Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4094

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
21-003242-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van art. 249, lid 2, onder 3 Sr (werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003242-12

Uitspraak d.d.: 21 mei 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 1 augustus 2012 met parketnummer 05-700539-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 mei 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr J.P. Plasman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de nacht van 15 april 2010 op 16 april 2010 te [plaatsnaam], op dat moment werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die (als cliënt) aan verdachtes hulp en/of zorg was toevertrouwd, immers heeft verdachte met die [slachtoffer] geslachtsgemeenschap gehad en/of die [slachtoffer] betast aan haar borsten en/of haar vagina, terwijl die [slachtoffer] hulpbehoevend was en verdachte zich in zijn hoedanigheid van imam en/of geestelijk verzorger als hulpverlener tot die [slachtoffer] had gewend.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de nacht van 15 april 2010 op 16 april 2010 te [plaatsnaam], op dat moment werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die (als cliënt) aan verdachtes hulp en/of zorg was toevertrouwd, immers heeft verdachte met die [slachtoffer] geslachtsgemeenschap gehad en/of die [slachtoffer] betast aan haar borsten en/of haar vagina, terwijl die [slachtoffer] hulpbehoevend was en verdachte zich in zijn hoedanigheid van imam en/of geestelijk verzorger als hulpverlener tot die [slachtoffer] had gewend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact, ook als dat een behandelverplichting inhoudt.

De rechtbank Arnhem heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact, ook als dat een behandelverplichting inhoudt.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van geestelijk verzorger/imam seksuele handelingen verricht met aangeefster die zich voor geestelijke hulp en zorg tot hem had gewend en zich op dat moment in een bijzonder kwetsbare en afhankelijke positie bevond. Dit betreft een ernstig feit. Verdachte heeft door aldus te handelen op zeer vergaande wijze misbruik gemaakt van zijn vertrouwenspositie als hulpverlener en van de kwetsbaarheid van een hulpbehoevende vrouw. Het is algemeen bekend dat de ervaring van een dergelijke gebeurtenis nog gedurende langere tijd ernstige psychische gevolgen kan hebben voor het betrokken slachtoffer.

Het hof gaat bij de bepaling van de strafmaat niet uit van alle strafverzwarende omstandigheden die de advocaat-generaal aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd (bijv. op het punt van het toepassen van zogenoemde “zwarte magie”), nu de verklaring van aangeefster op een aantal specifieke punten niet wordt ondersteund.

Het hof neemt in aanmerking een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 14 april 2014, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten, maar niet voor zedendelicten.

Voorts zal het hof er rekening mee houden dat het justitieel ingrijpen ook in het leven van de verdachte ingrijpende gevolgen heeft gehad.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf van zes maanden passend en geboden is. De straf zoals gevorderd door de advocaat-generaal, acht het hof een te zware sanctie, terwijl een werkstraf eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals bepleit door de raadsman, geen recht doet aan de ernst van het feit. Tot slot ziet het hof in de over verdachte uitgebrachte pro justitia rapport en de reclasseringsrapportages -mede in aanmerking genomen het tijdsverloop- geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel met reclasseringstoezicht op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.694,50. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 794,40. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.544,40 (duizend vijfhonderdvierenveertig euro en veertig cent) bestaande uit € 44,40 (vierenveertig euro en veertig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 1.544,40 (duizend vijfhonderdvierenveertig euro en veertig cent) bestaande uit € 44,40 (vierenveertig euro en veertig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr L.T. Wemes, voorzitter,

mr J.I.M.W. Bartelds en mr H. Heins, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr L. Gereke, griffier,

en op 21 mei 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr L.T. Wemes en mr H. Heins zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.