getuige4] ook heeft verklaard: "Ik kon verder niet zien dat hij schoot, maar dat was wel de indruk die ik kreeg. Ik gok erop dat die persoon op die jongen schoot die in het weiland weg sprintte", maar het hof volgt de verdediging hierin niet. Ook deze getuige geeft goed weer op basis van welke waarnemingen hij tot zijn conclusie komt. Dat hij verklaart niet zeker te weten of zijn waarnemingen zijn conclusies rechtvaardigen, geeft juist blijk van bedachtzaamheid. De door [getuige4] genoemde omstandigheden rechtvaardigen de conclusie dat verdachte heeft geschoten in de richting van het weiland waarin een jongen wegsprintte.

Ten slotte heeft [zoon medeverdachte6] verklaard dat verdachte richting het veld schoot, "in een schiethouding, een beetje schuin naar beneden gericht".

Het verweer dat de verklaring van [getuige5] niet betrouwbaar is, behoeft geen bespreking nu deze verklaring niet voor het bewijs zal worden gebruikt.

Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat verdachte in de richting van [medeverdachte15] heeft geschoten, toen deze door het weiland vluchtte. Anders dan de rechtbank acht het hof niet bewezen dat er bij verdachte sprake was van voorbedachten rade. Uit het dossier blijkt dat er kort na het arriveren van verdachte en medeverdachte [medeverdachte6] bij de boerderij, één grote panieksituatie is ontstaan. Er is geen gelegenheid geweest voor een moment van kalm beraad en rustig overleg. De enkele vaststelling van de rechtbank dat verdachte na het eerste schietincident op het moment dat hij [medeverdachte15] achtervolgde, gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, is daartoe onvoldoende.

Wel acht het hof bewezen dat er bij verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van [medeverdachte15]. Het als ongeoefende schutter in de richting schieten van een (rennende) persoon, zodanig dichtbij dat diegene het zand naast hem hoorde opspringen - zo heeft [medeverdachte15] bij de politie verklaard - , roept de aanmerkelijke kans in het leven dat die persoon wordt geraakt en daardoor zal overlijden. Dit handelen is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op dat gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Contra-indicaties daarvoor heeft het hof niet aangetroffen.

Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op [medeverdachte15]. Het hof acht niet bewezen dat hij bij dit feit tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte6] handelde, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Feit 2:

Op 28 augustus 2011 heeft [medeverdachte10] aangifte gedaan van bedreiging. Zijn verklaring houdt in dat hij op 28 augustus 2011 in zijn auto zat, die achter de boerderij aan de [adres] in Tripscompagnie stond, en dat er toen een man met een pistool in zijn hand aan kwam. Dit was [medeverdachte6], oftewel medeverdachte [medeverdachte6]. [medeverdachte6] ging bij het geopende portier van de auto staan en richtte het pistool afwisselend op de knieën en het hoofd van [medeverdachte10]. Daarbij zei hij iets waaruit [medeverdachte10] afleidde dat hij bedoelde: "Jij gaat dood". Vervolgens kwam er een tweede persoon aanlopen. Dit betrof verdachte. Verdachte had ook een pistool en hield [medeverdachte10] onder schot. Hij zei daarbij in het Marokkaans: "Jij bent dood". In deze verklaring geeft [medeverdachte10] verder aan dat zijn oom, [medeverdachte2], op vakantie is naar Marokko en dat hij derhalve niet in de boerderij was.

Op 9 mei 2012 is [medeverdachte10] bij de rechter-commissaris gehoord. In deze verklaring komt hij deels terug op zijn verklaring van 28 augustus 2011. [medeverdachte10] verklaart dat zijn oom [medeverdachte2] op 27 augustus 2011 wel in de boerderij was. Hij verklaart verder: "[verdachte] en [medeverdachte6], ik weet zijn echte naam niet, kwamen uit de auto. [verdachte] en [medeverdachte6] kwamen op mij aflopen. Ze waren boos. Ze hadden een wapen bij zich, volgens mij allebei één. Ze vroegen aan mij waar mijn oom was. Ze hebben mij niet met een wapen gedreigd. U houdt mij pagina 3 van mijn aangifte d.d. 27 augustus 2011 (het hof begrijpt: 28 augustus 2011) voor. Zoals het daar staat is het niet gebeurd. Ik moest dit zo zeggen van mijn oom. In opdracht van mijn oom heb ik niet over zijn aanwezigheid gesproken. Ik moest zeggen dat hij in Marokko was."

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte6] hebben beide ontkend dat zij een wapen op [medeverdachte10] hebben gericht. Ze hadden wel een wapen bij zich. [medeverdachte6] heeft hieromtrent op 15 september 2011 verklaard: "Ik liep naar de persoon die in de auto zat. Ik trok mijn pistool en hield dit in mijn hand. Ik zei tegen hem: "Waar is [medeverdachte2] (het hof begrijpt: [medeverdachte2])".

Vast staat dat [medeverdachte2] op 27 augustus 2011 in de boerderij in Tripscompagnie aanwezig was. De verklaring van [medeverdachte10] op 28 augustus 2011 is daarmee op onderdelen aantoonbaar onjuist. De verklaring van [medeverdachte10] bij de rechter-commissaris sluit aan op de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte6]. Daarnaast heeft ook aangevers broer [medeverdachte4] verklaard dat zij van hun oom niet mochten zeggen dat hij in de boerderij was. Het hof acht het gelet op het voorgaande aannemelijk dat [medeverdachte10] de verklaring van 28 augustus 2011 in overleg met zijn oom heeft afgelegd, en dat die verklaring ten nadele van de 'tegenpartij' - verdachte en medeverdachte [medeverdachte6] - is aangepast/aangedikt. Het hof hecht daarom geen waarde aan de verklaring van [medeverdachte10] dat [medeverdachte6] het pistool afwisselend op de knieën en het hoofd van [medeverdachte10] heeft gericht en dat [medeverdachte6] en El Idrissi hebben gezegd dat verdachte dood was/moest.

Het voorgaande laat onverlet dat [medeverdachte6] onverwacht met een vuurwapen in zijn hand op [medeverdachte10] is afgekomen, van wie hij vervolgens - terwijl hij het vuurwapen zichtbaar in zijn handen hield - informatie wilde. Vervolgens voegde zich daar een tweede gewapende man
- verdachte - bij. Het hof is van oordeel dat door dit handelen bij [medeverdachte10] de redelijke vrees kon ontstaan dat wanneer hij de gevraagde informatie niet zou geven, de mannen hun wapens zouden gebruiken waardoor hij het leven zou kunnen laten.

Aldus kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte6] schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [medeverdachte10].

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig bewezen en heeft het hof de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1

primair:

hij op 27 augustus 2011, te Tripscompagnie, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk personen, te weten [medeverdachte4] en/of [medeverdachte15] en/of [medeverdachte2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet, met vuurwapens kogels heeft afgevuurd op die [medeverdachte4] en/of die [medeverdachte15] en/of die [medeverdachte2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

en, dat

hij op 27 augustus 2011, te Tripscompagnie, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten [medeverdachte15] van het leven te beroven, met dat opzet, met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd op die [medeverdachte15], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

hij op 27 augustus 2011, te Tripscompagnie, tezamen en in vereniging met een ander, een persoon, te weten [medeverdachte10], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend

- vuurwapens aan die [medeverdachte10] getoond.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot doodslag,

en

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat er sprake is van noodweer dan wel noodweerexces, nu - kort gezegd - [medeverdachte2] als eerste vanuit de boerderij heeft geschoten en verdachte zich daartegen heeft verdedigd. Volgens de verdediging zou verdachte naar de boerderij zijn gelokt om hem te liquideren.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het begane feit geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is vereist dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een aanranding als hiervoor bedoeld.

Gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer kunnen onder omstandigheden in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) door de verdachte. Dat is bijvoorbeeld het geval indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie.

Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van omstandigheden die aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) in de weg staan, waarbij het er niet toe doet of er inderdaad als eerste door [medeverdachte2] vanuit de boerderij is geschoten (bijvoorbeeld via een openstaand raam).

De verdachte en medeverdachte [medeverdachte6] zijn bewapend naar de boerderij gegaan en verwachtten ook dat [medeverdachte2] - die hen reeds ernstig bedreigd had - een wapen zou hebben. Zij hebben zich vervolgens zichtbaar met een wapen in de hand op het erf begeven en hebben de neef van [medeverdachte2] daarmee bedreigd.

Onder die omstandigheden moest de verdachte er naar het oordeel van het hof niet alleen ernstig rekening mee houden dat er vanuit de tegenpartij - met gelijke middelen - gewelddadig gereageerd zou worden (hetzij door te dreigen met een wapen, hetzij door daarmee te schieten op verdachte en zijn medeverdachte), maar hebben verdachte en zijn medeverdachte die gewelddadige reactie ook geprovoceerd. In zo'n geval kan niet gezegd worden dat het feit is begaan in een situatie waarin voor de verdachte de noodzaak bestond tot verdediging, noch als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding, en komt verdachte geen beroep op die strafuitsluitingsgrond toe.

Ten aanzien van het schieten op de weg, is door de verdediging eveneens een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. Volgens verdachte kwamen [medeverdachte15] en [medeverdachte2] ([medeverdachte2]) op hem afrennen toen hij op de weg stond. Toen [medeverdachte2] zijn hand in een tasje stak dat hij bij zich droeg, dacht verdachte dat hij een wapen pakte, en heeft hij ter verdediging in de lucht geschoten.

Het hof stelt vast dat de door verdachte gestelde gang van zaken geen steun vindt in het dossier. Daaruit blijkt immers - zoals bij de bewijsoverweging reeds uiteen is gezet - dat [medeverdachte15] (alleen) door het weiland vluchtte en niet dat hij (met [medeverdachte2]) op verdachte af kwam rennen. Ook blijkt niet dat er op dat moment anderszins sprake was van een (dreigende) aanval jegens verdachte. Nu de feiten die aan het verweer ten grondslag zijn gelegd niet aannemelijk zijn geworden, wordt het verweer verworpen.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 27 augustus 2011 aan ernstige feiten schuldig gemaakt. Nadat hij zich samen met medeverdachte [medeverdachte6] aan een poging tot doodslag op [medeverdachte4], [medeverdachte15] en/of [medeverdachte2] had schuldig gemaakt, heeft hij (nogmaals) kogels richting de inmiddels gevluchte [medeverdachte15] afgevuurd en aldus gepoogd [medeverdachte15] van het leven te beroven. Uit het dossier blijkt dat er na de komst van verdachte en medeverdachte [medeverdachte6] op de boerderij in Tripscompagnie een soort 'wild west situatie' is ontstaan, waarbij meerdere schoten zijn gelost en waarbij het een wonder mag heten dat er niemand gewond is geraakt. Verdachte heeft samen met zijn mededader ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Daarnaast is het gevoel van veiligheid in de samenleving in het algemeen aangetast. Toevallige passanten zijn op klaarlichte dag met een schietpartij geconfronteerd en aldus ongewild in een zeer bedreigende situatie beland.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met de omstandigheden die verdachte aanleiding hebben gegeven zich te bewapenen en naar de boerderij in Tripscompagnie te gaan. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte2] voorafgaand aan de schietpartij ernstige bedreigingen heeft geuit jegens verdachte. Volgens verdachte was hij ook degene die zat achter de aanslag met molotovcocktails op zijn huis - waarin zijn vrouw en kind lagen te slapen -. Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij naar politie is geweest, maar dat dat niet tot de gewenste actie leidde. Ingegeven door de angst dat zijn gezin onherstelbaar leed zou worden toegebracht, voelde verdachte zich vervolgens genoodzaakt om zich te bewapenen om aldus zijn gezin te kunnen beschermen. Hoewel hetgeen verdachte heeft verklaard zijn handelen enigszins inzichtelijk en voorstelbaar maakt, blijft dit onacceptabel en strafwaardig. Door met vuurwapens naar [medeverdachte2] toe te gaan, hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte6] de voorwaarden voor een schietpartij zelf gecreëerd. De omstandigheden die maakten dat het volgens hen nodig was om wapens mee te nemen, hadden reden moeten zijn om niet ter plaatse te gaan. Partijen hadden er ook voor kunnen kiezen om het gesprek op een meer neutrale plek aan te gaan.

Blijkens een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 14 maart 2014 is verdachte eerder veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten. Hem is in het verleden een PIJ-maatregel opgelegd. Zoals verdachte zelf aangeeft en zoals ook wordt beschreven in het reclasseringsadvies d.d. 29 maart 2012, heeft hij hier baat bij gehad. Tot de voorlopige hechtenis wegens de onderhavige zaak, woonde verdachte samen met zijn vriendin en zoontje en had hij een baan als installatiemonteur. Hij had zijn leven goed op orde. Ten aanzien van verdachtes vriendin en zoontje zijn er (privé) omstandigheden die het voor hen erg moeilijk maken de aanwezigheid en steun van verdachte te moeten missen, nu hij in detentie zit. De reclassering schat het recidiverisico laag in.

Het hof komt gezien de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en die aanleiding hebben gegeven tot verdachtes handelen, tot een lichtere straf dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 190,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde3] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 190,00 (honderdnegentig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde3], een bedrag te betalen van € 190,00 (honderdnegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. G.M. Meijer-Campfens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 26 mei 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.