Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4259

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
200.143.499-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot verwijdering gegevens uit met name het Extern Verwijzingsregister voor financiële instellingen van de stichting C.I.S. in kort geding afgewezen. Voldoende aannemelijk is dat de verzekeraar in een bodemprocedure zal kunnen bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden voor opname in dat register (artikel 5.2.1 Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.143.499/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/150262 / KG ZA 14-10)

arrest in kort geding van de tweede kamer van 27 mei 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. E.C.M.J. van Kempen, kantoorhoudend te Boxmeer, die ook heeft gepleit,

tegen

ABN AMRO Schadeverzekering NV,

gevestigd te Zwolle,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: ABN AMRO,

advocaat: mr. M.F.H.M. van Haastert, kantoorhoudend te Zwolle, die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 11 februari 2014 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 10 maart 2014 tevens houdende grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- het gehouden pleidooi waarbij van beide zijden pleitnotities zijn overgelegd.

2.2

Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] in hoger beroep luidt:

"dat het het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden behage om bij arrest het vonnis in kort geding, op 11 februari 2014 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle tussen enerzijds appellant als oorspronkelijk eiser in kort geding en geïntimeerde als oorspronkelijk gedaagde in kort geding onder zaak-/rolnummer C/08/150262 / KG ZA 14-10 gewezen, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en zonodig onder verbetering en aanvulling van gronden:

I. ABN AMRO te veroordelen om binnen een week na betekening van het in deze te wijzen vonnis over te gaan tot verwijdering van de persoonsgegevens van [appellant] in het Incidentenregister van ABN AMRO en Delta Lloyd, het Extern Verwijzingsregister voor financiële instellingen van de stichting CIS en het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars, dan wel om die medewerking te verlenen die noodzakelijk is ter verwijdering van de bedoelde persoonsgegevens uit die registers, zulks op straffe van een dwangsom van

€ 10.000,-- per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat AMB AMRO daarmee in gebreke blijft;

II. ABN AMRO te veroordelen de beëindiging van de inboedel-, aansprakelijkheids-, doorlopende reisverzekering en rechtsbijstandsverzekering binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest met terugwerkende kracht ongedaan te maken en deze verzekeringen per 4 november 2013 voort te zetten;

III. althans een zodanige beslissing te nemen als U in goede justitie meent te behoren;

IV. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties.

3 De feiten

3.1

De door de voorzieningenrechter onder 2 (2.1 tot en met 2.6) weergegeven feiten zijn tussen partijen niet in geschil, behoudens voor zover met grief I is betwist dat op de inboedelverzekering de Gemeenschappelijke voorwaarden van toepassing zijn. Derhalve zal ook het hof van die feiten uitgaan (waartoe het hof verwijst naar voormeld vonnis), behoudens de toepasselijkheid van genoemde voorwaarden.

4. Het geschil, de beslissing in eerste aanleg en de eiswijziging in hoger beroep

4.1

Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. [appellant] heeft bij ABN AMRO een inboedelverzekering afgesloten. [appellant] heeft eind juni 2013 op die verzekering een schade gemeld die verband houdt met het ontstaan van een gaslek in zijn woning, althans de daaropvolgende herstelwerkzaamheden. ABN AMRO heeft, nadat zij aanvankelijk een voorschot van € 10.000,- had uitgekeerd, bij brief van 4 november 2013 dekking afgewezen. Voorts heeft zij in deze brief aan [appellant] meegedeeld dat alle bij ABN AMRO ten name van hem lopende verzekeringen per direct zijn beëindigd en dat zijn gegevens zijn opgenomen in het interne incidentenregister, waarvan het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars op de hoogte is gebracht, alsook in het zogenaamde Extern Verwijzingsregister (EVR). In eerste aanleg heeft [appellant] een aanvullend voorschot op de schade-uitkering gevorderd en een gebod tot verwijdering van zijn gegevens uit de hiervoor bedoelde registers en uit het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars.

De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen.

4.2

In het onderhavige spoedappel vordert [appellant] niet langer betaling van een voorschot en heeft hij zijn eis vermeerderd met een eis tot ongedaanmaking door ABN AMRO van de beëindiging van de verzekeringen. Tegen deze eiswijziging als zodanig heeft ABN AMRO geen bezwaar gemaakt. Ook ambtshalve ziet het hof geen bezwaren, zodat recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

ABN AMRO heeft het spoedeisend belang bij de voorliggende vorderingen betwist. Zij heeft erop gewezen dat [appellant], anders dan hij heeft gesteld, niet zelf risico hoeft te dragen doch zich kan verzekeren bij Rialto. Naar het oordeel van het hof ligt in de stellingen van [appellant] voldoende besloten dat hij de vordering tot ongedaanmaking van de registratie mede heeft ingesteld omdat hij van opvatting is dat hij thans ten onrechte als fraudeur te boek staat, zoals hij ook ter zitting van het hof nog eens uitvoerig heeft toegelicht. Het hof kan het spoedeisend belang daarbij inzien. Van [appellant] kan bezwaarlijk worden verlangd dat hij een langdurige bodemprocedure afwacht en ondertussen niet zou kunnen opkomen tegen de in zijn ogen foutieve en diffamerende registratie. Het spoedeisend belang bij deze vordering is daarmee gegeven. Dit ligt anders ten aanzien van de vermeerderde eis die strekt tot ongedaanmaking van de tussentijdse opzegging van de verzekeringen bij ABN AMRO. Als niet weersproken staat vast dat [appellant] zich bij Rialto kan verzekeren. Weliswaar zal de premie hoger zijn, doch dit verschil in premie lost zich, zoals namens ABN AMRO ter zitting is betoogd, op in een vordering tot schadevergoeding indien in de bodemprocedure mocht blijken dat de opzegging ongegrond is geweest. Daar komt bij dat indien het hof het gevorderde gebod tot verwijdering van zijn gegevens uit de registratie mocht toewijzen, [appellant] zich in beginsel weer bij iedere maatschappij zal kunnen verzekeren. In zoverre bestaat onvoldoende zelfstandig, laat staan: spoedeisend, belang bij deze vordering.

5.2

Met grief I betoogt [appellant] dat de Gemeenschappelijke voorwaarden niet op de verzekeringsovereenkomst van toepassing zijn, althans nooit aan hem zijn overhandigd en deswege vernietigbaar zijn. ABN AMRO heeft dit in de memorie van antwoord uitvoerig bestreden. De advocaat van [appellant] is daarop in zijn pleidooi niet ingegaan, ook niet nadat dit door de advocaat van ABN AMRO was gesignaleerd. Wat daarvan zij, in hoger beroep mist [appellant] belang bij de onderhavige grief. De vraag naar de toepasselijkheid en vernietigbaarheid van genoemde voorwaarden speelt immers uitsluitend een rol bij de discussie over de omvang van de uitkering (in hoger beroep niet meer aan de orde) en die over de opzegging (ten aanzien waarvan bij de vordering geen spoedeisend belang bestaat).

5.3

De grieven II tot en met VI strekken ten betoge dat er onvoldoende grond bestaat voor opname van de gegevens van [appellant] in het interne frauderegister van ABN AMRO en in het externe verwijzingsregister.

5.4

Het hof stelt voorop dat opname in, met name, het externe verwijzingsregister van de Stichting CIS voor de betrokkene verstrekkende consequenties kan hebben. Alle deelnemende financiële instellingen kunnen immers door toetsing in het externe verwijzingsregister vaststellen dat er sprake is van opname in het incidentenregister van (een) andere deelnemer(s). Vervolgens is het mogelijk dat zij om nadere informatie omtrent opname kunnen vragen. Het gevolg hiervan kan zijn dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het incidentenregister is overgegaan, maar ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de opgenomen persoon zullen weigeren. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat hoge eisen dienen te worden gesteld aan de grond(en) van ABN AMRO voor opname van [appellant] in de registers.

5.5

De Raad van Toezicht Verzekeringen heeft in een uitspraak van 20 februari 2006, nr. 2006/013 Re, het volgende overwogen:

“Interne registratie bij een verzekeraar zelf en externe registratie bij de Stichting CIS zijn nuttige instrumenten bij het bestrijden van verzekeringsfraude. Omdat echter met name een frauderegistratie in het externe register bij de Stichting CIS grote gevolgen voor de

geregistreerde kan hebben, mag deze laatste registratie slechts plaatsvinden indien van

opzettelijke benadeling van de verzekeraar sprake is, althans van een poging daartoe.

Een verzekeraar die tot externe registratie van fraude bij de Stichting CIS overgaat moet

de gerechtvaardigde overtuiging hebben gekregen dat door de betrokkene is

gefraudeerd. Een vermoeden van fraude is daartoe niet voldoende. Voorts moet de

verzekeraar een afweging maken van het belang van de verzekeringsbranche bij een

dergelijke registratie en het belang van de betrokkene om juist niet te worden

geregistreerd. Daarbij kan als uitgangspunt gelden dat wie fraudeert, extern mag worden

geregistreerd bij de Stichting CIS. Wel is de verzekeraar gehouden te onderzoeken of

door de bijzondere omstandigheden van het concrete geval, zoals de geringe ernst van

het bedrog of de betrekkelijk geringe gevolgen ervan, externe registratie bij de Stichting

CIS onevenredig hard zou zijn”.

5.6

Deze uitgangspunten, die het hof onderschrijft, zijn terug te vinden in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen met de daarbij behorende Annex (hierna: het Protocol). Artikel 5.2.1van het Protocol luidt:

De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a

en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde

proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.

a. a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging

vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een

Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of

(II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.

b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de

onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in

principe aangifte of klacht wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.

c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.

5.7

Het vorenstaande brengt mee dat het hof zich in dit kort geding dient te buigen over de vraag of voorshands voldoende aannemelijk is dat ABN AMRO in een bodemprocedure zal kunnen bewijzen dat aan de voorwaarden voor opname van [appellant]' gegevens in, met name, het externe verwijzingsregister is voldaan. Het hof overweegt daaromtrent dat zowel ten aanzien van de vraag of er schade is geleden als de vraag waardoor dat dan is gebeurd door [appellant] tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd en onduidelijkheid is gecreëerd. Het hof acht voorshands voldoende aannemelijk dat daarbij opzet in het geding is. Het hof doelt met name op de navolgende feiten en omstandigheden:

  • -

    [appellant] heeft bij verschillende gelegenheden wisselende verklaringen afgelegd over het ontstaan van de schade: een stofexplosie door het boren in de gasleiding, een explosie door een steekvlam die ontstond bij controle van de leiding door middel van open vuur en schade door het openhakken van het plafond en het treffen van onvoldoende voorzorgsmaatregelen. Het hof verwijst naar het gestelde in de memorie van antwoord onder 18 en wat daaraan voorafgaat, dat onvoldoende is bestreden.

  • -

    Van de schade ontbreekt ieder tastbaar bewijs. Er is geen enkele foto overgelegd waarop schade aan muren of plafonds waarneembaar is. Alle beschadigde kleding (er is voor € 8.000,- aan kleding geclaimd) en meubels zijn weggegooid. Ten tijde van het bezoek van de expert op 17 juli 2013 was er geen enkele schade aan muur of plafond waarneembaar. Daarmee strookt dan weer niet het feit dat de door [appellant] overgelegde herstelofferte (prod. 10 van [appellant] in eerste aanleg) ook van 17 juli 2013 dateert. Hoe kan het herstel dan al voor 17 juli 2013 zijn uitgevoerd?

  • -

    Op een foto die de reparateur heeft genomen op de dag waarop deze het hak- en breekwerk uitvoerde is te zien dat op dezelfde dag de trap werd gestoffeerd. In de door ABN AMRO overgelegde transscriptie van de telefonische schademelding op 26 juni 2012 is te lezen hoe [appellant] ondertussen instructies geeft voor werkzaamheden. Uit die instructies blijkt dat die werkzaamheden niet beperkt waren tot de hal en het trapgat. Zo vraagt iemand: "Moet die kamer geverfd?" Daarmee spoort niet de verklaring van [appellant] ter zitting dat de werkzaamheden al maanden geleden waren afgerond en dat alleen de hal en het trapgat nog moesten worden gedaan.

  • -

    Op een andere foto van de reparateur is te zien dat uitgerekend op het plafond in de ruime waarin het hak- en breekwerk heeft plaatsgevonden geen enkel spoor van vervuiling is waar te nemen.

  • -

    Daarnaast speelt mee dat schade wordt geclaimd aan een TV-meubel en laminaat terwijl eenzelfde schade eerder was geclaimd bij Achmea. Het standpunt van [appellant] in hoger beroep dat het TV-meubel was vervangen en dat thans weer een ander TV-meubel is beschadigd strookt niet met zijn eerdere verklaring van 14 oktober 2013, voor zover luidende: "De schade aan de vloer heb ik zo gelaten. Aan het tv-meubel geloof ik ook". Niet valt in te zien dat [appellant] zich in oktober 2013 niet herinnert dat hij na februari 2013, zoals hij thans doet stellen, een nieuw TV-meubel zou hebben aangeschaft.

5.8

Al met al is het hof van oordeel dat voorshands voldoende aannemelijk is dat ABN AMRO in een bodemprocedure zal kunnen bewijzen dat aan de voorwaarden voor opname van de gegevens van [appellant] in, met name het externe verwijzingsregister is voldaan. Er zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat opname in het EVR niet proportioneel zou zijn. Dat er geen aangifte is gedaan en dat [appellant] niet vooraf is gehoord over het voornemen tot registratie, leidt volgens het vonnis van de voorzieningenrechter (r.o. 4.12 en 4.13) niet tot een ander oordeel. Tegen deze overwegingen zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hof daarvan zal uitgaan.

5.9

Op het voorgaande stuiten de onderhavige grieven af. Voor het overige behoeven zij geen (afzonderlijke) bespreking meer.

De slotsom.

5.10

Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (wat betreft het aan de zijde van ABN AMRO te liquideren salaris van de advocaat te begroten op 3 punten in tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof, recht doende in kort geding:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep en wijst af de vermeerderde eis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van ABN AMRO tot aan deze uitspraak op € 704,- aan verschotten en € 2.682,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit arrest tot aan de voldoening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. R.A. van der Pol en mr. W.J. Overtoom en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 27 mei 2014.