Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4141

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
13-06-2014
Zaaknummer
200.141.171-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Co-ouderschap. Heftige escalatie tussen ouders na voornemen moeder te verhuizen. Kind uithuisgeplaatst. Na beëindiging uithuisplaatsing hoofdverblijf minderjarige bij vader bepaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.141.171/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/353356 / FL RK 13-2212)

beschikking van de familiekamer van 15 mei 2014

inzake

[de vader],

wonende te [woonplaats 1],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. G.H.G. Reitsma-van Riel, kantoorhoudend te Hoofddorp,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats 2],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.R.T. Tromp, kantoorhoudend te Nijmegen.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Bureau Jeugdzorg Flevoland,

gevestigd te Lelystad,

hierna te noemen: BJZ.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 19 december 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 30 januari 2014, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen, voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad, dat het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing met de minderjarige [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige]), geboren op [geboortedatum], naar [woonplaats 2] en wijziging van de vastgestelde zorgregeling zal worden afgewezen en te bepalen dat de minderjarige [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader zal hebben in [woonplaats 1].

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 11 maart 2014, heeft de moeder het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden. Daarbij heeft de moeder tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De moeder verzoekt het hof in het principaal hoger beroep het beroep van de vader af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep de beschikking van de rechtbank te vernietigen voor zover hierin is vastgesteld dat de moeder toestemming wordt verleend om naar [woonplaats 2] te verhuizen zodra de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] zijn beëindigd en te bepalen dat aan de moeder toestemming wordt verleend, in plaats van de toestemming van de vader, om met [minderjarige] naar [woonplaats 2] te verhuizen en de beschikking voor het overige te bekrachtigen..

2.3

Daarop heeft de vader in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 14 april 2014, waarin hij het hof verzoekt de moeder in haar incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek af te wijzen.

2.4

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 17 februari 2014 een journaalbericht van 14 februari 2014 van mr. Reitsma - Van Riel met bijlage.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 22 april 2014 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Voorts waren de partner van de vader, mevrouw [X], en de partner van de moeder, de heer [Y], ter zitting aanwezig.

Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) is - in het kader van zijn adviserende taak - de heer [A] verschenen. Namens BJZ zijn verschenen mevrouw [B] (gezinsvoogd) en mevrouw [gezinsvoogd].

Mr. Reitsma - Van Riel heeft het woord ter zitting mede gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken affectieve relatie tussen partijen is [minderjarige] geboren. Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige].

3.2

Na het uiteengaan van partijen hebben zij in september 2011 een ouderschapsplan opgesteld waarin afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Partijen hebben hierin ondermeer vastgelegd dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder zal hebben en een twee wekelijkse zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] zeven dagen per twee weken bij de moeder zou verblijven en zeven dagen per twee weken bij de vader.

3.3

Op 11 januari 2013 is [minderjarige] met toestemming van beide ouders en in overleg met BJZ bij de zus van de moeder geplaatst in verband met oplopende spanningen tussen de ouders en zorgen over [minderjarige]'s welzijn.

3.4

In februari 2013 is [minderjarige] in een crisispleeggezin geplaatst en is een onderzoek door de raad gestart. De raad heeft geadviseerd om een ondertoezichtstelling van [minderjarige] uit te spreken en een machtiging tot uithuisplaatsing af te geven opdat de pleegzorgplaatsing van [minderjarige] kon worden gecontinueerd.

3.5

Bij beschikking van 6 juni 2013 is [minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van BJZ en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna tot op heden steeds verlengd. BJZ heeft recent het verzoek bij de rechtbank ingediend om de duur van de onder toezichtstelling van [minderjarige] te verlengen met een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen met zes maanden.

3.6

Bij verzoekschrift, bij de rechtbank binnengekomen op 26 september 2013, heeft de moeder de rechtbank verzocht om aan haar toestemming te verlenen om met [minderjarige] te verhuizen naar [woonplaats 2]. Daarnaast heeft de moeder de rechtbank verzocht om de door partijen overeengekomen zorgregeling, zoals opgenomen in het ouderschapsplan van september 2011, te wijzigen, in die zin dat bepaald wordt dat de vader eenmaal per week onder begeleiding contact met [minderjarige] zal hebben totdat door de behandelaars wordt aangegeven dat er onbegeleid contact kan plaatsvinden en vervolgens dat de vader gedurende twee weekenden achtereen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur omgang met [minderjarige] heeft, vervolgens een weekend niet en aansluitend opnieuw twee weekenden achtereen etcetera, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag bij de moeder ophaalt en de moeder [minderjarige] op zondag bij de vader ophaalt, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, door partijen in onderling overleg nader overeen te komen.

3.7

De vader heeft hiertegen verweer gevoerd. Ter zitting van de rechtbank op 4 november 2013 heeft de vader het zelfstandige verzoek gedaan om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem vast te stellen.

3.8

Bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bestreden beschikking heeft de rechtbank de moeder, in plaats van de toestemming van de vader, toestemming verleend om naar [woonplaats 2] te verhuizen zodra de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zijn beëindigd. Daarnaast heeft de rechtbank een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld, ingaande zodra de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn beëindigd, inhoudende dat de vader eenmaal per week contact met [minderjarige] zal hebben, alsmede dat de vader gedurende twee weekenden achtereen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur omgang met [minderjarige] heeft, vervolgens een weekend niet en aansluitend opnieuw twee weekenden achtereen en zo verder, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg door partijen overeen te komen.

4 De standpunten van partijen

4.1

De vader kan zich niet vinden in de beschikking van de rechtbank en is met zeven grieven in hoger beroep gekomen. De vader acht het niet in het belang van [minderjarige] dat zij, na beëindiging van de uithuisplaatsing, bij de moeder in [woonplaats 2] gaat wonen. Hij stelt dat [woonplaats 1] voor [minderjarige] een veilige en vertrouwde omgeving is en dat er, als beide ouders in [woonplaats 1] zouden (blijven) wonen, de mogelijkheid is om aan beide ouders de benodigde hulp en begeleiding te bieden. De rechtbank is er in de bestreden beslissing volgens de vader aan voorbij gegaan dat een noodzaak voor een verhuizing van de moeder naar [woonplaats 2] ontbreekt en dat een verhuizing van [minderjarige] naar [woonplaats 2] zeer ingrijpende gevolgen heeft voor de in september 2011 tussen de ouders overeengekomen zorgregeling, waarbij partijen de verzorging en opvoeding van [minderjarige] (vrijwel) gelijk deelden. Volgens de vader heeft de rechtbank er voorts ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de ouders niet in staat zijn om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren zodat een verhuizing van [minderjarige] naar [woonplaats 2] zal leiden tot een verwijdering tussen [minderjarige] en de vader, terwijl deze band ten gevolge van de uithuisplaatsing toch al dusdanig is beschadigd dat de hechting in gevaar is.

De vader stelt dat [minderjarige] als zij bij één van de ouders wordt geplaatst volgens de gezinsvoogd klem en verloren raakt omdat de ouders elkaar niet ondersteunen.

De vader is daarnaast van mening dat de rechtbank zijn verzoek om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen ten onrechte heeft afgewezen en ten onrechte heeft overwogen dat de moeder over een stabielere basis beschikt om de opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Er zijn volgens de vader geen contra-indicaties om [minderjarige] bij hem thuis te plaatsen. De vader is van mening dat de rechtbank een te groot gewicht heeft gegeven aan de rapportage van Vitree uit juli 2013.

De vader stelt ten slotte dat de rechtbank er met haar beslissingen aan voorbij is gegaan dat er zo snel mogelijk duidelijkheid moet zijn over het perspectief van [minderjarige]. Volgens de vader is het nu de hoogste tijd dat [minderjarige] terugkeert naar [woonplaats 1].

4.2

De moeder is van mening dat de rechtbank haar terecht toestemming heeft gegeven om met [minderjarige] naar [woonplaats 2] te verhuizen. Gelet op de woede van de vader jegens de moeder acht de moeder het in het belang van partijen dat zij elkaar niet onverwachts en onnodig veel tegen komen buiten de overdrachtsmomenten en eventueel geplande gesprekken om. Dit geeft volgens de moeder onderlinge spanningen die zijn weerslag zullen hebben op [minderjarige]. Vanwege het feit dat haar nieuwe partner in [woonplaats 2] woont, heeft de moeder de wens om naar [woonplaats 2] te verhuizen, en is zij thans ook feitelijk verhuisd naar [woonplaats 2]. De partner van de moeder werkt in [plaats 2] en is voor het vervoer naar zijn werk afhankelijk van het openbaar vervoer. Een verhuizing naar [woonplaats 1] zal volgens de moeder in ieder geval een extra reistijd van dertig minuten per enkele reis voor hem met zich meebrengen. Daarnaast heeft de partner zijn familie en zijn sociale leven in [woonplaats 2] en heeft hij een hechte band met een peetkind dat in [woonplaats 2] woont, met wie hij meermalen per week contact heeft. De moeder is op dit moment zwanger en wil zo snel mogelijk een gezin vormen met haar partner, de baby en [minderjarige] en dit is volgens haar, gelet op het vorenstaande, in [woonplaats 1] niet mogelijk.

De moeder betwist dat [woonplaats 1] voor [minderjarige] een voor haar veilige en vertrouwde omgeving is. [minderjarige] verblijft inmiddels al ruim een jaar [plaats 1] en zal hoe dan ook weer moeten wennen aan een wijziging van haar verblijfplaats. De moeder realiseert zich dat een verhuizing van [minderjarige] naar [woonplaats 2] gevolgen zal hebben voor de tussen partijen overeengekomen zorgregeling, die van september 2011 tot begin 2013 van kracht is geweest. De moeder heeft in haar verzoek aangegeven dat zij bereid is afspraken te maken zodat tussen de vader en [minderjarige] een ruime zorgregeling mogelijk zal zijn.

De rechtbank heeft in de beschikking rekening gehouden met het rapport en advies van Vitree naar aanleiding van het gezinsonderzoek en met het daarop gebaseerde advies van de raad. Op basis hiervan heeft de rechtbank geconcludeerd dat de moeder over een meer stabiele basis beschikt om de opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen dan de vader en dat er bij de vader bovendien nog veel frustraties zijn waardoor het loyaliteitsconflict van [minderjarige] in stand blijft. De moeder is van mening dat het niet in het belang van [minderjarige] is als het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader wordt bepaald. De situatie bij de vader is volgens haar sinds het rapport van Vitree niet gewijzigd, zodat de moeder ervan uitgaat dat plaatsing van [minderjarige] bij de vader geen optie is.

De moeder is het met de vader eens dat de onzekere situatie tot op heden ongewijzigd is gebleven door de beslissing van de rechtbank. Er moet een knoop worden doorgehakt. Partijen zijn het er over eens dat het in het belang van [minderjarige] is dat de ondertoezichtstelling voortduurt, nu zij al geruime tijd niet in staat blijken om met elkaar te communiceren en een verbetering op korte termijn niet mag worden verwacht. Door de rechtbank is een onmogelijke voorwaarde aan de toestemming voor de verhuizing verbonden, zodat er nog steeds geen duidelijkheid is over de termijn waarop thuisplaatsing zou kunnen plaats vinden. De moeder is van mening dat de rechtbank haar ten onrechte pas toestemming heeft verleend om met [minderjarige] naar [woonplaats 2] te verhuizen zodra de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn beëindigd.

5 De motivering van de beslissing

De vervangende toestemming aan de moeder om met [minderjarige] naar [woonplaats 2] te verhuizen

5.1

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek, dient het hof in een geschil als het onderhavige tussen ouders die gezamenlijk zijn belast met het gezag, een zodanige beslissing te nemen als in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. De belangen van de minderjarige dienen hierbij een eerste overweging te vormen. Conform vaste rechtspraak dient de rechter echter bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;

- de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;

- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

5.2

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting en de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegend, komt het hof tot afwijzing van het verzoek van de moeder om vervangende toestemming om met [minderjarige] naar [woonplaats 2] te verhuizen. Daarbij heeft het hof het volgende overwogen.

5.3

Een ouder bij wie een minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft dient in beginsel de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige en een nieuwe partner elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval, na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd, een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen. Het hof is echter van oordeel dat de moeder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verhuizing naar [woonplaats 2] noodzakelijk is (geweest). De moeder heeft onvoldoende onderbouwd dat haar nieuwe partner gebonden was, dan wel is, aan zijn woonplaats en dat haar niets anders rest(te) dan een verhuizing naar [woonplaats 2].

5.4

In het inleidend verzoek en het verweerschrift heeft de moeder als argument aangevoerd dat een verhuizing van haar partner naar [woonplaats 1] tot gevolg zou hebben dat hij om naar zijn werk te komen minimaal een uur per dag langer zou moeten reizen. Vast staat dat de partner van de vrouw zijn werk heeft in [plaats 2]. De enkele reisafstand van [woonplaats 2] naar [plaats 2] betreft circa 89 km, terwijl de afstand van [woonplaats 1] naar [plaats 2] circa 50 km bedraagt. De vrouw heeft gesteld dat haar partner afhankelijk is van het openbaar vervoer en de reistijd per openbaar vervoer is vanuit [woonplaats 1] inderdaad langer dan vanuit [woonplaats 2]. Het hof maakt uit de stukken en het verhandelde ter zitting echter op dat de partner ook thans reeds behoorlijk lang moet reizen voor zijn werk. Er is geen sprake van economische gebondenheid aan [woonplaats 2].

Daarnaast heeft de moeder aangevoerd dat haar partner zijn sociale leven in [woonplaats 2] heeft. De belangen van de nieuwe partner van de moeder prevaleren in deze echter niet boven de belangen van [minderjarige] en de vader.

5.5

In zijn oordeel heeft het hof voorts betrokken dat de moeder stelt dat zij niet kan aarden in [woonplaats 1], dat zij zich er niet veilig voelt en dat zij confrontaties met de (volgens haar agressieve) vader wil vermijden buiten de omgangsmomenten om. Dit is echter onvoldoende reden om haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] te verhuizen naar [woonplaats 2]. Niet is gebleken dat de moeder zich nog steeds onveilig zou voelen als haar partner met haar in [woonplaats 1] zou wonen of dat zij, samen met haar partner, serieus heeft gekeken naar woonopties in de buurt van [woonplaats 1].

5.6

Het hof heeft hierbij daarnaast in aanmerking genomen dat uit het ouderschapsplan van september 2011 valt af te leiden dat partijen het oogmerk hadden om als invulling van het gezamenlijk gezag de zorg- en opvoedingstaken zoveel mogelijk gelijkelijk tussen hen te verdelen zodat ieder voor ongeveer de helft van de zorg voor [minderjarige] op zich neemt. Partijen hadden tot de uithuisplaatsing van [minderjarige] de afspraak dat de moeder zeven dagen per veertien dagen voor [minderjarige] zou zorgen en de vader eveneens zeven dagen. Een verhuizing van [minderjarige] met de moeder naar [woonplaats 2] maakt uitvoering van deze zorgregeling onmogelijk. Het hof acht de vermindering van contact tussen de vader en [minderjarige] - zoals deze voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] bestond - niet in het belang van [minderjarige] ofschoon de moeder de vader tegemoet is gekomen door een ruime omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] voor te stellen. [minderjarige] heeft er echter belang bij een goed contact met haar beide ouders te blijven behouden, zonder dat dit contact tot strijd tussen de ouders leidt. Nu de ouders niet in staat zijn om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren voorziet het hof problemen bij het waarborgen van een goed en regelmatig contact tussen de vader en [minderjarige], daar [minderjarige] naarmate zij ouder wordt ook steeds meer afspraken (in haar woonplaats) in het weekend zal hebben, hetgeen tot afwijking - voor de vader in negatieve zin - van de zorgregeling zal leiden.

5.7

Ten slotte acht het hof het, gelet op het feit dat [minderjarige] het afgelopen jaar uit huis geplaatst is (geweest), van belang dat zij in [woonplaats 1], de plaats waar zij voor de uithuisplaatsing haar woon- en verblijfplaats had, kan terugkeren. Dit is de plaats waar [minderjarige] haar "thuis" had voor de uithuisplaatsing en hier kan, indien beide ouders in [woonplaats 1] zouden wonen, in beide gezinnen hulp worden ingezet door BJZ.

Het hoofdverblijf van [minderjarige]

5.8

Tussen partijen is voorts de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] in geschil. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:

a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen.

5.9

Alle betrokkenen zijn het erover eens dat duidelijkheid omtrent de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] thans noodzakelijk is, mede gelet op de nog zeer jonge leeftijd van [minderjarige] en de turbulente periode die zij achter de rug heeft, welke gekenmerkt wordt door strijd tussen de ouders, spanningen en onrust. Het hof sluit zich daarbij aan en voegt daaraan toe dat het tevens in het belang van [minderjarige] zou zijn wanneer de ouders de strijdbijl begraven. Het hof is van oordeel dat partijen hun verantwoordelijkheid dienen te nemen en een vorm van communicatie dienen te ontwikkelen waarbij zij in het belang van [minderjarige] in staat zijn in samenspraak beslissingen over [minderjarige] te nemen en [minderjarige] de ruimte te geven om van beide ouders te houden.

5.10

Beide ouders laten een grote betrokkenheid bij [minderjarige] zien. Het hof gaat er dan ook vanuit dat beide ouders in staat zijn om [minderjarige] een warm en liefdevol huis te bieden. Anders dan de rechtbank zal het hof de conclusies uit de rapporten van Vitree niet overnemen. Het hof overweegt hiertoe dat ter zitting van het hof zowel de raad als BJZ heeft aangegeven dat zij de inhoud van het eindrapport van Vitree niet (geheel) onderschrijven. Zij achten beide ouders in staat om [minderjarige] een veilige en stabiele thuisbasis te bieden. De vader heeft daarbij ter zitting duidelijk gemaakt dat hij in staat is om [minderjarige] buiten de strijd te houden en dat hij bereid is om hulp te aanvaarden waar nodig. Het hof twijfelt dan ook niet aan zijn capaciteiten als opvoeder.

5.11

Nu beide ouders in staat zijn om [minderjarige] een warm en stabiel thuis te bieden, ziet het hof zich voor een lastige keuze gesteld. Alles afwegende komt het hof op grond van de thans beschikbare gegevens tot de conclusie dat het belang van [minderjarige] er het meest bij gediend is wanneer zij haar hoofdverblijfplaats bij de vader krijgt.

5.12

Het hof overweegt hiertoe dat de strijd tussen de ouders lijkt te zijn begonnen bij het voornemen van de moeder om met [minderjarige] naar [woonplaats 2] te verhuizen. De spanningen tussen de ouders zijn toen in een snel tempo geëscaleerd, hetgeen er mede toe heeft geleid dat [minderjarige] uit huis is geplaatst. De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij inmiddels naar [woonplaats 2] is verhuisd en haar woning in [woonplaats 1] te koop heeft staan. Zij heeft een beslissing van het hof in deze derhalve niet afgewacht. Ter zitting heeft zij aangegeven niet te weten wat zij zal doen indien het hof haar geen toestemming zou geven om met [minderjarige] naar [woonplaats 2] te verhuizen. Het hof is er dan ook niet van overtuigd dat de verblijfplaats van [minderjarige] in of nabij [woonplaats 1] gedurende langere tijd gewaarborgd is indien zij haar hoofdverblijf bij de moeder heeft. Om te voorkomen dat de kwestie van een verhuizing van de moeder met [minderjarige] naar [woonplaats 2] in de toekomst weer een rol zal spelen en voor nieuwe onrust zorgt, zal het hof het hoofdverblijf van [minderjarige] - na beëindiging van de uithuisplaatsing - bij de vader bepalen.

De zorgregeling

5.13

Nu [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader zal hebben na de beëindiging van de uithuisplaatsing zal het hof het verzoek van de moeder tot wijziging van de tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling afwijzen. Indien beide partijen in [woonplaats 1] wonen kan de zorgregeling zoals die gold voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] worden gecontinueerd na beëindiging van de uithuisplaatsing. Indien de moeder (met haar partner) in [woonplaats 2] blijft wonen dan zal de zorgregeling in overleg met BJZ opnieuw vorm moeten worden gegeven.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, te vernietigen en te beslissen als hiervoor overwogen.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 19 december 2013;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst af het verzoek van de moeder om vervangende toestemming om met [minderjarige] naar [woonplaats 2] te verhuizen, in plaats van de toestemming van de vader;

bepaalt dat [minderjarige], geboren op [geboortedatum], met ingang van de datum beëindiging van de uithuisplaatsing haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, G. Jonkman en D.J. Buijs, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 mei 2014 in bijzijn van de griffier.