Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4138

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
13-06-2014
Zaaknummer
200.144.256-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten plaatsing. Samenloop met strafrechtelijk traject.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.144.256/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/363746 JL RK 14-169)

beschikking van de familiekamer van 15 mei 2014

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker],

advocaat: mr. R.P.A. Kint, kantoorhoudend te Almere,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de stichting.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 11 maart 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 maart 2014, is [verzoeker] (geboren op [geboortedatum] in de gemeente [woonplaats]) in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. [verzoeker] verzoekt het hof die beschikking te vernietigen voor zover het de plaatsing van [verzoeker] in een instelling voor gesloten jeugdzorg betreft en in zoverre opnieuw te bepalen dat de uithuisplaatsing van [verzoeker] in een instelling voor gesloten jeugdzorg met onmiddellijke ingang wordt beëindigd.

2.2

Bij verweerschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 18 april 2014, heeft de stichting verzocht het door de jeugdige ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 2 mei 2014 plaatsgevonden. Verschenen zijn [verzoeker] en mr. Kint. Namens de stichting is verschenen mevrouw [X]. Tevens was mevrouw [Y], de pleegmoeder van [verzoeker], aanwezig. Mr. Kint heeft - met instemming van het hof - de schorsingsvoorwaarden inzake de voorlopige hechtenis van [verzoeker] overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

De vader is met het gezag over de minderjarige belast.

3.2

[verzoeker] staat sinds 12 oktober 1998 onder toezicht van de stichting, namens Bureau Jeugdzorg.

3.3

De stichting heeft op 17 januari 2014 een verzoekschrift ingediend tot verlenging van de ondertoezichtstelling en tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg.

3.4

Tevens heeft de stichting op 17 januari 2014 een verzoekschrift ingediend tot verlening van een voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten jeugdvoorziening voor de duur van vier weken.

3.5

Bij beschikking van 18 januari 2014 heeft de kinderrechter de stichting een voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een gesloten jeugdzorgvoorziening verleend, met ingang van 18 januari 2014, voor de duur van vier weken.

3.6

Op 4 februari 2014 heeft de stichting een verzoekschrift tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing van [verzoeker] in een gesloten jeugdzorgvoorziening ingediend.

3.7

Het hof begrijpt dat de kinderrechter bij beschikking van 13 februari 2014 de stichting een machtiging heeft verleend om de minderjarige te plaatsen in een gesloten jeugdzorgvoorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling (te weten tot en met 15 maart 2014) . Het meer of anders verzochte - ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing - is aangehouden.

3.8

Op 26 februari 2014 heeft de stichting een verzoek ingediend tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een gesloten jeugdzorgvoorziening voor de duur van zes maanden.

3.9

Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft de gezinsvoogd aangegeven dat het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten jeugdzorgvoorziening in de plaats treedt van het eerder ingediende verzoek tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg.

3.10

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd voor de duur van een jaar, met ingang van 16 maart 2014. Tevens heeft de kinderrechter de stichting een machtiging verleend om de minderjarige uit huis te plaatsen in een gesloten jeugdzorgvoorziening voor de duur van zes maanden, met ingang van 16 maart 2014.

3.11

[verzoeker] is geplaatst binnen [Z] te [plaats]. Op 12 februari 2014 is [verzoeker] weggelopen. Op 28 februari 2014 is hij gevonden en opnieuw geplaatst binnen [Z] te [plaats]. [verzoeker] is op 12 maart 2014 opnieuw weggelopen uit [Z], waarna hij op 18 maart 2014 is aangehouden na het plegen van een winkeldiefstal. Nadat [verzoeker] is verhoord, is hij weer geplaatst bij [Z]. Vervolgens is hij op 12 april 2014 opnieuw weggelopen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

De gevraagde machtiging kan ingevolge artikel 29b lid 3 WJZ worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

4.2

Volgens artikel 29b lid 4 WJZ kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien de betrokken stichting een besluit als bedoeld in artikel 6 lid 1 WJZ heeft genomen, dat strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder, en heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in het derde lid van artikel 29b WJZ voordoet. Deze verklaring behoeft ingevolge artikel 29b lid 5 WJZ de instemming van een gedragswetenschapper, behorende tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

4.3

De stichting heeft op 28 januari 2014 een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen “WJZ”). Tevens heeft de stichting verklaard dat zich hier een geval als bedoeld in het derde lid van artikel 29b WJZ voordoet. [psycholoog], GZ-psycholoog, heeft op 21 februari 2014 verklaard in te stemmen met deze verklaring van de stichting.

4.4

[verzoeker] heeft aangevoerd dat niet is voldaan aan het vereiste dat de verklaring instemming behoeft van een gedragswetenschapper, die hem met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. Volgens [verzoeker] heeft de gedragswetenschapper hem niet kort tevoren onderzocht en is de instemming slechts gebaseerd op dossierstudie.

4.5

Het hof verwijst op dit punt naar de motivering van de rechtbank in de bestreden beschikking op bladzijde twee, laatste alinea, en bladzijde 3, eerste alinea. Het hof neemt deze na eigen onderzoek over en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt daaraan het volgende toe. Gelet op de omstandigheid dat [verzoeker] op 18 januari 2014 is onderzocht door een gedragswetenschapper en hij vanaf 12 februari 2014 meerdere keren is weggelopen, is het hof van oordeel dat voldaan is aan het vereiste dat [verzoeker] kort tevoren door een gedragswetenschapper is onderzocht. Hetgeen [verzoeker] voor het overige heeft aangevoerd, kan niet leiden tot een ander oordeel.

4.6

Ten aanzien van de machtiging om [verzoeker] te plaatsen in een gesloten jeugdzorgvoorziening overweegt het hof als volgt.

4.7

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat bij [verzoeker] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [verzoeker] zich aan de zorg die hij nodig heeft, zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Vast staat dat [verzoeker] vrijwel zijn gehele leven gedragsproblemen laat zien. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat bij hem sprake is van een reactieve hechtingsstoornis en een gedragsstoornis op meerdere gebieden. Hoewel er met een aanzienlijke inzet van instanties is gewerkt aan plaatsing van [verzoeker] bij de pleegmoeder, is dit niet goed verlopen. [verzoeker] heeft zich niet aan de afspraken met de pleegmoeder gehouden, is met verkeerde vrienden omgegaan en is in november 2013 aangehouden in verband met vier autokraken. Ook op school ging het niet goed met [verzoeker]. Vanaf het moment dat [verzoeker] is geplaatst bij [Z] is hij meerdere keren weggelopen. Gelet op de leeftijd van [verzoeker], het feit dat volstrekt onduidelijk is waar hij zich dan bevindt en in hoeverre zijn veiligheid is gewaarborgd, is dat een uitermate zorgelijke situatie. Daarnaast wordt [verzoeker] wordt verdacht van het plegen van een tweetal strafbare feiten in de periode dat hij is weggelopen. Op 16 januari 2014 is hij aangehouden wegens mishandeling en op 18 maart 2014 wegens het plegen van winkeldiefstal. Nu het gedrag van [verzoeker] een gevaar voor zichzelf en voor anderen vormt, is het hof van oordeel dat [verzoeker] tegen zichzelf, alsmede de omgeving tegen [verzoeker], beschermd dient te worden om te voorkomen dat hij opnieuw (ernstige) strafbare feiten pleegt, waarbij nog meer slachtoffers kunnen vallen.

4.8

Hoewel aan de voorwaarden van een machtiging tot plaatsing van een minderjarige in een gesloten jeugdzorgvoorziening is voldaan, is het hof van oordeel dat een gesloten jeugdzorgvoorziening op dit moment (nog) niet de beste plek is voor [verzoeker], nu hij hieruit reeds een aantal keren is weggelopen en de (gedrags)problematiek ten aanzien van [verzoeker] daardoor onbeheersbaar is geworden. Naar het oordeel van het hof dient er dan ook naar een alternatief te worden gezocht. Het hof acht hierbij tevens van belang dat de stichting ter zitting heeft aangegeven dat zij geen andere mogelijkheid ziet dan plaatsing van [verzoeker] in een gesloten jeugdzorgvoorziening, nu [verzoeker] thans in een open jeugdzorgvoorziening niet wordt geaccepteerd en de stichting op dit moment ook niet goed weet welke andere plek geschikt is voor [verzoeker].

4.9

Ter zitting is naar voren gekomen dat de rechter-commissaris van de rechtbank Midden-Nederland bij beslissing van 17 januari 2014 de bewaring heeft bevolen van [verzoeker] en dat de bewaring op verzoek van de raadsman van [verzoeker] is geschorst onder een aantal voorwaarden. Uit de door de raadsman van [verzoeker] overgelegde schorsingsvoorwaarden blijkt dat de bewaring onder andere is geschorst onder de voorwaarde dat [verzoeker] geen strafbare feiten zal plegen, zich niet op andere wijze zal misdragen, en dat hij zal thuisblijven, met uitzondering van de schoolgang. Het hof constateert evenwel dat de bewaring niet is geschorst onder de voorwaarde dat de jeugdreclassering toezicht houdt op [verzoeker].

4.10

Naar het oordeel van het hof is er een eventueel alternatief voor een gesloten plaatsing indien de volgende maatregelen worden genomen. De reeds opgelegde schorsingsvoorwaarden dienen door de rechter-commissaris in strafzaken - op verzoek van de raadsman van [verzoeker] - te worden aangevuld met jeugdreclasseringstoezicht op [verzoeker], zodat hem ook van die zijde hulp wordt geboden en controle op hem wordt uitgeoefend. Tevens dient [verzoeker] te worden aangemeld voor een school en dient er een strikt schema te worden opgesteld waaruit blijkt op welke tijden [verzoeker] thuis en op school is. Bovendien dient een hulpverleningstraject te worden opgestart in verband met de begeleiding van [verzoeker] in de thuissituatie, zoals die er voorheen ook was in de thuissituatie bij de pleegmoeder. Het hof is van oordeel dat de veiligheid van [verzoeker] en zijn omgeving aldus kan worden gewaarborgd.

4.11

Derhalve zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden en de raadsman van [verzoeker] in de gelegenheid stellen om de schorsingsvoorwaarden te laten aanvullen en het hof stukken te verstrekken waaruit blijkt dat de rechter-commissaris in strafzaken de schorsingsvoorwaarden heeft aangevuld met jeugdreclasseringstoezicht. Van de stichting wordt verwacht dat zij een plek op een school gaan zoeken voor [verzoeker] en dat zijn schoolgang wordt opgestart, dat zij een plan opstellen op welke tijden [verzoeker] thuis en op school zal zijn en dat zij een hulpverleningstraject voor [verzoeker] en pleegmoeder opstarten in de thuissituatie in het geval de plaatsing in een gesloten jeugdzorgvoorziening wordt beëindigd. Indien aan alle voornoemde voorwaarden is voldaan, is het hof voornemens de machtiging tot plaatsing van [verzoeker] in een gesloten jeugdzorgvoorziening te beëindigen. Het hof wenst te benadrukken dat deze machtiging tot die tijd doorloopt en dat het hof voornemens is de bestreden beschikking te bekrachtigen, voor zover aan hoger beroep onderworpen, in het geval een dergelijk plan niet wordt opgezet.

4.12

Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als hierna vermeld.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen:

stelt de raadsman van [verzoeker] in de gelegenheid om uiterlijk 19 juni 2014 te voldoen aan hetgeen nader in rechtsoverweging 4.11 is omschreven en het hof hieromtrent te informeren;

stelt de stichting in de gelegenheid om uiterlijk 19 juni 2014 te voldoen aan hetgeen nader in rechtsoverweging 4.11 is omschreven en het hof hieromtrent te informeren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.H. Garos, voorzitter, mr. G.M. van der Meer en
mr. P.J. Landman, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 mei 2014 in het bijzijn van de griffier.