Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:416

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-01-2014
Datum publicatie
31-01-2014
Zaaknummer
12/00520 en 12/00521
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:BX1120, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3656
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Directeur woningstichting. Ontvangen betalingen. Belaste inkomsten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/204
FutD 2014-0241
NTFR 2014/968 met annotatie van Prof. dr. J.P. Boer
NTFR 2014/2988
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

afdeling belastingrecht

locatie Arnhem

Nummers: 12/00520 en 12/00521

uitspraakdatum: 21 januari 2014

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (Spanje) (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 juli 2012, nummers AWB 11/1145, en 11/901, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren/kantoor Almere (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit woning en werk van € 410.646 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.116. Daarbij is voor een bedrag van € 27.840 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2

Voorts is aan belanghebbende over het jaar 2003 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit woning en werk van € 868.495 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.608. Daarbij is voor een bedrag van € 76.092 heffingsrente in rekening gebracht.

1.3

Op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2002 heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar deze navorderingsaanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit woning en werk van € 368.146 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.116. De heffingsrente is daarbij verminderd tot een bedrag van € 22.340.

1.4

Op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2003 heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar deze navorderingsaanslag en de daarbij genomen beschikking inzake de heffingsrente gehandhaafd.

1.5

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep inzake de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2002 ongegrond en het beroep inzake de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2003 gegrond verklaard. Tevens heeft zij de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2003 vernietigd en deze navorderingsaanslag verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 678.864 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.775. Voorts heeft zij de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

1.6

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaak betrekking hebben alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.8

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2013 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en zijn advocaat mr. [A], alsmede namens de Inspecteur mr. [B], bijgestaan door zijn collega’s [C], mevrouw [D] en [E].

1.9

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

Belanghebbende

2.1

Belanghebbende was gehuwd met mevrouw [F]. Zij is op 22 oktober 2001 overleden. Belanghebbende is op 6 juni 2003 hertrouwd met mevrouw [G]. Hij heeft twee kinderen: zijn zoon [H] en zijn dochter [I].

2.2

Belanghebbende is in 1996 benoemd tot directeur van Woningstichting [J] in [L]. De Woningstichting is per 1 januari 2004 gefuseerd met Woningstichting [K] in [L] (hierna: [K]), waarna belanghebbende tot bestuursvoorzitter van [K] is benoemd.

2.3

Belanghebbende is op 24 oktober 2008 als bestuursvoorzitter geschorst omdat de Raad van Commissarissen (hierna: RvC) van [K] door hem niet juist en volledig was geïnformeerd. De RvC heeft naar aanleiding van publicaties in een ochtendkrant [M] (hierna: [M]) opdracht gegeven om een forensisch accountantsonderzoek in te stellen. In verband met de in het door [M] opgemaakte deelrapport van 28 januari 2009 opgenomen bevindingen is belanghebbende op 30 januari 2009 op staande voet ontslagen.

2.4

Nadat [K] aangifte heeft gedaan van door belanghebbende vermoedelijk begane strafbare feiten heeft het Openbaar Ministerie jegens belanghebbende een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek, uitgevoerd door de FIOD, zijn gaandeweg aan de Inspecteur ter beschikking gesteld. Tot het dossier behoren delen van het FIOD dossier dat betrekking heeft op belanghebbende en [N] Groep B.V. (hierna: [N]).

2.5

Belanghebbende is begin 2012 failliet verklaard.

Dubbelappartement [a-straat] 84/86 in [O]

2.6

Op 31 juli 2002 is belanghebbende eigenaar geworden van het te bouwen (dubbel)appartement [a-straat] 84/86 te [O] (hierna: het appartement). De appartementsrechten zijn aan hem geleverd en hij heeft daarvoor een bedrag van € 163.860 voor zijn aandeel in de grond en de daarop gevestigde opstallen alsmede € 416.025 voor de bouw van het appartement betaald. Belanghebbende heeft in verband met de investering in het appartement van de ABN/AMRO een hypothecaire geldlening verkregen van € 600.000.

2.7

In verband met de aanschaf van het appartement heeft de notaris op 31 juli 2002 een afrekening opgemaakt. Hierop is vermeld dat de aannemer van belanghebbende in verband met de bouw van het appartement € 172.796 te vorderen heeft. Dit bedrag is op 31 juli 2002 door [N] overgemaakt naar de bankrekening van de notaris.

2.8

Het appartement is blijkens een door belanghebbende ondertekende offerte ingericht voor een bedrag van € 545.251. Hiervan heeft € 290.152 betrekking op de stoffering, het meubilair en de verlichting. Het totaalbedrag is betaald door of namens[P] (hierna: [P]). Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende verklaard dat deze inrichtingskosten zijn gemaakt ten behoeve van de aspirant koper en tevens vastgoedexploitant [Q]. Op het adres van het appartement is belanghebbendes dochter van 9 februari 2004 tot en met 7 oktober 2009 ingeschreven geweest.

2.9

In een aan belanghebbende gerichte brief van 19 december 2003 schrijft [P], die directeur en (indirect) aandeelhouder is van [N], het volgende:

"Betr.: lening ivm appartementsrechten [O]

Geachte heer [X],

Hierbij bevestigen wij aan u in leen ter beschikking te hebben gesteld totaal € 550.980,25 tegen gebruikelijke condities voor wat betreft aflossing en rente.

Wij verzoeken u deze brief voor accoord mede te ondertekenen."

De brief is opgesteld op briefpapier van [N] en ondertekend door [P], als directeur van [N], en belanghebbende.

Belanghebbende heeft hierover ten overstaan van FIOD-ambtenaren als volgt verklaard (pagina 88 van het zaaksprocesverbaal 44212):

“Ik herken mijn handtekening dus ik heb deze overeenkomst getekend. Maar ik herinner mij deze overeenkomst niet. Voor mij was het feitelijk geen lening, waarschijnlijk heeft [P] dit nodig gehad voor zijn eigen boekhouding. Ik vraag mij ook af of ik hier ooit een kopie van heb gehad.”

2.10

In een van [N] afkomstige brief van 21 juni 2004, die aan belanghebbende is gericht, is het volgende opgenomen:

"Betreft: lening ivm appartement [O]

Geachte heer [X],

Hierbij bevestigen wij aan u ter leen ter beschikking te hebben gesteld ivm de (af)bouw van uw appartement te [O] een aanvullend bedrag ad. € 140.030,52 zodat thans totaal € 691.010,77 voor dit doel aan u ter leen is verstrekt (samen met het op 19 december 2003 uitgekeerde bedrag ad € 550.980,25).

Een en ander tegen gebruikelijke condities voor wat betreft rente en direct opeisbaar voor wat betreft aflossing."

Op deze brief is met een pen "+ € 25.000" geschreven. Ook deze brief is op [N] briefpapier geschreven. Alleen [P] heeft, in zijn hoedanigheid van directeur van [N], deze brief ondertekend.

Belanghebbende heeft hierover ten overstaan van Fiod-ambtenaren als volgt verklaard (pagina 88 van het zaaksprocesverbaal 44212):

“Ik zie dat deze overeenkomst niet door mij is ondertekend. Deze overeenkomst ken ik niet en ik kan mij ook niet herinneren dat ik dit document ooit gezien heb.”

2.11

[P] heeft ten aanzien van de in 2.9 en 2.10 genoemde bedragen (pagina 92 en 93 van het zaaksprocesverbaal 44212) de volgende verklaring afgelegd:

“Op een gegeven moment benaderde [X] mij dat er loonbeslag lag door [R], een interieurbouwer. [X] zat in de knoei en ik besloot hem te helpen. Ik weet niet voor welk bedrag loonbeslag was gelegd, maar hij kon de laatste termijn aan [R] niet betalen. Vervolgens heb ik dit toen per ommegaande betaald. Voor die tijd had ik ook al betalingen gedaan als leningen en hiervan is een schuldbekentenis opgemaakt en [X] heeft die ondertekend. Na de laatste betaling heb ik een tweede schuldbekentenis (verbeterde) opgemaakt. (…)

Nee, er is door [X] nog geen rente betaald, er is ook niet expliciet een rentepercentage afgesproken, maar in de schuldbekentenis is opgenomen dat de lening is verstrekt onder de gebruikelijke marktconforme condities. Er is nog niet afgelost op de lening en er waren geen aflossingstermijnen afgesproken. Na de eerste serie betalingen in 2003 dacht ik dat het klaar was, ik vond het wel genoeg en ik heb daar toen een schuldbekentenis van opgemaakt. Na de laatste betaling in 2004 in verband met het loonbeslag heb ik een verbeterde schuldbekentenis opgemaakt. Mijn gedachte was dat de rente bij de eindaflossing in een keer betaald zou worden.”

2.12

[N] heeft in totaal € 640.080 en [P] daarnaast nog € 140.030 betaald. In totaal derhalve € 780.110. Het eerste bedrag is door [N] en [P] aangemerkt als door [P] verrichte opnamen in rekening courant met [N]. [P] heeft tegenover ambtenaren van de FIOD verklaard dat dit is gebeurd ten behoeve van belanghebbende. [P] heeft hierover als volgt verklaard (pagina 88 van het zaaksprocesverbaal 44212):

”[X] kwam bij mij met het verzoek om een bijdrage te leveren aan het flatje van zijn dochter. Ik weet niet meer welk bedrag ik met [X] had afgesproken dat ik zou bijdragen, maar in mijn beleving ging het hooguit om twee ton. Gaandeweg bleek het te gaan om de bouw van een groot dubbelappartement. [X] bleef mij maar benaderen om betalingen te doen en om de door mij eerder aangegeven redenen ben ik blijven betalen. Ik schat dat ik in totaal zo’n zeven ton betaald heb. U zegt mij dat ik een eerste betaling heb gedaan in juli 2002 van ruim € 172.000,- aan de notaris, hierop kan ik u zeggen dat dit het bedrag dat ik in eerste instantie zou betalen aan de flat van de dochter van [X]. Naderhand heb ik nog bedragen betaald aan de aannemer en aan een incassobureau ten behoeve van de aannemer. Ook heb ik aan de woninginrichter betaald.”

2.13

De FIOD heeft geconstateerd dat [N] in de periode van 17 maart 1997 tot en met 28 december 2007 van [K] en haar rechtsvoorganger voor een bedrag van in totaal € 117.826.210 onroerend goed heeft gekocht. [P] heeft verklaard dat [N] één van de zogenoemde Goalmakers van [K] was. Dit betekende voor [N] dat zij voor [K] een vaste afnemer was. Belanghebbende deed volgens [P] het liefst zaken met vertrouwde personen die hij kende. Voorts heeft [P] verklaard dat hij louter van [K] heeft gekocht en niet van een andere woningcorporatie.

2.14

[N] had in 2006 een rekening-courantschuld aan [K] van € 19.806.396 die geleidelijk sinds 1997 is ontstaan. [P] heeft in verband daarmee tegenover ambtenaren van de FIOD verklaard dat daardoor een wederzijdse afhankelijkheid ontstond. Zijn in het proces-verbaal (pagina 25 en 26 van het zaaksprocesverbaal 44212) opgenomen verklaring luidt als volgt:

"Ik beschouwde mij afhankelijk van [K] gezien de financiële positie waarin [N] zich ten opzichte van [K] bevond. (…) Ik bedoel dan de oplopende rekening-courant verhouding. In de jaren dat ik zaken deed met [K] heb ik wel acquisitie gepleegd bij andere woningcorporaties, maar dat heeft nooit tot transacties geleid, daardoor bleef ik vastzitten aan mijn enige leverancier [K]. Omdat ik maar een leverancier heb, zou mijn zaak onderuitgaan als de relatie tussen [N] en [K] verbroken zou worden. Zoals ik al gezegd heb zat ik vast aan [K] en [X]. Feitelijk geldt het omgekeerde ook voor [X]. [X] zou ten opzichte van de raad van commissarissen in de problemen kunnen komen omdat [X] de schuld van [N] aan [K] veel te hoog had laten oplopen Zoals [X] het zei hadden wij allebei een rugzak op onze schouders. Dit is voor mij de hoofdreden dat wij van elkaar afhankelijk zijn, met wij bedoel ik [X] en mijzelf. Een gevolg van deze afhankelijkheid was dat [X] misbruik ging maken van de situatie. Hij dwong mij steeds om hem financiële bijdragen te leveren, al dan niet in de vorm van leningen. Voor [X] was dat een vanzelfsprekendheid wat paste binnen zijn zonnekoning gedrag "

2.15

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard met [P] een louter zakelijke relatie te hebben gehad.

2.16

Ook jegens [P] is een strafrechtelijk onderzoek gestart.

Mercedes

2.17

Het kenteken [00-YY-00] van een auto met het merk Mercedes Benz (hierna: de Mercedes) stond in de periode 15 januari 2003 tot en met 16 december 2005 geregistreerd op naam van [S] B.V. (hierna: [S]). [S] maakte deel uit van de [S] Groep waarvan [T] (hierna: [T]) destijds bestuurder was. De Mercedes is door [S] danwel [T] aangeschaft voor € 110.000. [S] heeft in voornoemde periode de Mercedes verzekerd en heeft de verzekeringspremies betaald. Ook heeft zij de motorrijtuigenbelasting voor dit voertuig betaald. De auto heeft [S] niet op haar balans geactiveerd. Negen facturen in de periode 28 mei 2003 tot en met 21 juni 2005 in verband met het onderhoud van de Mercedes zijn aan belanghebbende gericht en zijn ook door hem betaald.

2.18

Na analyse van een video-opname heeft de FIOD geconstateerd dat de Mercedes zich in de periode tussen 15 januari 2003 en 25 januari 2003 op het terrein van belanghebbendes woning bevond.

2.19

De Mercedes is op 10 januari 2006 door de echtgenote van belanghebbende ingeruild voor een ander type Mercedes. De factuur waarop de aanschafprijs (€ 124.750) en de inruilprijs (€ 58.500) is vermeld is ook aan haar gericht. Het uiteindelijk verschuldigde bedrag (het saldo) van € 66.250 is betaald door belanghebbende, waarvan € 65.000 afkomstig was van een door hem in Spanje aangehouden bankrekening.

2.20

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard met [T] een louter zakelijke relatie te hebben gehad.

2.21

Tegenover de FIOD-medewerkers heeft hij op de vraag waarom hij van de Mercedes gebruik mocht maken, verklaard (proces verbaal verhoor van verdachte [T], V007-02, pagina 5):

“Het was een relatie van mij en ik denk dat het gemakzucht van mijn kant was.”

2.22

Ook jegens [T] is een strafrechtelijk onderzoek gestart.

Navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2002 en 2003

2.23

De primitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2002 is overeenkomstig de aangifte opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 195.350 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.116.

2.24

De primitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2003 is overeenkomstig de aangifte opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 218.680 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.608.

2.25

De Inspecteur heeft in oktober 2007 bij [N] een boekenonderzoek ingesteld. Mede naar aanleiding van dit boekenonderzoek is naar belanghebbende het eerder genoemde strafrechtelijk onderzoek gestart. Op basis van de controlebevindingen tot op dat moment (eind 2008) zijn de onderwerpelijke navorderingsaanslagen schriftelijk aangekondigd. Daarna met dagtekening 29 november 2008 (het jaar 2002) en 23 december 2008 (het jaar 2003) zijn deze navorderingsaanslagen (zonder boete) opgelegd.

2.26

Met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2002 is het aangegeven inkomen uit werk en woning met € 215.296 verhoogd. Dit bedrag bestaat voor een deel uit in Box 1 te belasten inkomsten ter grootte van € 172.796. De in 2.7 vermelde betaling door [N] is daarmee belast. Het andere deel, groot € 42.500, betreft een bijtelling wegens privé gebruik van een personenauto (een Maserati).

2.27

Met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2003 is het aangegeven inkomen uit werk en woning met € 649.815 verhoogd. Dit bedrag bestaat voor een deel uit in Box 1 te belasten inkomsten ter grootte van € 607.315. Een deel van het in 2.10 vermelde bedrag van € 691.010 dat door [N] is betaald is daarmee belast. Het andere deel, groot € 42.500, betreft een bijtelling wegens privé gebruik van een personenauto (een Maserati).

2.28

Belanghebbende heeft bij de Rechtbank op 12 april 2010 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de tegen de onderwerpelijke navorderingsaanslagen ingediende bezwaarschriften. Belanghebbende heeft daarbij aan de orde gesteld dat een motivering voor het opleggen van die navorderingsaanslagen ontbrak. Bij uitspraak van 27 september 2010 heeft de Rechtbank de beroepen van belanghebbende gegrond verklaard. Partijen zijn bij wijze van compromis ter zitting overeengekomen dat de Inspecteur de navorderingsaanslagen vóór 1 oktober 2010 zou motiveren.

2.29

De Inspecteur heeft bij brief van 30 augustus 2010 een nadere onderbouwing van de navorderingsaanslagen gegeven. In deze brief staat onder andere het volgende vermeld:

"Jaar 2002

In het jaar 2002 zijn door [N]/de heer [P] betalingen gedaan ten behoeve van het te bouwen dubbelappartement in gebouw [U]. De koop-/aannemingsovereenkomst is gesloten en getekend door uw cliënt. Ook de oplevering is aan uw cliënt gebeurd. Uw cliënt heeft aangegeven dat dit dubbelappartement in mede-eigendom gehouden wordt met de heer [P], ieder 50%. Dit wordt echter tegengesproken door de heer [P] en door de feiten. De door [N]/[P] gedane betalingen kunnen ook niet worden aangemerkt als lening, omdat er geen leningsovereenkomst is waarin rente en aflossing geregeld worden. De betalingen door [N]/[P] ad € 172.796 in 2002, worden dan ook aangemerkt als belaste inkomsten van uw cliënt.

Met betrekking tot het privé-gebruik auto is niet komen vast te staan dat uw cliënt in 2002 een auto ter beschikking heeft gehad "

2.30

Bij uitspraak op bezwaar is de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2002 verminderd. Het vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning is met € 42.500 verlaagd tot een bedrag van € 368.146. De heffingsrente is daarbij dienovereenkomstig verminderd naar een bedrag van € 22.340. Bij uitspraak op bezwaar is de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2003 daarentegen met een beroep op interne compensatie gehandhaafd.

2.31

Het tegen voormelde uitspraken op bezwaar bij de Rechtbank ingestelde beroep is met betrekking tot het jaar 2002 ongegrond verklaard. Met betrekking tot het jaar 2003 is het beroep gegrond verklaard. De Rechtbank heeft overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur de navorderingdaanslag verminderd. Daarbij zijn de bij belanghebbende belaste betalingen door [N] ter grootte van € 607.315 verminderd met € 165.031 tot een bedrag van € 442.284. Het voorlaatste bedrag had namelijk betrekking op het jaar 2004. Ook is het berekende voordeel van het gebruik van de Mercedes verlaagd naar een bedrag van € 18.000. Voorts heeft de Rechtbank het beroep op interne compensatie door de Inspecteur gehonoreerd door het vastgestelde belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te verhogen met € 7.167 omdat belanghebbende de waarden van het appartement onjuist (ultimo 2003) en niet (per 1 januari 2003) in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2003 heeft begrepen.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de onderwerpelijke navorderingsaanslagen – zoals verminderd na bezwaar en beroep - terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. In bijzonder is in geschil of de door [N] betaalde bedragen en het gebruik van de Mercedes bij belanghebbende kunnen worden belast.

3.2

Belanghebbende stelt dat de door [N] verstrekte gelden bij hem niet kunnen worden belast omdat ze na verkoop van het appartement weer terugbetaald moeten worden.

Met betrekking tot het gebruik van de Mercedes is belanghebbende van mening dat dit niet tot belaste inkomsten kan leiden omdat hij de auto slechts op grond van amicale motieven heeft mogen gebruiken.

3.3

De Inspecteur is van mening dat de (verminderde) navorderingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Hij verwijst daarvoor onder andere naar de beslissing van de Rechtbank. Dit houdt in dat van de door [N] betaalde bedragen, € 172.796 (in het jaar 2002) en € 442.284 (in het jaar 2003) belast is als resultaat uit overige werkzaamheden. Met betrekking tot het gebruik van de Mercedes is € 18.000 terecht als belast inkomen in aanmerking genomen. Ook de interne compensatie met de correctie van de waarden van het appartement in het belastbaar resultaat uit sparen en beleggen dient naar zijn mening in stand te blijven.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur, alsmede van de onderwerpelijke navorderingsaanslagen en naar het Hof begrijpt de heffingsrentebeschikkingen.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1

Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift in hoger beroep, gedateerd 6 november 2012, het aanbod gedaan om zichzelf en de heren [P] en [T] als getuigen te horen. Het Hof heeft in verband met het horen van de heren [P] en [T] de geplande zitting van 28 februari 2013 uitgesteld. De griffier heeft belanghebbendes advocaat daar schriftelijk en telefonisch van op de hoogte gesteld. Omdat jegens de heren [P] en [T] (hierna: de getuigen) ook een strafrechtelijk onderzoek loopt en belanghebbendes advocaat de inschatting maakte dat deze heren wellicht niet zouden willen getuigen indien belanghebbende hen hiervoor zou oproepen, heeft het Hof besloten deze getuigen zelf op te roepen. De griffier heeft belanghebbendes advocaat hierover op 14 maart 2013 telefonisch gesproken. Daarbij is afgesproken dat de adresgegevens van de getuigen aan de griffier zouden worden doorgegeven. Partijen zijn vervolgens op 14 maart 2013 uitgenodigd voor een zitting van het Hof op 16 mei 2013. Aangezien voormelde adresgegevens nog niet waren ontvangen heeft de griffier begin april 2013 de advocaat telefonisch gerappelleerd. Toegezegd is toen dat de adresgegevens alsnog zouden worden toegestuurd. In aanloop naar de zitting is in verband met het uitblijven van die gegevens op 6, 7 en 8 mei 2013 door de griffier telefonisch contact opgenomen met de secretaresse van de advocaat van belanghebbende. Telkens is daarbij het (tevergeefse) verzoek gedaan om in verband met eerder genoemde adresgegevens de advocaat te laten terugbellen. Ter zitting op 16 mei 2013 heeft de advocaat vervolgens zijn (getuigen)bewijsaanbod herhaald. De Inspecteur heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft aangegeven er in verband met de invordering van belastingschulden belang bij te hebben dat niet nog een keer de behandeling van deze zaak wordt uitgesteld.

4.2

Bij de beoordeling van het al dan niet honoreren van voormeld bewijsaanbod dient een belangenafweging plaats te vinden. Hierbij acht het Hof van belang dat de geplande zitting van 28 februari 2013 is uitgesteld teneinde de getuigen te kunnen oproepen, dat het Hof dat met de advocaat van belanghebbende heeft gecommuniceerd en dat de advocaat op een vijftal verzoeken om adresgegevens van de getuigen over te leggen niet heeft gereageerd, zonder dat hij daarvoor een bijzondere reden kon geven. Het verzoek van belanghebbende om de getuigen desondanks in een nadere zitting te horen wordt door het Hof, in het licht van het belang van de Inspecteur om geen nader uitstel van de behandeling van het onderzoek ter zitting te willen, vanwege het algemene belang van een doelmatige procesgang afgewezen (HR 15 juni 2012, nr. 11/03308, ECLI:NL:HR:2012:BW8344) .

4.3

Belanghebbende is ter zitting niet als getuige gehoord. Er bestaat namelijk geen aanleiding om, zonder daartoe strekkende wettelijke bepaling, aan te nemen dat een partij in belastingzaken als getuige kan worden gehoord. Anders dan in het burgerlijk proces bestaat in belastingzaken in mindere mate de behoefte aan het horen van een der partijen als getuige omdat de rechter die over de feiten oordeelt, bevoegd is een ter zitting afgelegde verklaring van een der partijen als bewijs te bezigen indien hij die verklaring aannemelijk acht (HR 17 juni 1992, nr. 27 048, LJN: B 8123, BNB 1992/295 en HR 9 augustus 2013, nr. 13/00078, ECLI:NL:HR:2013:196).

de [N] betalingen

4.4

De Inspecteur, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft gesteld dat de in 3.3. vermelde bedragen bij belanghebbende als resultaat uit overige werkzaamheden dienen te worden belast. De Inspecteur heeft in dat verband gesteld dat belanghebbende zijn machtspositie bij [K] heeft gebruikt om [N], wiens voortbestaan afhankelijk was van de opdrachten van [K], betalingen voor het appartement te laten doen. Belanghebbende heeft hier tegenover gesteld dat de door [N] betaalde bedragen een investering betreffen in het appartement. Belanghebbende is primair van mening dat [N] daardoor het 50% economische eigendom van het appartement heeft verkregen en dat deze gelden terugbetaald dienden te worden. Subsidiair heeft hij gesteld dat deze gelden in de vorm van een geldlening zijn verstrekt waarvoor een aflossingsverplichting geldt.

4.5

Belanghebbende heeft primair gesteld dat de betalingen door [N] aangemerkt dienen te worden als investeringen in het economische eigendom van het appartement. Het Hof acht zulks niet aannemelijk, nu uit de akte van levering noch uit de koop-aannemingsovereenkomst van het appartement blijkt dat belanghebbende niet over het volledige (economische en juridische) eigendom zou beschikken. Daarenboven heeft [P] jegens de FIOD-ambtenaren verklaard – het Hof heeft geen reden aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen - dat het appartement voor belanghebbendes dochter was bedoeld en dat hij nooit met belanghebbende heeft gesproken om samen eigenaar te worden. Overigens heeft belanghebbendes dochter ook in de periode van 9 februari 2004 tot 7 oktober 2009 op dit adres ingeschreven gestaan. Belanghebbendes stelling dat zijn dochter niet in deze periode in het appartement heeft gewoond, acht het Hof, mede in het licht van die inschrijving, ongeloofwaardig, evenals de stelling van belanghebbende dat de inrichting bedoeld was voor de potentiële koper [Q].

4.6

Ook belanghebbendes subsidiaire stelling dat het totaal van de betalingen door [N] aangemerkt dient te worden als een aan hem verstrekte lening wordt door het Hof verworpen. Belanghebbende heeft namelijk bij de FIOD steeds ontkend dat deze gelden als een aan hem verstrekte lening moeten worden aangemerkt. Dat hij de in 2.9 vermelde brief mede ondertekend heeft, doet daar niet aan af omdat hij daarover heeft verklaard dat het voor hem feitelijk geen lening was en dat het waarschijnlijk was dat [P] deze brief nodig heeft gehad voor zijn eigen boekhouding. Dat de in 2.10 opgenomen brief niet door hem is ondertekend, bevestigt laatstgenoemde verklaring, alsook het feit dat [P] zijn in eerste instantie ter verificatie ingediende vordering bij belanghebbendes faillissementscurator vanwege opportuniteitsredenen op 24 augustus 2012 heeft ingetrokken en hij in zijn aangiften IB/PVV voor onderwerpelijke jaren een dergelijke schuld niet heeft opgenomen.

4.7

Aangezien voormelde betalingen door [N] niet zijn aan te merken als een investering in het economische eigendom van het appartement, noch als een aan belanghebbende verstrekte lening dient beoordeeld te worden of, zoals de Inspecteur voorstaat, deze gelden als een resultaat uit overige werkzaamheden bij belanghebbende kunnen worden belast.

4.8

Onder een overige werkzaamheid, zoals bedoeld in artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001, dient te worden verstaan het verrichten van enige vorm van arbeid in het economische verkeer, die is gericht op het behalen van een geldelijk voordeel en die niet is aan te merken als winst uit onderneming of als loon uit dienstbetrekking.

4.9

Belanghebbende heeft ter zitting bij het Hof geloofwaardig verklaard dat hij met [P] een zakelijke relatie onderhield. Dat de betalingen door [N] en door [P] aan belanghebbende, vanuit die partijen gezien, uit louter zakelijke motieven zijn geschied, acht het Hof dan ook aannemelijk. Gelet op de in 2.14 opgenomen verklaring acht het Hof voorts aannemelijk dat [P]/[N] jegens belanghebbende in een afhankelijkheidsrelatie stonden. [N] werd door haar enige opdrachtgever [K] - in de persoon van belanghebbende, haar bestuursvoorzitter - voorzien van vastgoedprojecten en behoefde niet direct de in 2.14 bedoelde rekening-courantschuld aan [K] af te lossen terwijl in ruil daarvoor [N] betalingen aan belanghebbende deed. De stelling van belanghebbende dat hij nooit alléén de beslissing kon nemen om opdrachten aan [N] te gunnen kan aan dit oordeel niet afdoen omdat in de relatie tussen belanghebbende en [P]/[N] die afhankelijkheid door de laatsten wel als zodanig is ervaren. Deze feiten en omstandigheden tezamen, alsook dat deze – gelet op hetgeen hierna met betrekking tot de Mercedes wordt geoordeeld – niet op zichzelf staan, brengen het Hof tot de conclusie dat belanghebbende in het economische verkeer arbeid heeft verricht en dat hij daarvoor in de vorm van de [N]-betalingen is beloond. Daarmee zijn deze inkomsten te kwalificeren als een resultaat uit overige werkzaamheden. Nu het in dit geval voor de hoogte van het belastbare inkomen niet uitmaakt of deze inkomsten wellicht als loon danwel als winst uit een door belanghebbende gedreven onderneming zijn te beschouwen, zal het Hof niet beoordelen of de inkomsten onder één van deze beide inkomenscategorieën geschaard moeten worden.

De Mercedes

4.10

Vaststaat dat [T] een louter zakelijke relatie met belanghebbende heeft gehad en dat [S], waarvan [T] aandeelhouder is, een vaste zakenrelatie van [K] was.

4.11

[T] heeft tegenover ambtenaren van de FIOD verklaard dat hij ongeveer 5 of 7 maanden van 2003 in de Mercedes heeft gereden. Hij heeft ook verklaard dat belanghebbende de auto van hem wilde kopen en dat hij hem eerst op proef heeft gehad, waarna belanghebbende de Mercedes daadwerkelijk heeft gekocht en het kenteken op belanghebbendes naam is gezet. Belanghebbende heeft hiervoor niets betaald. [T] heeft voorts verklaard dat hij verwacht dat belanghebbende hem alsnog de koopprijs zal voldoen. De indirect medebestuurder van [S], [V], heeft verklaard dat belanghebbende altijd de beschikking heeft gehad over het kentekenbewijs van de Mercedes.

4.12

De Mercedes is door [S] aangeschaft en zij heeft in 2003 deze verzekerd en heeft de verzekeringspremies en de motorrijtuigenbelasting voor dit voertuig betaald, echter zij heeft de Mercedes niet op haar balans geactiveerd. Belanghebbende heeft negen facturen, die aan hem zijn gericht, in de periode 28 mei 2003 tot en met 21 juni 2005 in verband met het onderhoud van de Mercedes betaald. Ook is door de FIOD vastgesteld dat de Mercedes in de periode tussen 15 januari 2003 en 25 januari 2003 op het terrein van belanghebbendes woning stond en dat deze op 10 januari 2006 door de echtgenote van belanghebbende is ingeruild voor een ander type Mercedes. De factuur waarop de aanschafprijs (€ 124.750) en de inruilprijs (€ 58.500) is vermeld, is ook aan haar gericht. Het uiteindelijk verschuldigde bedrag (het saldo) van € 66.250 is betaald door belanghebbende, waarvan € 65.000 afkomstig was van een door hem in Spanje aangehouden bankrekening. De verklaring van [T] dat hij zelf circa 5 tot 7 maanden in de Mercedes heeft gereden, acht het Hof ongeloofwaardig. [T] heeft over het gebruik namelijk ook verklaard dat hij er in de zomer van 2003 in gereden heeft, terwijl [V], heeft verklaard dat belanghebbende altijd de beschikking heeft gehad over het kentekenbewijs van de Mercedes. De verklaring van [T] dat hij verwacht dat belanghebbende hem alsnog de koopprijs van de Mercedes zal voldoen acht het Hof, mede gelet op het feit dat de Mercedes door belanghebbende is ingeruild, eveneens ongeloofwaardig.

4.13

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is het Hof met de Rechtbank van oordeel dat de Mercedes belanghebbende nagenoeg geheel in 2003 door [S] om niet ter beschikking is gesteld. Vanwege de zakelijke relatie tussen belanghebbende en [T] en de zakelijke relatie tussen belanghebbende/[K] en [S] is het voordeel van die ter beschikkingstelling aan belanghebbende toegekomen en is dit bij belanghebbende belast als resultaat uit overige werkzaamheden.

4.14

Het door de Inspecteur berekende voordeel van de terbeschikkingstelling van de Mercedes ter grootte van € 18.000 is door belanghebbende niet betwist en komt het Hof ook niet te hoog voor.

4.15

De in de navorderingsaanslag IB/PVV over 2003 begrepen correctie bedraagt echter € 42.500. Er is derhalve in verband met het voordeel van de Mercedes € 24.500 door de Inspecteur teveel gecorrigeerd. De Inspecteur wil echter ‘intern compenseren’ met het alsnog in Box 3 belasten van de waarde van het appartement. Belanghebbende heeft tegen dit standpunt van de Inspecteur geen grieven aangevoerd. Nu niets zich verzet tegen een dergelijke interne compensatie verenigt het Hof zich met het oordeel van de Rechtbank dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen met € 7.167 dient te worden verhoogd tot € 17.775.

4.16

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep in zoverre ongegrond.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. N.G.U. Bezemer als griffier.

De beslissing is op 21 januari 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(N.G.U. Bezemer)

(A.J. Kromhout)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 22 januari 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.