Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4211

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
30-05-2014
Zaaknummer
13/01012
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:2483, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:473, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking. Juiste tenaamstelling? Schending internationaalrechtelijk specialiteitsbeginsel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1052
V-N 2014/42.2.1
FutD 2014-1306
mr. M.J.A. Castelijn annotatie in NTFR 2014/2029
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

nummer 13/01012

uitspraakdatum: 20 mei 2014

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 22 augustus 2013, nummer AWB 12/4651, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Hoofddorp (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft op de voet van artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de onderhavige informatiebeschikking vastgesteld.

1.2.

Deze beschikking is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.3.

Het door belanghebbende tegen deze uitspraak op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard. In haar uitspraak heeft de Rechtbank belanghebbende een termijn van zes weken gesteld, gerekend vanaf de dag na die waarop de uitspraak van de Rechtbank is verzonden, om alsnog de in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en de daarin verzochte informatie te verstrekken.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Tot de stukken van het geding behoort, naast voormelde stukken, voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6.

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 10 april 2014 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mr. [B], alsmede mr. [C] en [D] namens de Inspecteur.

1.7.

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

1.8.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2 Feiten

2.1.

In het tijdschrift ‘[H]’ van [00-00-0000] is een artikel gepubliceerd met als titel ‘Van [I] tot [J]’. In dat artikel is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

Maar de goede klant [I] deed meer. Hij introduceerde ook zakenpartners bij [K], vastgoedondernemers die er hun eigen [L] openden. Een van hen is [X], wiens [F] door de Liechtensteiners wordt beheerd. Ze heeft hem voor zover ze zich kan herinneren één keer gezien op kantoor, zegt mevrouw [M]. In de aantekeningen die ze maakte van haar contacten met de Nederlandse cliëntèle komt zijn naam slechts één keer voor. Op 20 oktober 1998 noteert ze: “Hfl 1.500.000,- contant aan [X].

(…)”.

2.2.

Deze publicatie vormde voor de Inspecteur aanleiding inlichtingen bij belanghebbende in te winnen. In zijn aan belanghebbende gerichte brief van 29 november 2010 schreef de Inspecteur onder meer het volgende:

“Betreft

Verzoek om informatie

Geachte heer [X],

Hierbij verzoek ik u om informatie omtrent een tweetal onderwerpen. (…).

De vragen hebben betrekking op (…):

  1. (…)

  2. [N]

(…)

Ad 2: [N]

(…)

A. Is het juist dat u een door [K] in Liechtenstein beheerde rekening bezit of in het bezit heeft gehad met de naam [F]?

(…)”.

2.3

Bij brief van 13 december 2010 heeft belanghebbende gereageerd op het in de brief van 29 november 2010 vervatte verzoek van de Inspecteur tot het verstrekken van informatie. Belanghebbende schreef in deze brief, voor zover hier van belang, het volgende:

“(…)

Ik beschik persoonlijk niet over een rekening in Liechtenstein, [F] beschikt wel over een rekening in Liechtenstein, hetgeen al jaren bekend is bij de Nederlandse Overheid, zie bijgevoegde brief van Fürstentum Liechtenstein, Fürstliches Langericht d.d. 17 mai 2006 aan het landelijk parket te Schiphol.

(…)”.

2.4

De in 2.3 bedoelde bijgevoegde brief betreft een beslissing van 17 mei 2006 van een aan het Fürstliches Landgericht van Liechtenstein verbonden rechter inzake een rechtshulpverzoek van het Openbaar Ministerie Schiphol in het kader van een strafrechtelijk onderzoek jegens bepaalde personen ter zake van verdenking van verschillende strafbare feiten, waaronder het witwassen van geld. Deze rechterlijke beslissing (hierna: het vonnis) behelst – blijkens de tot de gedingstukken behorende vertaling in het Nederlands – onder meer het volgende:

“(…)

Besluit:

1. De krachtens het besluit van het Fürstliches Landgericht van 08-08-2005 (…) door [K] overgelegde documenten inzake de [F] (…) worden als kopie toegestuurd aan het Openbaar Ministerie Schiphol/NL.

2. Aan het ontvangen rechtshulpverzoek wordt voldaan onder de navolgende voorwaarden:

De toegestuurde dossiers en zaken mogen in het land, dat het rechtshulpverzoek heeft ingediend, niet worden gebruik voor bewijs- of onderzoeksdoeleinden in verband met een daad, gepleegd vóór overhandiging van deze stukken, waarop de verlening van rechtshulp niet betrekking heeft, evenmin mogen deze dossiers en zaken voor bewijs- en onderzoeksdoeleinden worden gebruikt in verband met een of meerdere daden, waarop in principe rechtshulp niet van toepassing is, dit zijn politieke, militaire en fiscaal strafbare handelingen. Als fiscaal strafbare handelingen worden handelingen beschouwd, bestaande uit overtreding van heffings-, monopolie-, douane- of deviezenvoorschriften of van voorschriften inzake de goederendistributie of de buitenlandse handel.

Bij een wijziging van de juridische kwalificatie van de handelingen waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, of bij toepassing van andere strafwettelijke bepalingen dan die, waarvan aanvankelijk werd uitgegaan, mag van de ter beschikking gestelde dossiers en zaken alleen gebruik worden gemaakt, indien ook krachtens deze nieuwe bepalingen aan het rechtshulp verzoek zou zijn voldaan.

Overwegingen:

(…)

Op grond van de aanvullende verklaringen van het OM Schiphol moeten de voorwaarden voor de overhandiging van alle in beslag genomen documenten van de [F] als voldaan worden beschouwd. (…) In de tussentijd zijn nog verdere aanwijzingen geconstateerd, dat vaker geïncrimineerde gelden van (…) in deze stichting terecht zijn gekomen en dat ook de economisch rechthebbende van deze stichting, [X], in verband zou kunnen staat met bepaalde strafbare feiten. Dit alles moet door de vervolgende instanties in Nederland nader worden onderzocht. (…)

In het kader van het strafrechtelijke onderzoek, dat door het OM Schiphol in deze zeer gecompliceerde zaak wordt uitgevoerd, is het niet voldoende, dat enkel inzage wordt geboden in de documenten van de economisch rechthebbende (…). (…) is het veeleer noodzakelijk – zoals ook verzocht -, inzage te krijgen in alle documenten en met name in alle rekeningdocumenten.

(…)”.

2.5

Het vonnis vormde voor de Inspecteur aanleiding tot het stellen van nadere vragen aan belanghebbende bij brief van 21 december 2010. Belanghebbende heeft die vragen niet beantwoord. Hij heeft zich voor rechtsbijstand gewend tot mr. [A], de gemachtigde in deze procedure. Op 13 april 2011 heeft een bespreking plaatsgehad tussen de gemachtigde en de Inspecteur. Vervolgens heeft er een briefwisseling plaatsgevonden tussen de gemachtigde en de Inspecteur. In die briefwisseling is door de Inspecteur wederom verzocht bepaalde door hem gestelde vragen met betrekking tot de [F] en de (mogelijke) betrokkenheid van belanghebbende bij die [F], te beantwoorden.

2.6

Omdat de gestelde vragen niet zijn beantwoord door (de gemachtigde van) belanghebbende, heeft de Inspecteur op de voet van artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de onderhavige informatiebeschikking vastgesteld. De tekst van deze beschikking luidt als volgt:

“[G] Advocaten

De heer mr. [A]

Postbus [00000]

[O]

Datum

8 november 2011

(…)

Betreft

Informatiebeschikking

Geachte heer [A],

In verband met de aangifte inkomstenbelasting 1998 en 2000 van uw cliënt de heer [X] vraag ik uw aandacht voor het volgende. Omdat sterk vermoed wordt dat de heer [X] betrokken is of is geweest bij [F] te Liechtenstein én rechthebbende is op het vermogen in de [F], heeft mijn collega de heer [P] u op 21 december 2010 om informatie gevraagd. In de brief die ik u heb geschreven op 14juli 2011 heb ik dit verzoek om informatie herhaald met het verzoek om mij uiteindelijk uiterlijk 1 oktober 2011 te berichten.

Tussen de periode 21 december 2010 en 1 oktober 2011 bent u verschillende malen gewezen op de noodzaak van gevraagde informatie. U heeft ruim de tijd gekregen om aan het informatieverzoek te voldoen. Op 15 oktober 2011 heb ik u telefonisch geïnformeerd over de mogelijkheid tot het starten van een kort geding en/of het nemen van een informatiebeschikking. Ik heb u gevraagd of u een gesprek zinvol vindt, hetgeen u ontkennend heeft beantwoord. Ik stel vast dat uw cliënt niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting om informatie te verstrekken.

Informatiebeschikking

Onder verwijzing naar artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) stel ik vast dat uw cliënt de heer [X] (BSN [0000.00.000]) niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatieplicht ingevolge de artikelen 47 en 49 van de AWR.

Ik verzoek u hierbij alsnog uiterlijk op 21 november 2011 de volgende vragen te beantwoorden en informatie te verstrekken:

  1. Op wiens initiatief is de [F] in het leven geroepen en per wanneer? Gaarne opgave van de naam of namen van degene(n) die uiteindelijk opdracht heeft of hebben gegeven tot het in het leven roepen van de [F] (niet bedoeld worden de notaris en/of (belasting)adviseur).

  2. Gaarne overlegging van de Foundationsakte ([F] wordt ook wel Anstalt of Stiftung genoemd).

  3. Gaarne overlegging van de statuten van de [F].

  4. Gaarne overlegging van het zogenaamde ‘mandatsvertrag’ dat is gesloten tussen de opdrachtgever op wiens verzoek de [F] in het leven is geroepen en de zogenaamde Foundationsrat die het dagelijks bestuur van de [F] vormt.

  5. Gaarne overlegging van de Feststellung der wirschaftlich berechtigden Person(en) of een soortgelijk document.

  6. Wat is de rol van de belastingadviseur in de opzet en uitwerking van de gekozen structuur geweest? Heeft deze uw cliënt adviezen dienaangaande verstrekt? Gaarne uitvoerige beschrijving. Indien uw cliënt mij meer inzicht wenst te verschaffen in de aanleiding, de opzet en de uitwerking van de gekozen structuur nodig ik u en/of uw cliënt uit om mij het advies ter inzage te verschaffen. Hij is hiertoe overigens niet verplicht.

  7. Wanneer heeft uw cliënt vermogen in de [F] ondergebracht en wat was de waarde van de inbreng (uitgedrukt in euro’s)? Ik verzoek u in dit verband alle (stortings)bewijzen aan mij te overleggen.

  8. Welke rechten hebben uw cliënt en diens partner en/of kinderen met betrekking tot het in de [F] ondergebracht vermogen en eventuele inkomsten daaruit?

In dit verband verzoek ik u alle instructies, reglementen, aanwijzingen enz. die het bestuur van de [F] heeft gekregen in het kader van het te voeren beheer over het in de [F] ondergebracht vermogen (deze stukken worden ook wel genoemd Beistatuten, Anhang, Erklërung, Reglement, Anweisungen, intern memorandum, fiduciary agreement, principal instructions, etc.) bij uw cliënt op te vragen en te overleggen.

i. Bestaat er naast het bestuur van de [F] nog een Raad van Toezicht, Raad van Advies of een daarmee op één lijn te stellen orgaan?

Zo ja, wie maakt van dit orgaan deel uit? Gaarne vermelding van alle personen die bij een dergelijk orgaan betrokken zijn, met vermelding van volledig adres en woonplaats, alsmede van de aard van de relatie die u met deze personen hebt.

Heeft uw cliënt of hebben diens partner en/of kinderen uit de [F] ooit vermogen en/of inkomsten ontvangen?

Zo ja, wanneer en in welke omvang (uitgedrukt in euro’s)? In dit verband verzoek ik u alle ontvangstbewijzen bij uw cliënt op te vragen en te overleggen.

Gaarne overlegging van de gehele administratie van de [F] met gegevens van bankrekeningen, saldi, vermogensoverzichten, kluisinhoud, etc. vanaf datum oprichting van de [F] tot en met de dagtekening van deze brief.

Gaarne overlegging van alle met de Liechtensteinse beheerder van de [F], dan wel met de bank die het vermogen van de [F] onder zich heeft, gevoerde correspondentie/contacten (bijv. brieven, faxen, e-mails, telefoonaantekeningen, aantekeningen naar aanleiding van een bezoek aan Liechtenstein (bank en/of beheerder van de [F]) en gesloten contracten.

Wat is de aard van de betrokkenheid van uw cliënt ( begunstigde en/of opdrachtgever tot het oprichten van de [F] of anderszins betrokken) sinds de oprichting van de [F]? Is de aard van deze betrokkenheid ooit veranderd? Zo ja, wat is de aard van de huidige betrokkenheid dan en sinds wanneer? Ik verzoek u in dit verband stukken op te vragen en te overleggen waaruit elke wijziging van de aard van uw betrokkenheid blijkt.

Heeft uw cliënt in het kader van de betrokkenheid bij de [F] bestuurs- dan wel andersoortige werkzaamheden ten behoeve van de [F] verricht? Zo ja, gaarne een nauwkeurige omschrijving van de ten behoeve van de [F] verrichte werkzaamheden met overlegging van verslagen van vergaderingen, besprekingen, afspraken, e.d. die uw cliënt in dit verband heeft ontvangen of gemaakt alsmede overlegging van alle correspondentie die in genoemd verband tussen uw cliënt en de [F] is gevoerd.

Wat gebeurt er met het in de [F] ondergebracht vermogen als de [F] wordt ontbonden? Wie zal, zullen of hebben in dit verband de liquidatie-uitkering(en) ontvangen ?

Gaarne ontvang ik ter inzage alle overige stukken die in het kader van de betrokkenheid van uw cliënt bij de [F] van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de fiscale gevolgen ervan.

De reden, aard, doel en achtergrond van de stortingen van f 500.000 in 2000 en in 1998 van f 1.500.000 op de bankrekening ten name van de [F].

Omkering en verzwaring bewijslast

Na het onherroepelijk worden van deze informatiebeschikking leg ik de aanslagen op. Hierover zal ik u nog informeren. Indien u tegen de aanslagen bezwaar maakt zullen in de uitspraak op het bezwaar de aanslagen worden gehandhaafd, tenzij is gebleken dat en in hoeverre deze aanslagen onjuist zijn (omkering en verzwaring bewijslast).

Verlenging aanslagtermijn

Een bijkomend wettelijk gevolg van deze beschikking is dat de termijn waarbinnen deze aanslagen en de daaraan gekoppelde beschikkingen moeten worden opgelegd, wordt verlengd met de termijn die verstrijkt tussen de bekendmaking van de informatiebeschikking die met de desbetreffende belastingaanslagen samenhangt, en het moment waarop deze informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan.

Bezwaar maken

Deze beschikking is gebaseerd op artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. U kunt bezwaar maken tegen deze beschikking. Uw bezwaarschrift moet binnen de wettelijke termijn van zes weken na de dagtekening van deze beschikking binnen zijn bij de Belastingdienst/Holland Midden/kantoor Hoofddorp. Vermeld hierin dat u tegen deze informatiebeschikking bezwaar maakt.”.

2.7

De gemachtigde heeft, in zijn hoedanigheid van advocaat-gemachtigde, bij brief van 12 december 2011 namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking.

2.8

Bij brief van 23 december 2011 heeft de Inspecteur op de voet van artikel 55 van de AWR het Openbaar Ministerie verzocht stukken met betrekking tot de [F] aan hem over te leggen. Bij brief van 3 februari 2012 heeft de Hoofdofficier van Justitie van het Landelijk Parket de Inspecteur medegedeeld niet aan het verzoek tegemoet te zullen komen. Het in het internationaal recht geldende specialiteitsbeginsel staat volgens de Hoofdofficier van Justitie eraan in de weg om de informatie uit Liechtenstein aan de Inspecteur te verstrekken. Voorts schreef de Hoofdofficier van Justitie in zijn brief:

“(…) Daarnaast is Liechtenstein van mening dat ook het stuk dat de advocaat zelf heeft ingebracht niet door de belastingdienst mag worden gebruikt, omdat dit gegevens blijven die van Liechtenstein afkomstig zijn. Voor het gebruik van die gegevens in een belastingprocedure is toestemming nodig van Liechtenstein. Het feit dat de brief door verdachte zelf onder de aandacht van de belastingdienst is gebracht, maakt dit niet anders.”.

Volgens de Hoofdofficier van Justitie heeft Liechtenstein geen toestemming gegeven voor het gebruik van de gegevens inzake de [F] ten behoeve van de belastingheffing.

2.9

Bij brief van 13 juni 2012 heeft de gemachtigde onder meer het volgende aan de Inspecteur geschreven:

“(…) Aan mij is een informatiebeschikking gericht en de tenaamstelling is ook als zodanig, met kenmerk [0000.00.000] en dagtekening 8 november 2011. In deze informatiebeschikking word ik verzocht om informatie omtrent een cliënt van mij te verstrekken. Met een verwijzing naar art. 53a AWR zal ik niet ingaan op uw verzoek zoals verwoord in eerder genoemde informatiebeschikking.

Indien en voor zover nodig – quod non – maak ik hierbij bezwaar tegen de informatiebeschikking met (…) dagtekening 8 november 2011. (…)”.

2.10

Het bij brief van 12 december 2011 namens belanghebbende tegen de informatiebeschikking gemaakte bezwaar is bij uitspraak op bezwaar van 25 juli 2012 door de Inspecteur afgewezen.

2.11

Het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep is door de Rechtbank bij uitspraak van 22 augustus 2013 ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft overwogen, kort samengevat, dat de informatiebeschikking op naam van belanghebbende is gesteld en dat het de Inspecteur niet kan worden tegengeworpen dat hij het specialiteitsbeginsel heeft geschonden.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

Tussen partijen is in geschil of de informatiebeschikking rechtsgeldig is vastgesteld door de Inspecteur. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de Inspecteur en van de informatiebeschikking.

3.4

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Tenaamstelling

4.1

Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn door de Rechtbank verworpen betoog dat de onderhavige informatiebeschikking wegens een onjuiste tenaamstelling ervan dient te worden vernietigd. De informatiebeschikking is volgens belanghebbende immers niet op zijn naam gesteld maar op naam van zijn gemachtigde mr. [A]. De Inspecteur betwist dat de onderwerpelijke informatiebeschikking een onjuiste tenaamstelling bevat. De informatiebeschikking is volgens de Inspecteur op naam van belanghebbende gesteld.

4.2

Dienaangaande dient het volgende te worden vooropgesteld. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AWR geschiedt de vaststelling van een belastingaanslag door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. De bekendmaking van een aanslag is geen voorwaarde voor de totstandkoming ervan (HR 29 juni 2012, nr. 11/03759, ECLI:NL:HR:2012:BW0194). Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer HR 3 december 2010, nr. 09/00174, ECLI:NL:HR:2010:BO5975) geldt met betrekking tot aanslagbiljetten dat de tenaamstelling een essentieel onderdeel van het aanslagbiljet vormt. Een onjuiste tenaamstelling van een aanslagbiljet kan in het algemeen niet leiden tot een belastingverplichting. Die regel lijdt evenwel uitzondering indien de tenaamstelling een zodanige geringe onvolkomenheid bevat, dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan voor wie het door de Belastingdienst toegezonden biljet is bestemd (vglHR 31 augustus 1998, nr. 33.569, ECLI:NL:HR:1998:AA2356).

4.3

Ofschoon in het tweede lid van artikel 5 van de AWR de regels inzake de vaststelling van een aanslag van overeenkomstige toepassing zijn verklaard met betrekking tot bepaalde door de inspecteur te nemen beschikkingen, is, anders dan belanghebbende betoogt, de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de (onjuiste) tenaamstelling van aanslagbiljetten naar het oordeel van het Hof niet zonder meer van toepassing op andere door de inspecteur genomen voor bezwaar vatbare beschikkingen.

4.4

Met betrekking tot voor bezwaar vatbare beschikkingen als de onderhavige, gaat het naar het oordeel van het Hof erom dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan voor wie de informatiebeschikking is bestemd.

4.5

Gelet op de briefwisseling tussen partijen vóór de vaststelling van de onderhavige informatiebeschikking en gelet op de vermelding in de informatiebeschikking dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatieplicht ingevolge de artikelen 47 en 49 van de AWR, kan naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs geen misverstand erover bestaan dat de onderhavige informatiebeschikking ten aanzien van belanghebbende is genomen. Kennelijk bestond aanvankelijk bij de gemachtigde daarover evenmin misverstand, aangezien hij bij brief van 12 december 2011, in zijn hoedanigheid van advocaat-gemachtigde, namens belanghebbende bezwaar tegen de informatiebeschikking heeft gemaakt bij de Inspecteur. Dit betekent dat de informatiebeschikking in zoverre rechtsgeldig is vastgesteld door de Inspecteur. De omstandigheid dat in de aanhef van de informatiebeschikking de naam en het (kantoor)adres van de gemachtigde is genoemd, doet aan deze conclusie niet af. De Inspecteur heeft zulks kennelijk gedaan met het oog op de bekendmaking van de informatiebeschikking aan de vertegenwoordiger van belanghebbende. Evenmin doet aan die conclusie af dat bepaalde vragen in de informatiebeschikking zijn gericht aan de gemachtigde, aangezien de gemachtigde in het debat met de Inspecteur over het verzoek tot het verstrekken van informatie over belanghebbendes betrokkenheid bij de [F] te Liechtenstein vanaf april 2011 als vertegenwoordiger van belanghebbende optrad. Ook de omstandigheid dat de gemachtigde bij brief van 13 juni 2012 uiteindelijk ook zelf een (voorwaardelijk) bezwaarschrift tegen de informatiebeschikking heeft ingediend, dwingt niet tot een andersluidende conclusie.

Specialiteitsbeginsel

4.6

Belanghebbende stelt voorts dat het zogenoemde specialiteitsbeginsel is geschonden. Dit beginsel, dat zijn oorsprong vindt in het internationale strafrecht (uitlevering en andere vormen van internationale rechtshulp in strafzaken), komt – voor zover hier van belang – in de kern erop neer dat de staat die rechtshulp verkrijgt het ontvangen materiaal – in beginsel – slechts mag gebruiken voor de in het rechtshulpverzoek genoemde zaak en doeleinden.

4.7

Vaststaat dat de Inspecteur niet heeft beschikt over de in Liechtenstein in beslag genomen documenten van de [F]. Het Openbaar Ministerie heeft het verzoek van de Inspecteur om overhandiging van die documenten immers niet ingewilligd. Die documenten liggen – nog daargelaten dat het verzoek daartoe is gedaan ná vaststelling van de informatiebeschikking – derhalve niet ten grondslag aan de in de informatiebeschikking vervatte informatieverzoeken van de Inspecteur aan belanghebbende. In zoverre kan dan ook niet worden gezegd dat het specialiteitsbeginsel is geschonden door de Inspecteur. De onderwerpelijke informatiebeschikking van de Inspecteur bevat vragen die zijn gerezen naar aanleiding van het door belanghebbende aan de Inspecteur overgelegde vonnis. Naar het oordeel van het Hof valt dat vonnis zelf, gelet op het onder de feiten (onderdeel 2.4) opgenomen ‘besluit’ van de rechter in Liechtenstein, niet onder de reikwijdte van de in het vonnis opgenomen voorwaarden met betrekking tot het gebruik van het ter beschikking gestelde materiaal. Die voorwaarden zien naar het oordeel van het Hof op de in Liechtenstein in beslag genomen en in het kader van het rechtshulpverzoek aan het Openbaar Ministerie in Nederland ter beschikking gestelde documenten inzake de [F]. Dat de Hoofdofficier van Justitie daarover een ander standpunt heeft ingenomen, doet aan deze conclusie niet af. Ook in zoverre kan derhalve niet worden gezegd dat de Inspecteur het specialiteitsbeginsel heeft geschonden.

4.8

Indien evenwel ervan zou moeten worden uitgegaan dat de beperkende, in het vonnis opgenomen voorwaarden ook gelden met betrekking tot het vonnis zelf en het vonnis derhalve in Nederland niet mag worden gebruikt voor fiscale doeleinden, kan belanghebbende naar het oordeel van het Hof niettemin zich te dezen jegens de Inspecteur niet met vrucht beroepen op schending van het specialiteitsbeginsel. Nu belanghebbende zelf, ongevraagd, het vonnis aan de Inspecteur ter beschikking heeft gesteld, kan het gebruik door de Inspecteur van de in het vonnis vermelde gegevens in het kader van artikel 47 van de AWR met het oog op het vaststellen van belanghebbendes uit de wet voortvloeiende belastingschuld jegens belanghebbende niet als onrechtmatig worden aangemerkt. Zelfs indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat te dezen ook jegens belanghebbende sprake is van onrechtmatig bewijs in (internationaal) strafrechtelijke zin, dan nog vormt dit geen beletsel voor het gebruik van het vonnis door de Inspecteur. In aanmerking genomen dat belanghebbende zelf, ongevraagd, het vonnis ter hand heeft gesteld van de Inspecteur, kan immers redelijkerwijs niet worden gezegd dat de verkrijging en het gebruik van het vonnis zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik hier als ontoelaatbaar moet worden aangemerkt. Gelet hierop, valt evenmin in te zien dat, naar belanghebbende stelt, de Inspecteur door gebruik te maken van de informatie uit het vonnis, in strijd heeft gehandeld met het tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur behorende fair play-beginsel dan wel het vertrouwensbeginsel.

4.9

Gelet op het vorenoverwogene, is de onderhavige informatiebeschikking rechtsgeldig vastgesteld door de Inspecteur. Het Hof zal belanghebbende op de voet van het bepaalde in artikel 27h, tweede lid, in verbinding met artikel 27e, tweede lid, van de AWR een nieuwe termijn stellen voor het voldoen aan de in de informatiebeschikking gestelde vragen en verzoeken. Het Hof stelt die termijn op zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die van de verzending van deze uitspraak.

Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen een termijn van zes weken – welke termijn aanvangt op de dag ná die van de verzending van deze uitspraak – te voldoen aan de in de informatiebeschikking opgenomen vragen en verzoeken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. N.G.U. Bezemer als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2014.

De griffier, De voorzitter,

(N.G.U. Bezemer) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 21 mei 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.