Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4147

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-05-2014
Datum publicatie
13-06-2014
Zaaknummer
200.122.885-01 200.122.886-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekening krachtens huwelijkse voorwaarden; partneralimenatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 22 mei 2014

Zaaknummer 200.122.885/200.122.886

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats 1],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J-W.F. van Horssen, kantoorhoudende te Leek,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.M. van Duursen, kantoorhoudende te Roden.

Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van 4 december 2012 van de rechtbank Groningen (zaaknummer 128590 / FA RK 11-1837).

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 1 maart 2013, heeft de man verzocht de beschikking van 4 december 2012 te vernietigen voor zover deze de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de kinder- en partneralimentatie betreft en opnieuw beslissende:

I. de zaken zoals vermeld op de linkerkolom van de inboedellijst, overgelegd als productie 12 aan de man toe te scheiden en de zaken zoals vermeld in de rechterkolom aan de vrouw;

II. te bepalen dat de man terzake van de verrekening gehouden is om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 47.275,62 en de vrouw gehouden is aan de man te betalen een bedrag van € 1.230,44;

III. terzake verrekening van de auto te bepalen dat de vrouw gehouden is aan de man te betalen een bedrag van € 5.500,-;

IV. te bepalen dat de polis van levensverzekering bij Delta Lloyd Levensverzekering N.V. met polisnummer [nummer] (voor zover nodig) aan de man wordt toegedeeld onder gehoudenheid om de helft van de waarde van deze polis per 5 augustus 2011 aan de vrouw te betalen;

V. te bepalen dat de man terzake van verrekening met betrekking tot de overige vermogensbestanddelen, een bedrag van € 11.731,- aan de vrouw dient te voldoen;

VI. te bepalen dat de vrouw terzake de reeds door de man afbetaalde lening gehouden is om aan de man een bedrag te betalen van € 14.747,86;

VII. terzake het saldo van de bankrekening MoneYou met nummer [rekeningnummer 1] te bepalen dat de vrouw gehouden is aan de man te betalen € 2.851,70;

VIII. te bepalen dat de man met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] met een bedrag van € 613,- per maand, voor het eerst te indexeren met ingang van 1 januari 2014;

(naar het hof begrijpt:) IX. het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud af te wijzen, subsidiair de duur hiervan te beperken op maximaal twee jaar te rekenen vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

(naar het hof begrijpt:) X. te bepalen dat de betalingen waartoe de man gehouden zal zijn krachtens de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden betaald mogen worden in tien jaarlijkse termijnen,

kosten rechtens.

Bij verweerschrift, binnengekomen bij de griffie op 16 april 2013, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht het door de man ingestelde beroep ongegrond te verklaren en zijn verzoeken af te wijzen.

Tevens heeft de vrouw bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking van 4 december 2012 te vernietigen voor zover deze de kinderalimentatie en de partneralimentatie betreft en opnieuw beslissende te bepalen dat de man met ingang van [in 2012] aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] een bedrag van
€ 697,- per maand dient te betalen, voor het eerst te indexeren per 1 januari 2013 en als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 1.859,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, en de man te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep, waaronder de kosten van haar advocaat.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 13 juni 2013, heeft de man het verzoek in het incidenteel beroep bestreden en verzocht het door de vrouw ingestelde incidentele appel ongegrond te verklaren en haar verzoeken af te wijzen, kosten rechtens.

Het hof heeft tevens kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een journaalbericht met bijlagen van 22 mei 2013, een journaalbericht met bijlagen van 31 juli 2013, een journaalbericht met bijlagen van 21 oktober 2013, alle van mr. Van Horssen en een journaalbericht met bijlagen van 31 oktober 2013 van mr. Van Duursen.

Ter zitting van 12 november 2013 zijn de zaken met nummers 200.122.885 (kinder- en partneralimentatie) en 200.122.886 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden) behandeld. Verschenen zijn de man, mr. Van Horssen, de vrouw en mr. Van Duursen. Mr. Van Horssen en mr. Van Duursen hebben het woord gevoerd mede aan de hand van de door hen overgelegde pleitaantekeningen c.q. pleitnotities.

Na de mondelinge behandeling van het hof heeft mr. Van Duursen, met toestemming van het hof, bij journaalbericht van 12 november 2013 productie 6 van het verweerschrift tevens incidenteel appel overgelegd, te weten de draagkrachtberekening van 12 april 2013, nu deze abusievelijk niet volledig was gekopieerd.

Ter zitting heeft het hof met partijen gesproken over de mogelijkheid om alsnog in onderling overleg tot overeenstemming te komen over de punten die hen verdeeld houden. Partijen toonden zich bereid zich hiervoor in te zetten en het hof heeft partijen de gelegenheid geboden om uiterlijk 12 december 2013 aan het hof te berichten of overeenstemming is bereikt. Bij journaalbericht van 10 december 2013 van mr. Van Duursen, journaalbericht van 10 december 2013 van mr. Van Horssen en journaalbericht met bijlage van 8 januari 2014 van mr. Van Horssen is meegedeeld dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt.

Voorts heeft het hof kennisgenomen van een journaalbericht van 31 maart 2014 van mr. Van Horssen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1.

Partijen zijn op [in 1991] in de gemeente [woonplaats 1] met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan het huwelijk zijn zij, bij akte van 13 mei 1991 verleden voor mr. [notaris], toenmalig notaris in de gemeente [woonplaats 1], huwelijkse voorwaarden overeengekomen.

2.

Uit het huwelijk van partijen is geboren de thans nog minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), geboren op[geboortedatum] in de gemeente [woonplaats 1]. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

3.

Niet in geschil is dat partijen medio 2011 uit elkaar zijn gegaan en dat zij in oktober 2011 weer bij elkaar zijn gekomen. Begin januari 2012 zijn partijen definitief uiteen gegaan.

4.

Uit artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden blijkt dat partijen zijn gehuwd met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen.

5.

In artikel 5 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden is het volgende vermeld:

"2. Onder netto-inkomen wordt verstaan het inkomen onder aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing-volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen."

6.

Artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden luidt als volgt:

"De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomen in de zin van artikel 5, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen, worden de vorderingen gecompenseerd tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van het inkomen van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd."

7.

Artikel 11 van de huwelijkse voorwaarden luidt als volgt:

"Geen verrekening heeft plaats:

a. over de tijd, dat de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat;

(..)"

8.

Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 16 augustus 2011, heeft de vrouw de rechtbank verzocht (voor zover hier van belang):

- de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

- te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zoon aan de vrouw een bedrag van € 780,- per maand betaalt, bij vooruitbetaling te voldoen;

- te bepalen dat de man met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw aan haar een bedrag van
€ 4.500,- bruto per maand betaalt, bij vooruitbetaling te voldoen;

- te bepalen dat de man terzake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw dient te betalen een nog nader vast te stellen bedrag, gelijk aan de helft van de waarde van het voor verrekening in aanmerking komend vermogen, te voldoen binnen een maand na vaststelling van dat bedrag en te bepalen dat de man aan de vrouw wegens aan hem geleende gelden een bedrag van € 29.495,71 dient te betalen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
1 september 2011.

De man heeft een verweerschrift, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek ingediend.

9.

Bij beschikking van 8 mei 2012 heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

10.

De echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op
[in 2012].

11.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat partijen zijn overeengekomen dat:

- de inboedel in onderling overleg wordt verdeeld;

- de betaalrekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer 2], zonder verdere verrekening, aan de man wordt toegedeeld;

- de betaalrekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer 3], zonder verdere verrekening, aan de vrouw wordt toegedeeld;

- de op naam van de man staande rekening Moneyou met nummer [rekeningnummer 4] aan de man wordt toegedeeld, onder betaling van de helft van het saldo van
€ 48.033,73 aan de vrouw;

- de op naam van de man staande rekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer 5] aan de man wordt toegedeeld, onder betaling van de helft van het saldo van € 10.500,- aan de vrouw;

- de op naam van de man staande effectenrekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer 6] aan de man wordt toegedeeld, onder betaling van de helft van het saldo van € 35.931,50 aan de vrouw;

- de op naam van de vrouw staande spaarrekeningen bij de Rabobank met nummers [rekeningnummer 7] en [rekeningnummer 8] aan de vrouw worden toegedeeld, onder betaling van de helft van het saldo van € 786,59 aan de man;

- de bij de man in bezit zijnde auto, zonder verdere verrekening, aan de man wordt toegedeeld;

- de bij de vrouw in bezit zijnde auto, zonder verdere verrekening, aan de vrouw wordt toegedeeld;

- de waarde van de polis van levensverzekering bij Delta Lloyd Levensverzekering N.V. (polisnummer [nummer]) per 5 augustus 2011 bij helfte tussen partijen wordt verdeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank het volgende bepaald:

- de man dient ter zake achterstallige rente over het jaar 2011 een bedrag ter hoogte van € 250,- aan de vrouw te voldoen;

- de man dient ter zake van verrekening met betrekking tot de overige vermogensbestanddelen een bedrag ter hoogte van € 87.642,- zoals hierboven is gemotiveerd, aan de vrouw te voldoen;

- de man dient met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] met een bedrag van € 693,- per maand, voor het eerst te indexeren met ingang van 1 januari 2013;

- de man dient met ingang van de datum waarop de vrouw de voormalige echtelijke woning zal hebben verlaten bij te dragen in de kosten van haar levensonderhoud met een bedrag ter hoogte van € 1.566,- bruto per maand.

Het meer of anders verzochte voor zover dit betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, alsmede in de kosten van levensonderhoud van de vrouw is afgewezen. De beslissing met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is aangehouden.

12.

Partijen zijn het erover eens dat als peildatum voor de waarde van de polis en bank/effectenrekeningen 5 augustus 2011 dient te worden gehanteerd en als peildatum voor de waarde van de onroerende zaak 1 januari 2012.

Het oordeel van het hof

De grieven

13.

De man heeft in het principaal appel veertien grieven opgeworpen.

De vrouw heeft in het incidenteel appel zeven grieven opgeworpen.

14.

De grieven I tot en met VII in het principaal appel betreffen de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De grieven II en III in het principaal appel hebben betrekking op de verrekening van het woonhuis, de loods, winkel en inventaris en de bijbehorende hypothecaire geldlening. Derhalve zal het hof de grieven II en III in het principaal appel gezamenlijk behandelen.

De grieven XI en XII in het principaal appel en II in het incidenteel appel zien op de vaststelling van de kinderalimentatie.

De grieven VIII tot en met X, XIII en XIV in het principaal appel en I tot en met VII in het incidenteel appel betreffen de vaststelling van de partneralimentatie.

Ten aanzien van zaaknummer 200.122.886, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

Grief I in het principaal appel

15.

De man stelt zich in grief I op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat partijen ter zitting overeenstemming hebben bereikt ten aanzien van de inboedel, de bankrekeningen, de auto's en de levensverzekering van partijen. De man verwijst naar punt 28 tot en met 34 van zijn beroepschrift. De vrouw betwist dat er geen sprake is van overeenstemming op de door de man genoemde onderdelen.

16.

Bij de beoordeling van dit geschilpunt moet worden vooropgesteld dat de vraag of ten aanzien van een overeenkomst, bij het tot stand komen waarvan een aantal onderling samenhangende verbintenissen moet worden geregeld, overeenstemming omtrent een of meer onderdelen een overeenkomst doet ontstaan zolang omtrent andere onderdelen nog geen overeenstemming bestaat, afhankelijk is van de bedoeling van partijen, zoals deze op grond van de betekenis van hetgeen wel en niet geregeld is, van het al dan niet bestaan van het voornemen tot verder onderhandelen en van de verdere omstandigheden van het geval moet worden aangenomen (HR 2 februari 2001, NJ 2001, 179).

17.

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende aangetoond dat een zodanige overeenkomst inzake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tot stand is gekomen waarvan de vrouw nakoming kan vorderen. Uit de stukken en de behandeling ter zitting van het hof is onvoldoende gebleken dat voor beide partijen de hoogte van de onder- dan wel overbedelingsvordering duidelijk was. Uit het proces-verbaal van de comparitie van 17 juli 2012 bij de rechtbank kan dat ook niet worden afgeleid. Tevens neemt het hof in aanmerking dat is gebleken dat de man na de comparitie van 17 juli 2012 contact heeft opgenomen met zijn bank in verband met de mogelijkheden tot financiering wegens een onder- dan wel overbedelingsvordering. Het hof maakt hieruit op dat ter comparitie bij de rechtbank in het kader van de onderhandelingen geen rekening is gehouden met hetgeen voor de man financieel haalbaar was. Duidelijkheid omtrent de onder- dan wel overbedelingsvordering en financiering daarvan dient naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval te worden beschouwd als één van de essentialia van de overeenkomst inzake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Nu overeenstemming hierover ontbreekt is het hof van oordeel dat geen definitieve overeenkomst tot stand is gekomen. Voor zover partijen tijdens de comparitie van 17 juli 2012 over enige hoofdzaken van de verdeling overeenstemming hebben bereikt - wat hier verder ook van zij - rechtvaardigt dat niet het verzoeken van de nakoming van deze onderdelen.

18.

Het hof overweegt het volgende ten aanzien van de verdeling c.q. verrekening van (de waarde van) de inboedel, de bankrekeningen, de auto's en de levensverzekering van partijen.

19.

De man heeft als productie 12 de door hem opgemaakte staat van verdeling van de inboedel overgelegd. De vrouw heeft daarop in haar verweerschrift, tevens inhoudende een incidenteel appel, gereageerd.

20.

Niet in geschil is dat aan de man de volgende zaken dienen te worden toegedeeld:

- een computer;

- een fototoestel;

- een hoekbank;

- een droogmolen;

- een eethoek met 6 stoelen;

- een koel-vriescombinatie;

- een videocamera met originele bandjes;

- een wasmachine en droogtrommel;

- een pannenset via spaaracties kruidenfirma's;

- digitale camera;

- oplaadbare stofzuiger.

21.

Niet in geschil is dat aan de vrouw de volgende zaken dienen te worden toegedeeld:

- een computer;

- een fototoestel;

- een bank, design Rolf Bens

- een droogmolen;

- een terracotta design stoel;

- twee staande lampen;

- een DVD-speler;

- de gekopieerde bandjes van de videocamera, nu op DVD's;

- de goederen die door de vrouw ten huwelijk zijn aangebracht volgens de staat van aanbrengsten ten huwelijk behorend bij de akte van huwelijkse voorwaarden, voor zover deze nog aanwezig zijn.

22.

Op grond van artikel 2 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden van partijen zijn lijfsieraden eigendom van degene in wiens gebruik zij zijn of tot wiens gebruik zij zijn bestemd, ongeacht van wiens zijde deze zaken zijn opgekomen en wel zonder enige vergoeding aan de andere echtgenoot. Van deze bepaling zijn uitgezonderd de lijfsieraden die buiten de werking van dit beding zijn gebracht door een dienovereenkomstige vermelding bij de desbetreffende aanbreng van een echtgenoot op de aan de huwelijkse voorwaarden gehechte staat van aanbrengsten en/of die lijfsieraden waarvan een echtgenoot aantoont dat deze door hem zijn verkregen door erfrecht of schenking. Nu gesteld noch gebleken is dat een van deze uitzonderingen zich voordoet, zal het hof partijen de lijfsieraden toedelen aan hem of haar bij wie zij in gebruik zijn dan wel tot wiens gebruik ze zijn bestemd. Voor het overige acht het hof het redelijk de inboedelgoederen - met inachtneming van het voorgaande - op de volgende wijze te verdelen.

23.

Het hof bepaalt dat aan de man wordt toegedeeld:

- een kledingkast;

- de televisie(s) die hij in gebruik heeft;

- het kastje met glazen blad;

- de sieraden die bij hem in gebruik zijn dan wel tot zijn gebruik zijn bestemd;

24.

Het hof bepaalt dat aan de vrouw wordt toegedeeld:

- een kledingkast;

- de televisie(s) die zij in gebruik heeft;

- het dubbelgraf;

- de originele video's en dvd's onder de verplichting om kopieën daarvan aan de man te verstrekken, op kosten van partijen te maken en door de vrouw aan de man af te geven;

- het fotoboek over [x], onder de verplichting om kopieën daarvan te maken, gezamenlijk door partijen te bekostigen en aan de man af te geven;

- het gedachtenisboek;

- de bureau met stoel;

- de sieraden die bij haar in gebruik zijn dan wel tot haar gebruik zijn bestemd.

25.

Niet (meer) in geschil is dat de waarde van de polis van levensverzekering bij Delta Lloyd Levensverzekering N.V. (polisnummer [nummer]) per 5 augustus 2011 bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld. De man heeft een brief van 25 februari 2013 van Delta Lloyd overgelegd waarin is vermeld dat de waarde van deze polis per 5 augustus 2011 € 3.045,- bedraagt. Nu de vrouw deze waarde niet heeft betwist, zal het hof hiervan uitgaan. De man dient derhalve in verband met het voorgaande een bedrag van € 1.522,50 aan de vrouw te voldoen.

26.

Ten aanzien van de bankrekeningen van partijen zal het hof de verrekening bepalen zoals de man in zijn beroepschrift heeft voorgesteld, met dien verstande dat het hof rekening houdt met de correcties daarop zoals de man ter zitting heeft aangegeven, nu de vrouw te kennen heeft gegeven zich hierin te kunnen vinden. Gelet op het voorgaande zal het hof de verrekening van de bank/effectenrekeningen als volgt bepalen:

- ten aanzien van de verrekening van het saldo op Rabobankrekening met nummer [rekeningnummer 9] is de man gehouden aan de vrouw te betalen de helft van het saldo van € 203,29, ofwel € 101,65;

- ten aanzien van de verrekening van het saldo op de rekening inzake MoneYou met nummer [rekeningnummer 10] is de man gehouden aan de vrouw te betalen de helft van het saldo van € 48.033,73, ofwel € 24.016,87;

- ten aanzien van de verrekening van het saldo op Rabobankrekening met nummer [rekeningnummer 11] is de man gehouden aan de vrouw te betalen de helft van het saldo van € 10.500, ofwel € 5.250,-;

- ten aanzien van de effectenrekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer 6] is de man gehouden aan de vrouw te betalen de helft van het saldo van
€ 35.931,50, ofwel € 17.965,75;

- ten aanzien van de verrekening van het saldo op Rabobankrekening met nummer [rekeningnummer 12] is de vrouw gehouden aan de man te betalen de helft van € 2.374,27, ofwel € 1.187,14;

- ten aanzien van de rekeningen met nummers [rekeningnummer 7] en [rekeningnummer 8] is de vrouw gehouden aan de man te betalen de helft van het saldo van in totaal
€ 786,59, ofwel € 393,30.

27.

Gelet op het onder rechtsoverweging 26 overwogene is de man in totaal een bedrag van € 47.334,27 aan de vrouw verschuldigd en de vrouw in totaal een bedrag van € 1.580,44 aan de man. Dit betekent dat de man op grond van het voorgaande een bedrag van € 45.753,83 aan de vrouw dient te voldoen.

28.

De man heeft voorts gesteld dat de vrouw een bedrag van € 12.000,- heeft opgenomen van een rekening van de onderneming van de man en dat zij daarvan € 11.000,- heeft besteed aan de aankoop van een auto. De man is van mening dat de auto is gefinancierd met overgespaarde inkomsten en dat de vrouw daarom de helft van de waarde van de auto, te weten € 5.500,- aan hem dient te betalen. Het hof overweegt hierover als volgt.

29.

Uit de stukken is gebleken dat op 4 augustus 2011 een bedrag van € 12.000,- is overgemaakt van een bankrekening van de onderneming van de man naar een bankrekening van de vrouw. Niet in geschil is dat de vrouw van dit bedrag een auto ter waarde van € 11.000,- heeft gekocht. Nu de vrouw op de peildatum 5 augustus 2011 beschikte over een bedrag van € 11.000,-, waarvoor zij een auto heeft gekocht, komt voormeld bedrag voor verrekening in aanmerking en dient zij de helft van het bedrag van € 11.000,-, te weten € 5.500,-, aan de man te voldoen.

30.

Het hof constateert dat de auto van de man, een Renault Traffic, in de jaarrekeningen is betrokken. In de jaarrekeningen is rekening gehouden met de aanschaf van de auto en de afschrijvingen daarop. Nu deze kosten inzake de auto behoren tot de normale bedrijfskosten van de slagerij van de man en derhalve niet behoren tot het netto-inkomen van de man, is het hof van oordeel dat de bedrijfsauto van de man niet in de verrekening dient te worden betrokken.

31.

Grief I in het principaal appel slaagt derhalve deels.

Grieven II en III in het principaal appel

32.

De man heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat partijen het er over eens zijn dat de eenmanszaak met daarin het woonhuis, de loods, de winkel en inventaris en de bijbehorende hypothecaire geldlening toebehoren aan de man, maar dat verrekening dient plaats te vinden van de waarde in verband met investering uit overgespaard inkomen. Het hof overweegt hierover als volgt.

33.

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende aangetoond dat een zodanige overeenkomst inzake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tot stand is gekomen waarvan de vrouw nakoming kan vorderen. Het hof verwijst naar hetgeen het hof reeds hiervoor onder grief I in het principaal appel heeft overwogen.

34.

In de grieven II en III in het principaal appel is tussen partijen in geschil of de waarde van het winkelgedeelte van de onroerende zaak van de man en de inventaris dient te worden verrekend. Voorts is de hoogte van de waarde van de onroerende zaak van de man, bestaande uit een winkelpand en een privégedeelte met loods, in geschil. Partijen zijn het erover eens dat de waarde van het privégedeelte met loods dient te worden verrekend.

35.

Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:141 lid 1 BW bepaalt dat indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend, de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand blijft en deze zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan. Op grond van het derde lid van dit artikel wordt, indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

36.

Tegen het bewijsvermoeden van lid 3 staat tegenbewijs open. Voor het leveren van tegenbewijs is voldoende dat het bewijsvermoeden wordt ontzenuwd. Het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW beoogt de afwikkeling van periodieke verrekenbedingen te vergemakkelijken. De bepaling brengt in beginsel geen verschuiving mee ten aanzien van de bewijslast en het bewijsrisico. Dit leidt ertoe dat indien de echtgenoot slaagt in voornoemd tegenbewijs het op de weg van de andere echtgenoot ligt om te stellen en bij betwisting, te bewijzen, dat sprake is van vermogen dat is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden.

37.

De man heeft gesteld dat de waarde van het winkelpand niet dient te worden verrekend. Evenmin dient volgens de man de waarde van de inventaris van zijn onderneming te worden verrekend.

38.

Het hof overweegt hierover als volgt. Vast staat dat de onroerende zaak met zowel het winkelpand als het privégedeelte met loods eigendom is van de man. Gebleken is dat het winkelgedeelte en de financiering daarvan zijn vermeld in de jaarrekeningen van de onderneming van de man. Anders dan de man stelt, komt uit de jaarrekeningen naar voren dat de aankoop van het winkelgedeelte is gefinancierd met een hypothecaire lening van f 110.000,-. Bovendien volgt uit de jaarrekeningen dat deze lening volledig is afgelost. Op grond van artikel 1:141 lid 1 BW wordt vermoed dat deze lening is afgelost met overgespaarde inkomsten, zodat de waarde van het winkelgedeelte in beginsel dient te worden verrekend.

39.

Gelet op het voorgaande ligt het op de weg van de man om het vermoeden van artikel 1:141 lid 1 BW te weerleggen. Naar het oordeel van het hof heeft de man daartoe onvoldoende gesteld. De enkele stelling van de man dat uit de jaarrekeningen blijkt dat de hypothecaire geldlening ten aanzien van het winkelpand is afgelost, acht het hof onvoldoende.

40.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de gehele waarde van de onroerende zaak - zowel ten aanzien van het winkelgedeelte als het privégedeelte - dient te worden verrekend.

41.

Vast staat dat de onroerende zaak, zowel het winkel- als het woongedeelte met bijbehorende loods, in 1999 is aangekocht voor een bedrag van f 365.000,-, ofwel € 165.629,78. Gebleken is dat dit pand volledig is gefinancierd met een hypothecaire geldlening, te weten met een lening van f 110.000,- ten aanzien van het winkelgedeelte en een lening van f 255.000,- ten aanzien van het privégedeelte. Tevens is naar voren gekomen dat daarvan in totaal een bedrag van
€ 78.863,77 (f 110.000,-, ofwel € 49.915,82, ten aanzien van het winkelgedeelte en € 28.947,95 ten aanzien van het privégedeelte) is afgelost.

42.

Partijen twisten over de waarde van de onroerende zaak, bestaande uit het winkel- en woongedeelte met bijbehorende loods, per peildatum. Nu uit de stukken blijkt dat de WOZ-waarde over 2012 € 246.000,- (€ 234.000,- + € 12.000,-) bedroeg en aannemelijk is dat deze waarde aansluit bij de reële waarde, gaat het hof uit van deze waarde per 1 januari 2012, de peildatum.

43.

Gelet op het voorgaande bepaalt het hof de verrekening in verband met de aflossing op de hypothecaire geldlening ten aanzien van het onroerend goed op
((€ 78.863,77 / € 165.629,78) x € 246.000,-=) € 117.131,64, waarvan de man de helft aan de vrouw, zijnde afgerond € 58.566,- aan de vrouw dient te vergoeden.

44.

Voor zover de man heeft aangevoerd dat de formule dient te worden toegepast die door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juli 2009, LJN:BI4387, is gehanteerd, volgt het hof hem hierin niet. Deze formule heeft betrekking op een situatie waarin een woning tijdens het huwelijk werd verbouwd. Nu daarvan in het onderhavige geval geen sprake is, mist deze formule reeds om die reden toepassing.

45.

Ten aanzien van de verrekening van de waarde van de inventaris en de afschrijvingen daarop overweegt het hof als volgt. Vast staat dat de inventaris en de afschrijvingen daarop in de jaarrekeningen zijn betrokken. Naar het oordeel van het hof kunnen de aanschaf van inventaris en de afschrijvingen daarop in het algemeen worden gezien als passend binnen een normale bedrijfsvoering en dus niet als ten koste gaand van verrekenbaar inkomen.

46.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW in dit geval voldoende is weerlegd.

47.

Het voorgaande leidt ertoe dat het vervolgens op de weg van de vrouw ligt om te stellen en, aangezien de man haar stellingen gemotiveerd betwist, te bewijzen dat sprake is van vermogen dat is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden.

48.

Weliswaar stelt de vrouw dat de waarde van de inventaris in de verrekening moet worden betrokken, maar naar het oordeel van het hof heeft de vrouw haar stellingen, in het licht van het voorgaande, onvoldoende nader onderbouwd. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de waarde van de inventaris niet in de verrekening dient te worden betrokken.

49.

Het voorgaande betekent dat de grieven II en III in het principaal appel deels slagen.

Grief IV in het principaal appel

50.

De man heeft in grief IV in het principaal aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het door de vrouw aan de man geleende bedrag van € 29.495,71 privégelden van haar betreffen. Het hof overweegt hierover als volgt.

51.

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen wordt op grond van artikel 1:141 lid 3 BW, indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden.

52.

Uit de stukken is gebleken dat de lening van de vrouw aan de (onderneming van de) man ten bedrage van € 29.495,71 reeds jarenlang in de jaarrekening van de onderneming van de man onder de post 'vreemd vermogen lang' als 'lening echtgenote' is vermeld, zoals de vrouw heeft gesteld. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW op dit punt is weerlegd.

53.

Nu de vrouw het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW op dit punt voldoende heeft weerlegd, ligt het op de weg van de man om te stellen en bij betwisting, te bewijzen, dat sprake is van vermogen dat is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden.

54.

De man heeft gesteld dat de door de vrouw aan de onderneming van de man geleende gelden zijn gevormd uit de verkoopopbrengst van het onroerend goed aan de [adres] te [plaats 1] van f 57.000,-, waarvan de hypothecaire lening van f 30.000,- grotendeels door de man is afgelost. De man voert daartoe het volgende aan. De vrouw heeft in 1989 het pand aan de [adres] te [plaats 1] aangekocht voor een bedrag van f 40.000,-. De aankoop van het pand werd grotendeels gefinancierd met een hypothecaire geldlening van f 30.000,-, welke lening door partijen gezamenlijk is aangegaan. De man oefende zijn onderneming uit in het pand aan de [adres] te [plaats 1] en betaalde aan de vrouw huur voor het gebruik van het pand. In totaal heeft hij over de jaren 1990 tot en met 1993 een bedrag van f 26.700,- aan huur betaald. Nu de hypothecaire geldlening van

f 30.000,- met deze huurinkomsten is afgelost, is deze lening met overgespaarde inkomsten afgelost. Het pand aan de [adres] te [plaats 1] is op 2 december 1993 verkocht en bracht bij de verkoop f 57.000,- op. De man is van mening dat hij recht heeft op de helft althans een groot deel van deze opbrengst, nu deze mede het gevolg is van financiering uit overgespaarde inkomsten.

55.

De vrouw heeft de stellingen van de man betwist. Zij heeft aangevoerd dat zij met de ontvangen huurbetalingen de rente inzake de hypothecaire geldleningen en de kosten van het pand heeft voldaan. Voor zover de man heeft gesteld dat de hypothecaire geldlening van f 30.000,- is afgelost met overgespaard inkomen, kan hiervan volgens de vrouw geenszins sprake zijn voor wat betreft de periode tot
[in 1991], aangezien partijen op die datum zijn gehuwd en hun inkomsten vanaf dat moment pas conform de huwelijkse voorwaarden jaarlijks dienen te worden verrekend.

56.

Met de vrouw is het hof van oordeel dat over de periode tot [in 1991] geen sprake kan zijn van overgespaarde inkomsten, nu partijen op die datum zijn gehuwd en zij conform de huwelijkse voorwaarden hun netto-inkomen zoals bedoeld in artikel 5 huwelijke voorwaarden pas vanaf die datum jaarlijks dienen te verrekenen.

57.

Ten aanzien van de periode vanaf [in 1991] overweegt het hof als volgt.

Nu de vrouw de stellingen van de man gemotiveerd heeft betwist, ligt het op de weg van de man om zijn stelling dat de door de vrouw aan de onderneming van de man geleende gelden zijn ontstaan uit overgespaarde inkomsten, nader te onderbouwen. Naar het oordeel van het hof is de man daarin niet, althans onvoldoende, geslaagd. Het hof acht de door de man overgelegde pagina's van de jaarrapporten van de man over de jaren 1991 tot en met 1993 daartoe onvoldoende, nu daaruit enkel blijkt dat de man huurtermijnen heeft voldaan. Eveneens acht het hof het door hem overgelegde overzicht betreffende het vermogen en opbrengst van de vrouw over de periode van 1 januari 1991 tot en met 1 januari 1994 onvoldoende, nu daaruit enkel de hoogte van de hypothecaire geldlening blijkt.

58.

Gelet op het voorgaande gaat het hof voorbij aan de stelling van de man dat de gelden die de vrouw aan de onderneming van de man heeft geleend, overgespaarde inkomsten betrof en gaat het hof ervanuit dat het door de vrouw aan de onderneming van de man geleende bedrag privégelden van de vrouw betreft. Het verzoek van de man tot verrekening van de helft van het door hem geleende en inmiddels aan de vrouw terugbetaalde bedrag van € 29.495,71, dient derhalve te worden afgewezen.

59.

Het voorgaande betekent dat grief IV in het principaal appel faalt.

Grief V in het principaal appel

60.

In grief V in het principaal appel heeft de man aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man over 2011 een bedrag van € 1.250,- aan rente heeft voldaan in verband met de lening van € 29.495,71 van de vrouw aan de man. Volgens de man blijkt uit de stukken dat hij over 2011 een bedrag van
€ 1.500,- aan rente heeft voldaan in verband met deze lening. Nu de vrouw te kennen heeft gegeven dat zij het op dit punt met de man eens is, zal het hof het verzoek van de vrouw tot betaling van een bedrag van € 250,- ter zake achterstallige rente over het jaar 2011 door de man aan haar, afwijzen.

61.

Grief V in het principaal appel slaagt derhalve.

Grief VI in het principaal appel

62.

In grief VI in het principaal appel stelt de man aan de orde dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat partijen het erover eens zijn geworden dat het saldo op rekening MoneYou met nummer [rekeningnummer 1] tot het privévermogen van de vrouw behoort. Niet in geschil is dat de vrouw voor een bedrag van € 25.834,- aan schenkingen in privé heeft ontvangen op deze rekening. De man heeft aangevoerd dat het saldo op rekening MoneYou met nummer [rekeningnummer 1] voor zover dit het bedrag van € 25.834,- overschrijdt, afkomstig is uit overgespaard inkomen, te weten uit huurbetalingen van de man en/of rentebetalingen.

63.

De vrouw heeft gesteld dat reeds lange tijd, te weten vanaf 1994, geen sprake meer is van huurbetalingen van (de onderneming van) de man aan de vrouw. Tevens heeft de vrouw aangevoerd dat een deel van het saldo rente betreft die door de man aan haar is voldaan wegens de aan hem verstrekte geldlening. Voorts is een deel van het saldo volgens de vrouw ontstaan uit bijschrijving van gekweekte rente. De vrouw stelt dat deze rente privégelden betreffen, nu de schenking en ontvangen rente wegens de lening van de man aan de vrouw ook privégelden zijn. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW op dit punt is weerlegd.

64.

Nu de vrouw het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW op dit punt voldoende heeft weerlegd, ligt het op de weg van de man om te stellen en bij betwisting, te bewijzen, dat sprake is van vermogen dat is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden.

65.

Naar het oordeel van het hof heeft de man niet, althans onvoldoende onderbouwd dat het saldo op rekening MoneYou met nummer [rekeningnummer 1], voor zover dit het bedrag van € 25.834,- overschrijdt, overgespaard inkomen betreft ontstaan door huurbetalingen van de man, nu vast staat dat de rekening MoneYou met nummer [rekeningnummer 1] pas op 28 april 2009 is geopend en uit de stukken is gebleken dat de man reeds vanaf 1994 geen huurbetalingen meer heeft voldaan.

66.

Bovendien heeft de man naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende onderbouwd dat het saldo op rekening MoneYou met nummer [rekeningnummer 1] overgespaard inkomen betreft ontstaan door rentebetalingen van de man. Zoals het hof reeds hiervoor heeft overwogen, gaat het hof ervanuit dat de lening van de man aan de vrouw van € 29.495,71 tot het privévermogen van de vrouw behoort. Gelet hierop dient het ervoor te worden gehouden dat de rentebetalingen inzake deze geldlening tot het privévermogen van de vrouw behoren.

67.

Nu de man niet, althans onvoldoende, heeft aangetoond dat het saldo op rekening MoneYou met nummer [rekeningnummer 1], voor zover dit het bedrag van € 25.834,- overschrijdt, overgespaard inkomen betreft, is het hof van oordeel dat de bijgeschreven gekweekte rente op deze rekening evenmin overgespaarde inkomsten betreft.

68.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het saldo op rekening MoneYou met nummer [rekeningnummer 1], geen te verrekenen inkomen betreft.

Grief VI in het principaal appel faalt derhalve.

Tussenconclusie:

69.

De man dient op grond van het voorgaande de volgende bedragen aan de vrouw te voldoen:

- in verband met de verrekening van de waarde van de polis van levensverzekering bij Delta Lloyd Levensverzekering N.V. (polisnummer [nummer]) een bedrag van € 1.522,50;

- in verband met de verrekening van de bank- en effectenrekeningen een bedrag van € 45.753,83;

- in verband met de verrekening van het onroerend goed een bedrag van
€ 58.566,-.

70.

De vrouw dient op grond van het voorgaande een bedrag van € 5.500,- in verband met de verrekening van de waarde van haar auto aan de man te voldoen.

71.

Het voorgaande betekent dat de man per saldo een bedrag van afgerond
€ 100.342,- (€ 105.842,33 - € 5.500,-) aan de vrouw dient te voldoen.

Grief VII in het principaal appel

72.

In grief VII in het principaal appel heeft de man aangevoerd dat aan eventuele betalingen waartoe hij gehouden zal zijn, gelet op artikel 9 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden, de voorwaarde dient te worden verbonden dat deze bedragen in tien jaarlijkse termijnen door hem dienen te worden voldaan.

73.

Niet, althans onvoldoende, is gebleken welk bedrag de man kan lenen, rekening houdend met de op te leggen partneralimentatie -het hof verwijst voor de hoogte hiervan naar onderstaande overwegingen-, en zonder de liquiditeit en solvabiliteit van zijn onderneming op een onaanvaardbaar niveau te brengen. Het hof zal de man in de gelegenheid stellen stukken hieromtrent in te dienen. Tevens wordt de man in de gelegenheid gesteld aan het hof te berichten, zoveel mogelijk onderbouwd met stukken, of de man reeds een bedrag, en zo ja, welk bedrag, heeft betaald aan de vrouw in verband met de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Het hof stelt de vrouw in de gelegenheid op de reactie van de man te reageren.

74.

Het hof geeft partijen in overweging om op basis van de stukken die door de man zullen worden ingediend alsmede de reactie van de vrouw daarop alsnog te trachten tot overeenstemming te komen ten aanzien van hetgeen hen verdeeld houdt.

Ten aanzien van zaaknummer 200.122.885, de kinder- en partneralimentatie

Ten aanzien van de kinderalimentatie

75.

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de man een bedrag van € 693,- per maand zal voldoen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Nu de rechtbank de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] in de bestreden beschikking op dat bedrag heeft bepaald, hebben partijen ter zitting hun grieven ter zake deze onderhoudsbijdrage ingetrokken, te weten de grieven XI en XII in het principaal appel en II in het incidenteel appel. Derhalve behoeven deze grieven geen behandeling meer.

Ten aanzien van de partneralimentatie

De ingangsdatum

76.

Grief VII in het incidenteel appel betreft de ingangsdatum van de partneralimentatie.

77.

Het hof overweegt dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft bij het bepalen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting. Doorgaans wordt in echtscheidingsprocedures, zoals waarvan hier sprake is, gebruik makend van deze vrijheid, de ingangsdatum door de rechter gesteld op de dag van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en dient de onderhoudsplichtige er rekening mee te houden dat er een nabetalingsverplichting kan ontstaan zolang geen definitieve alimentatiebeschikking is gegeven. In het onderhavige geval ziet het hof, gelet op hetgeen is aangevoerd, geen aanleiding af te wijken van dat uitgangspunt, zodat de ingangsdatum zal worden bepaald op [in 2012].

78.

Voor zover de vrouw heeft gesteld dat partijen tijdens de comparitie van 17 juli 2012 zijn overeengekomen dat de rechtbank eerst een voorlopige onderhoudsbijdrage zou bepalen en dat een definitieve onderhoudsbijdrage zou worden bepaald nadat de nieuwe woonlasten van partijen bekend zouden zijn, is het hof, mede in het licht van de betwisting door de man, van oordeel dat niet is gebleken dat een zodanige overeenkomst tot stand is gekomen. Uit het proces-verbaal van de comparitie van 17 juli 2012 bij de rechtbank kan een dergelijke overeenkomst niet worden afgeleid.

79.

De man heeft nog aangevoerd dat hij vanaf [in 2012] tot 13 juni 2013 een bedrag van in totaal € 20.069,12 heeft voldaan in verband met het verblijf van de vrouw in de voormalige echtelijke woning. De man stelt zich op het standpunt dat dit bedrag verrekend dient te worden met de partneralimentatie, voor het geval het hof de partneralimentatie zal vaststellen met ingang van [in 2012]. Nu de vrouw niet heeft betwist dat de man over de periode van [in 2012] tot 13 juni 2013 een bedrag van in totaal € 20.069,12, ofwel € 1.672,43 per maand, heeft voldaan ten behoeve van het verblijf van de vrouw in de voormalige echtelijke woning, zal het hof hiermee rekening houden bij de berekening van de draagkracht van de man.

80.

Het voorgaande betekent dat grief VII in het incidenteel appel van de vrouw deels slaagt.

De behoefte van de vrouw

81.

Grief IX in het principaal appel en de grieven I en III in het incidenteel appel betreffen de behoefte van de vrouw. Tevens ziet grief X in het principaal appel deels op de behoefte van de vrouw, te weten voor zover dit betreft de inkomsten uit vermogen.

82.

Als uitgangspunt geldt dat de behoefte van de onderhoudsgerechtigde wordt gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid past, daarbij (mede) gelet op de welstand van partijen gedurende het huwelijk.

83.

Doorgaans betekent dit dat de behoefte gelijkgesteld wordt aan 60 % van het daadwerkelijk genoten netto gezinsinkomen in de laatste periode van het huwelijk, verminderd met de kosten van de kinderen en zonder overigens rekening te houden met de fiscale voordelen en na aftrek van de door de werkgever vergoede inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw).

Nu partijen het erover eens zijn dat de behoefte van de vrouw volgens dit uitgangspunt dient te worden vastgesteld, zal het hof hier eveneens vanuitgaan.

84.

Voor de bepaling van het netto-inkomen van de man zal het hof, zoals gebruikelijk, uitgaan van de resultaten van zijn slagerij. Als uitgangspunt geldt dat de winst uit onderneming wordt vastgesteld door middeling van de bedrijfsresultaten over een periode van drie jaren voorafgaand aan het uiteengaan van partijen. In hetgeen partijen hebben aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

85.

Nu partijen het er ter zitting over eens zijn geworden dat zij begin 2012 (definitief) feitelijk uiteen zijn gegaan, zal het hof bij de bepaling van het netto-inkomen van de man uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming van de man over de jaren 2009, 2010 en 2011.

86.

Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de privéonttrekkingen door de man als inkomen dienen te worden gezien, volgt het hof haar daarin niet, nu privéonttrekkingen in beginsel worden beschouwd als een lening aan de man die terugbetaald dient te worden en de vrouw haar stelling ook niet nader heeft onderbouwd.

87.

Uit de jaarrekeningen blijkt dat de man over de jaren 2009, 2010 en 2011 een winst uit onderneming van € 70.603,-, € 43.950,- respectievelijk € 64.233,- bruto heeft gegenereerd. Het gemiddelde bedrijfsresultaat over die jaren bedraagt derhalve afgerond € 59.595,- bruto per jaar.

88.

Blijkens de bijgevoegde berekening bedroeg het netto inkomen van de man bij een resultaat uit onderneming van € 59.595,- en tevens rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB winstvrijstelling, de premies voor lijfrenten en premies voor uitkeringen bij invaliditeit, ziekte of ongeval, € 3.674,- per maand.

89.

Nu de vrouw zich op het standpunt heeft gesteld dat van een netto-inkomen van de man van (afgerond) € 3.332,- per maand dient te worden uitgegaan indien geen rekening wordt gehouden met privéonttrekkingen, zal het hof hier - gelet op de grenzen van de rechtsstrijd - eveneens vanuitgaan.

90.

Het hof zal evenals de rechtbank zowel bij de bepaling van de behoeftigheid van de vrouw als de draagkracht van de man eventuele box drie inkomsten - anders dan huurinkomsten - buiten beschouwing laten. Het hof onderschrijft de motivering van de rechtbank op dit punt, en neemt deze over.

91.

Niet in geschil is dat bij de bepaling van het netto gezinsinkomen tevens rekening dient te worden gehouden met de inkomsten uit de verhuur van de loods. Het hof zal de inkomsten uit de verhuur van de loods over 2011 in aanmerking nemen, nu partijen begin 2012 uit elkaar zijn gegaan. Partijen zijn het er over eens dat de inkomsten uit de verhuur van de loods over 2011 € 7.570,- bedroegen, ofwel
€ 631,- per maand. Derhalve zal het hof bij de bepaling van het netto gezinsinkomen tevens rekening houden met dat bedrag.

92.

Niet in geschil is dat uit dient te worden gaan van een netto-inkomen van de vrouw van € 778,- per maand.

93.

Gelet op het voorgaande bedroeg het netto besteedbaar inkomen van partijen
(€ 3.332,- + € 631,- + € 778,- =) € 4.741,- per maand.

94.

Voor de bepaling van de kosten van [minderjarige] gaat het hof uit van het rekenmodel dat in samenwerking met het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (het NIBUD) is ontwikkeld, gebaseerd op CBS-cijfers, dat is neergelegd in het Trema-rapport en de daarbij behorende bijlage 'tabel eigen aandeel kosten van kinderen'.

95.

Aangezien [minderjarige] ten tijde van het uiteengaan van partijen - begin 2012 - 12 jaar oud was, levert dit volgens de CBS-Nibudtabel 0 kinderbijslagpunten op. Uitgaande van een netto gezinsinkomen van € 4.741,- en 0 kinderbijslagpunten, bedragen de kosten van [minderjarige] op grond van het voormelde rekenmodel afgerond
€ 726,- per maand.

96.

Uitgaande van het netto gezinsinkomen van € 4.741,- per maand en van de kosten van het minderjarige kind van partijen van € 726,- per maand, kan de behoefte van de vrouw worden becijferd op 60 % van (€ 4.741,- - € 726,-=) € 4.015,- per maand. Dat resulteert in een netto behoefte van (afgerond) € 2.409,- per maand.

97.

Het voorgaande betekent dat de grieven IX in het principaal appel, I en III in het incidenteel appel deels slagen. Grief X in het principaal appel faalt voor zover deze de inkomsten uit vermogen betreft.

De behoeftigheid van de vrouw

98.

In grief X in het principaal appel heeft de man de behoeftigheid van de vrouw aan de orde gesteld. De man is van mening dat de vrouw zelf in haar behoefte kan voorzien door haar werkzaamheden als doktersassistente uit te breiden.

99.

Niet in geschil is dat de vrouw tijdens het huwelijk van partijen minder is gaan werken in haar functie als doktersassistente vanaf het moment dat de dochter van partijen is geboren - in 1997 - en dat zij daarmee geheel is gestopt op het moment dat [minderjarige] naar de basisschool ging. De vrouw heeft vervolgens werkzaamheden verricht in de onderneming van de man. Gebleken is dat de vrouw tijdens het huwelijk tevens als invalkracht in de functie van doktersassistente heeft gewerkt. Niet in geschil is dat de vrouw ten tijde van het uiteengaan van partijen, sinds
1 april 2009, een arbeidsovereenkomst had voor 4 uren in de week, in de functie van doktersassistente. Gebleken is dat de vrouw haar uren vanaf het uiteengaan van partijen een aantal keren heeft uitgebreid. Met ingang van medio 2012 is zij een arbeidsovereenkomst van 20 uren per week als praktijkondersteuner aangegaan. Vanaf 1 oktober 2012 werkt zij 28 uren per week in die functie. Tevens staat vast dat de vrouw de zorg heeft voor de minderjarige zoon van partijen.

100. Nu de vrouw zich vanaf het uiteengaan van partijen heeft ingespannen om haar arbeidsovereenkomst van 4 uren per week uit te breiden naar 28 uur per week en de vrouw naast haar werkzaamheden de zorg voor de zoon van partijen heeft, is het hof van oordeel dat van de vrouw redelijkerwijs niet kan worden gevergd meer inkomsten te verwerven dan dat zij thans doet.

101. Gelet op het voorgaande zal het hof uitgaan van het feitelijke inkomen van de vrouw van afgerond € 2.048,- bruto per maand, dat de vrouw vanaf medio 2012 genereert. Blijkens de aangehechte berekening bedraagt het netto-inkomen van de vrouw € 1.555,- per maand.

102. De resterende behoefte van de vrouw kan daarmee worden becijferd op (€ 2.409,- - € 1.555,- =) € 854,- netto per maand. Gebruteerd is de resterende behoefte (afgerond) € 968,- (€ 11.615,-/12) per maand. Het hof verwijst naar de aangehechte berekening.

103. Grief X in het principaal appel slaagt derhalve deels.

De draagkracht van de man

104. In grief VIII in het principaal appel stelt de man zijn draagkracht op het punt van het inkomen aan de orde.

105. Het hof stelt voorop dat bij de bepaling van de draagkracht van een zelfstandig ondernemer als uitgangspunt heeft te gelden dat de winst uit onderneming wordt vastgesteld door middeling van de bedrijfsresultaten over een aaneengesloten periode van tenminste drie jaren (voorafgaand aan de ingangsdatum). Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken, bijvoorbeeld wanneer het bedrijfsresultaat van een van deze jaren niet representatief is.

106. Uit de jaarrekeningen blijkt dat het bedrijfsresultaat van de onderneming van de man in 2008 € 69.480,- bedroeg, in 2009 € 70.603,-, in 2010 € 43.950,- en in 2011 € 64.233,-. Over 2012 was er sprake van een bedrijfsresultaat van € 49.819,-.

107. De man heeft verzocht de jaren 2010 tot en met 2012 bij de beoordeling van zijn draagkracht te betrekken vanwege het wegvallen van een belangrijke afnemer van zijn slagerij. Het hof is van oordeel dat het in dit geval redelijk is om bij de bepaling van de winst uit onderneming het gemiddelde van de bedrijfsresultaten over de jaren 2009, 2010, 2011 en 2012 te betrekken bij de beoordeling van de draagkracht van de man vanwege de fluctuaties in de bedrijfswinst.

108. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de man een aanzienlijke subsidie ontvangt in verband met de aanschaf van zonnepanelen in 2012, gaat het hof daaraan voorbij, nu de man deze stelling gemotiveerd heeft betwist door aan te voeren dat hij daarvoor een investeringsaftrek ontvangt.

De vrouw heeft nog aangevoerd dat in 2012 de personeelskosten met € 5.472,- zijn gestegen ten opzichte van 2011, terwijl het aantal personeelsleden gelijk is gebleven, zij het dat de nieuwe partner van de man in de loop van 2012 in de slagerij is gaan werken in plaats van een andere kracht. De vrouw veronderstelt dat de stijging van de personeelskosten met haar salaris heeft te maken. De man heeft deze stelling betwist en een jaaropgave over 2011 en 2012 overgelegd waaruit blijkt dat zijn nieuwe partner over die jaren een inkomen van € 9.702,- respectievelijk € 7.541,- bij de slagerij heeft gegenereerd. Nu de man de stelling van de vrouw gemotiveerd heeft betwist en de vrouw tegenover die betwisting onvoldoende heeft ingebracht, gaat het hof hieraan voorbij.

109. Mede gelet op hetgeen in de vorige rechtsoverwegingen is overwogen, ziet het hof geen aanleiding om vanwege de fluctuering van de winst uit te gaan van het gemiddelde van de bedrijfsresultaten over de jaren 2008 tot en met 2012, zoals de vrouw heeft gesteld. De omstandigheid dat in 2010 sprake is van een relatief lager bedrijfsresultaat, maakt het oordeel van het hof niet anders, nu gebleken is dat in dat jaar is geïnvesteerd in een verbouwing van de onderneming van de man, terwijl niet is gebleken van een reservering daarvoor.

110. Anders dan de man ter zitting heeft gesteld ziet het hof geen aanleiding rekening te houden met de (voorlopige) cijfers over het eerste halfjaar van 2013, gelet op de ingangsdatum en het feit dat deze cijfers slechts een prognose over het resultaat in 2013 betreft.

111. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de man meer inkomsten uit onderneming heeft gegenereerd dan uit de jaarrekeningen blijkt, gaat het hof daaraan voorbij, nu de man haar stelling gemotiveerd heeft betwist en de vrouw deze niet nader heeft onderbouwd.

112. Gelet op het voorgaande zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met een gemiddelde winst uit onderneming van (afgerond) € 57.151,- ((€ 70.603,- + € 43.950,- + € 64.233,- + € 49.819,- ) / 4).

Het hof heeft daarbij rekening gehouden met een zelfstandigenaftrek van € 7.280,- en een MKB winstvrijstelling van € 5.502,-.

113. De man heeft in zijn draagkrachtberekening rekening gehouden met een investeringsaftrek van € 4.473,-. Volgens de vrouw bedraagt de investeringsaftrek € 8.915,-. Nu de vrouw op zichzelf niet heeft betwist dat rekening dient te worden met een investeringsaftrek, zal het hof deze in aanmerking nemen. Het hof acht het evenwel redelijk om van de gemiddelde investeringsaftrek over de jaren 2009, 2010, 2011 en 2012 uit te gaan. Uit de stukken blijkt dat deze aftrek in 2009
€ 2.683,- bedroeg, in 2010 € 2.683,-, in 2011 € 1.820,- en in 2012 € 8.915,-. Derhalve zal het hof, zoals de man heeft gesteld, rekening houden met een gemiddelde investeringsaftrek van afgerond € 4.025,- ((€ 2.683,- + € 2.683,- +
€ 1.820,- + € 8.915,-) / 4).

114. Grief VIII in het principaal appel slaagt derhalve deels.

* Huurinkomsten/rente-inkomsten

115. Grief V in het incidenteel appel betreft de inkomsten uit verhuur van de loods en de rente-inkomsten.

116. De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte in haar draagkrachtberekening onder post 76 huurinkomsten van € 7.500,- per jaar heeft opgenomen. Volgens de vrouw behoren deze inkomsten tot box 3 en dienen deze te worden opgenomen onder post 102. Nu de man het met deze stelling van de vrouw eens is, zal het hof onder post 102 rekening houden met de inkomsten uit verhuur van de loods.

117. De vrouw heeft in grief V in het incidenteel appel tevens aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte in haar draagkrachtberekening geen rekening heeft gehouden met rente-inkomsten.

118. Zoals het hof eerder heeft overwogen zal het hof zowel bij de bepaling van de behoefte van de vrouw als de draagkracht van de man en de vrouw eventuele box drie inkomsten - anders dan huurinkomsten - buiten beschouwing laten.

119. Grief V slaagt derhalve deels.

* De woonlasten

120. In grief VI in het incidenteel appel bestrijdt de vrouw het oordeel van de rechtbank dat rekening wordt gehouden met toekomstige woonlasten ten bedrage van € 1.594,78 bruto per maand, waarvan de helft voor rekening komt van de nieuwe partner van de man.

121. Uit de brief met bijlagen van 14 september 2012 komt naar voren dat zijn woonlasten € 1.594,78 bruto per maand bedragen bij verhoging van de huidige hypothecaire geldlening van € 91.000,- tot € 194.758,20 in verband met de uitbetaling van de overbedeling van de vrouw. Het hof is met de vrouw van oordeel dat thans geen rekening dient te worden met deze woonlasten, nu de verhoging van de hypothecaire geldlening een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft, waarvan bovendien onvoldoende gegevens bekend zijn. Onduidelijk is of de hypothecaire geldlening daadwerkelijk zal worden verhoogd, per wanneer deze (eventueel) zal worden verhoogd en tot welk bedrag. Op het moment dat deze lasten wel duidelijk zijn, kan nader worden bezien of er aanleiding bestaat de woonlast op dit punt te corrigeren.

122. De vrouw heeft gesteld dat de huur van de woning te [woonplaats 1] waarin de man tot 6 april 2013 met zijn nieuwe partner verbleef, € 500,- per maand bedroeg. Rekening houdend met de omstandigheid dat de helft van de huur voor rekening van zijn nieuwe partner komt, dient volgens de vrouw een huurlast van € 250,- per maand in aanmerking te worden genomen. Nu de man deze stelling niet heeft betwist, zal het hof over de periode van 12 juni 2012 tot 6 april 2013 uitgaan van deze woonlasten.

123. Vast staat dat de man met ingang van 6 april 2013 samen met zijn nieuwe partner in een woning te [plaats 2] verblijft. De man heeft gesteld dat de huur van die woning € 800,- per maand bedraagt. De vrouw heeft deze stelling betwist en aangevoerd dat dit bedrag de huur inclusief gas, water en elektra betreft. Nu de vrouw de stelling van de man gemotiveerd heeft betwist, ligt het op de weg van de man om zijn stelling nader te onderbouwen. Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling onvoldoende met stukken heeft onderbouwd. Het hof acht het door de man overgelegde transactieoverzicht waarop is vermeld dat een bedrag van
€ 800,- van de rekening-courant van de onderneming van de man is afgeschreven, daartoe onvoldoende. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van de man gelegen een huurovereenkomst over te leggen.

124. Nu de man zijn netto-huurlast over de periode vanaf 6 april 2013 niet heeft onderbouwd, zal het hof over die periode eveneens uitgaan van een woonlast van € 250,- per maand.

125. Grief VI in het incidenteel appel slaagt derhalve.

126. Zoals het hof reeds hiervoor heeft overwogen, zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de man over de periode van 12 juni 2012 tot 13 juni 2013 rekening houden met het bedrag dat door de man ten behoeve van het verblijf van de vrouw in de voormalige echtelijke woning heeft betaald, te weten in totaal
€ 20.069,12, ofwel € 1.672,43 per maand. Het hof zal een bedrag van in totaal afgerond € 938,- per maand (€ 339,88 + € 598,40) in de draagkrachtberekening opnemen onder de post "woonlasten". In het kader van de betaling van € 894,35 aan gemeentelijke belastingen zal het hof rekening houden met een forfaitair bedrag aan overige eigenaarslasten van € 95,- per maand, nu niet is gebleken dat van een hoger bedrag dient te worden uitgegaan. De overige door de man betaalde lasten, te weten in totaal een bedrag van afgerond € 639,- per maand (€ 1.672,43 - € 938,- - € 95,- per maand), zal het hof in aanmerking nemen onder post 134, "overige kosten".

127. Ten aanzien van de periode vanaf 13 juni 2013 gaat het hof uit van de door de man in zijn draagkrachtberekening van 21 februari 2013 opgevoerde en door de vrouw niet betwiste bedragen inzake de lasten van de voormalige echtelijke woning.

Conclusie ten aanzien van de draagkracht van de man

128. Hetgeen hiervoor is overwogen en mede in aanmerking genomen de overige niet betwiste bedragen, zoals die blijken uit de draagkrachtberekening van de man van 21 februari 2013, leidt tot de aan deze beschikking aangehechte en door de griffier gewaarmerkte draagkrachtberekeningen.

129. Uit draagkrachtberekening I volgt dat de man over de periode van [in 2012] tot 13 juni 2013 een draagkrachtruimte heeft van € 805,- voor partneralimentatie. Rekening houdend met de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] van € 693,- per maand heeft de man inclusief fiscaal voordeel een bedrag van € 313,- per maand beschikbaar voor partneralimentatie.

130. Uit draagkrachtberekening II volgt dat de man over de periode vanaf 13 juni 2013 een draagkrachtruimte heeft van € 1.282,- per maand voor partneralimentatie. Rekening houdend met de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] van

€ 704,78 per maand heeft de man inclusief fiscaal voordeel een bedrag van
€ 1.087,- per maand beschikbaar voor partneralimentatie.

De jusvergelijking

131. Met grief XIII in het principaal appel beoogt de man een jusvergelijking te laten maken. De man heeft gesteld dat hij bij toekenning van partneralimentatie netto minder besteedbaar inkomen overhoudt dan de vrouw. In grief IV in het incidenteel appel stelt de vrouw (onder meer) aan de orde dat aan de zijde van de vrouw geen rekening dient te worden gehouden met de alleenstaande ouderkorting.

132. Bij het toekennen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud is het in het algemeen redelijk dat de onderhoudsgerechtigde niet méér vrij besteedbaar overhoudt dan de onderhoudsplichtige. Het hof zal daarom over de periode van [in 2012] tot 13 juni 2013 en over de periode vanaf 13 juni 2013 door middel van een draagkrachtberekening de vrij besteedbare ruimte van de vrouw berekenen en vervolgens tot een vergelijking van de vrij besteedbare ruimte van de man en de vrouw komen ten einde aan de hand daarvan te bezien welke bijdrage de man dient te voldoen.

133. Het hof is bij de door het hof opgestelde draagkrachtberekeningen van de vrouw uitgegaan van de door de man niet betwiste posten van de draagkrachtberekening van de vrouw van 12 april 2013, met dien verstande dat het hof - evenals bij de draagkrachtberekeningen van de man - bij de draagkrachtberekening van de vrouw over de periode van [in 2012] tot 13 juni 2013 (I) de tarieven van 2012-2 in aanmerking heeft genomen en bij die over de periode vanaf 13 juni 2013 (II) de tarieven van 2013-2, nu er een jusvergelijking dient te worden opgesteld. Nu bij de vrouw geen sprake is van woonlasten, ziet het hof daarin aanleiding bij de draagkrachtberekening van de vrouw uit te gaan van de in de bijstandsnorm verdisconteerde wooncomponent van € 213,- per maand. Het hof heeft geen rekening gehouden met de alleenstaande ouderkorting, nu de vrouw geen recht op deze korting heeft vanwege de omstandigheid dat de vrouw nog woonachtig is in de voormalige echtelijke woning en op dat adres is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Bij de draagkrachtberekeningen heeft het hof over de periode van [in 2012] tot 13 juni 2013 rekening gehouden met kindgebonden budget, nu de vrouw hierop aanspraak maakt. Over de periode vanaf 13 juni 2013 wordt geen rekening meer gehouden met kindgebonden budget.

134. Uit de aangehechte jusvergelijking I volgt dat de vrouw over de periode vanaf [in 2012] tot 13 juni 2013 bij een partneralimentatie van € 313,- bruto per maand meer vrij te besteden overhoudt dan de man. Bij een alimentatie van nihil bruto per maand hebben partijen een gelijke vrije ruimte. Het hof zal daarom de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw over die periode op nihil stellen.

135. Uit de aangehechte jusvergelijking II volgt dat de vrouw bij een partneralimentatie van € 1.087,- bruto per maand over de periode vanaf 13 juni 2013 meer vrij te besteden overhoudt dan de man. Bij een alimentatie van € 868,- bruto per maand hebben partijen een gelijke vrije ruimte. Het hof zal daarom de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw over die periode op dit bedrag vaststellen.

136. Het voorgaande betekent dat grief XIII in het principaal appel slaagt. Grief IV in het incidenteel appel slaagt voor zover dit de alleenstaande ouderkorting betreft.

Ten aanzien van het verzoek tot limitering van de onderhoudsverplichting

137. In grief XIV in principaal appel stelt de man het verzoek tot limitering van de onderhoudsverplichting aan de orde.

138. Met betrekking tot het verzoek van de man om de duur van de onderhoudsverplichting te limiteren (tot maximaal twee jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand), overweegt het hof als volgt.

139. Op grond van artikel 1:157 lid 4 BW is uitgangspunt dat de onderhavige onderhoudsverplichting van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het derde lid van dat artikel geeft de rechter de bevoegdheid om op verzoek van één van de echtgenoten voorwaarden te verbinden aan de alimentatieverplichting en/of de duur ervan te limiteren.

140. Een zodanige rechterlijke limitering heeft een definitief karakter in die zin dat het de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde - behoudens het in artikel 1:401 lid 2 BW omschreven uitzonderlijke geval - definitief doet eindigen na afloop van de gestelde termijn. Om die reden worden er hoge eisen gesteld aan de motivering van zo'n (verzoek tot) limitering. In het algemeen is vaststelling van de onderhoudsverplichting voor een bepaalde termijn redelijk indien met voldoende zekerheid en op goede gronden mag worden verwacht dat de onderhoudsgerechtigde na afloop van de voor de alimentatie bepaalde termijn op voor hem passende wijze in zijn eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

141. Het hof is van oordeel dat de man niet aan zijn stelplicht in dit kader heeft voldaan. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de vrouw op (korte) termijn volledig in haar behoefte zal kunnen voorzien, zodat het hof het verzoek van de man tot limitering van zijn onderhoudsverplichting ten opzichte van de vrouw, zal afwijzen.

142. Grief XIV in principaal appel faalt derhalve.

De proceskosten

143. De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep, waaronder de kosten van haar advocaat. Het hof ziet in het door de vrouw met betrekking tot de proceskosten gestelde geen aanleiding af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt. Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat de man nodeloos heeft geprocedeerd. Derhalve zullen, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, de kosten van het geding in hoger beroep worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Slotsom

144. Nu het hof de man in de gelegenheid zal stellen om nadere stukken in te dienen en te berichten zoals hierboven vermeld, waarop de vrouw kan reageren, zal het hof om reden van doelmatigheid iedere verdere beslissing aanhouden.

De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen:

stelt de man in de gelegenheid om aan het hof en de vrouw binnen zes weken na heden stukken in te dienen waaruit blijkt welk bedrag hij in staat is te lenen, rekening houdend met de te betalen partneralimentatie zoals blijkt uit deze beschikking, zonder de liquiditeit en solvabiliteit van zijn onderneming op een onaanvaardbaar niveau te brengen alsmede het hof binnen die termijn te berichten, zoveel mogelijk onderbouwd met stukken, of de man reeds een bedrag, en zo ja, welk bedrag, aan de vrouw heeft betaald inzake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden;

stelt de vrouw in de gelegenheid om binnen vier weken na ontvangst van de stukken van de man daarop schriftelijk te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Jonkman, mr. A.W. Beversluis en
mr. G.K. Schipmölder, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 22 mei 2014 in bijzijn van de griffier.