Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4081

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
200.110.936-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:GHARL:2013:9635

Waardering rapport ‘partijdeskundige’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.110.936/01

(zaaknummer rechtbank Assen 347441 CV EXPL 12-2928)

arrest van de tweede kamer van 20 mei 2014

in de zaak van

Onderlinge Verzekeringsmaatschappij "Midden Drenthe" U.A.,

handelend onder de namen Univé Midden-Drenthe en Univé Ooststellingerwerf,

gevestigd te Beilen,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Univé,

advocaat: mr. J. Faber, kantoorhoudend te Assen,

tegen

Energiewacht N.V.,

gevestigd te Assen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Energiewacht,

advocaat: mr. G.M. Tiddens, kantoorhoudend te Groningen.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 december 2013 hier over.

1.

Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Bij voormeld tussenarrest is Univé opgedragen te bewijzen dat de oorzaak van de waterschade bij [A] en [B] is gelegen in het feit dat Energiewacht de nieuwe boiler bij [A] op 16 juni 2011 niet goed heeft aangesloten.

1.2

Daartoe heeft Univé op 11 februari 2014 een akte genomen onder overlegging (als productie 18) van een deskundigenrapportage van [deskundige] van [expertisebureau] van 6 februari 2014 (hierna: [deskundige]). Energiewacht heeft gereageerd met een antwoordakte van 11 maart 2014. Vervolgens heeft Univé nog een akte genomen onder overlegging van productie 19.

1.3

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2.

De verdere beoordeling

2.1

Voor ligt de vraag of Univé met het rapport van [deskundige] geslaagd kan worden geacht in het haar opgedragen bewijs. Blijkens dat rapport is aan hem de volgende vraag gesteld:

"Is aan te geven of de oorzaak van de waterlekkage destijds gelegen was in een defect van de eerste boiler (Inventum) of het niet volledig aandraaien van de koppeling van de Daalderop boiler?"

[deskundige] heeft daarop in zijn rapport als volgt geantwoord:

"De corrosiesporen op de leiding geven ons inziens onvoldoende onderbouwing voor een objectieve conclusie. De watersporen op de leiding zelf en het tijdsverloop zijn echter wel voldoende hiervoor. Een plotselinge (hevige) lekkage op 16 juni 2011 van de defecte boiler zou op dat moment opgemerkt moeten zijn en zou ook binnen 24 uur zichtbaar moeten zijn geweest voor de onderbuurman. Dat is niet het geval geweest.

Het is ons inziens niet mogelijk dat een dergelijke hoeveelheid water zich 2 weken in de betonconstructie ophoudt om dan pas (plotseling) tot uiting te komen. Het gehele beeld is consistent met de ervaring rond geringe langdurige (geringe) waterlekkages. Met langdurig wordt hierbij bedoeld de periode tussen medio juni en begin juli 2011. Hierbij bouwt een waterhoeveelheid zich op in de betonconstructie en baant zich een weg hierdoor, om vervolgens bij de onderbuurman uit het plafond te komen.

Naar onze mening staat het voldoende vast dat de lekkageschade het gevolg is van het ontoereikend monteren van de waterleiding in de knelkoppeling door Energiewacht."

2.2

Bij de beantwoording van de onder 2.1 genoemde vraag stelt het hof het volgende voorop. [deskundige] is niet een door het hof benoemde deskundige als bedoeld in de artikelen 194 e.v. Rv (in samenhang met artikel 353 Rv), maar een zogenoemde 'partijdeskundige'. Zijn rapport is aan te merken als schriftelijk bewijs, niet zijnde een akte, waarvan de bewijskracht vrij is (artikel 152 lid 2 Rv). Het rapport maakt er melding van dat [deskundige] van Univé e-mailcorrespondentie heeft ontvangen, 'en in het bijzonder' een verklaring van [A] van 22 februari 2013. Het hof neemt aan dat met die laatste verklaring wordt gedoeld op de als productie 7 bij de memorie van grieven door Univé overgelegde verklaring van [A] van die datum. Daarnaast wordt in het rapport gemeld dat 'ten tijde van ons bezoek' door [deskundige] is gesproken met [A].

2.3

Het rapport van [deskundige] maakt er evenwel geen melding van of hij tevens heeft ontvangen de in 's hofs tussenarrest (in rov. 4.6) genoemde schriftelijke verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en, in het bijzonder, [getuige 3], alle medewerkers van Energiewacht die met hun schriftelijke verklaringen de lezing van Univé tegenspreken. In de als productie 19 door Univé bij haar laatste akte overgelegde e-mail van [deskundige] van 3 maart 2014 wordt bevestigd dat [deskundige] de verklaring van [getuige 3] niet heeft ontvangen. Kennelijk heeft [deskundige] wel verklaringen van [getuige 1] ontvangen ('deze week niet af van de verklaringen van de heer [getuige 1]'), maar het is voor het hof niet duidelijk of hij ook de als productie 2 bij de memorie van antwoord overgelegde schriftelijke verklaring van [getuige 1] van 22 mei 2012 heeft ontvangen. Ook vermeldt die e-mail niet of [deskundige] de verklaring van [getuige 2] van 22 mei 2012 heeft ontvangen Evenmin heeft [deskundige] in het kader van zijn onderzoek ook Energiewacht uitgenodigd aanwezig te zijn en heeft hij niet gesproken met de drie betrokken medewerkers van Energiewacht, in het bijzonder [getuige 3]. [getuige 3] was de monteur van Energiewacht die naar aanleiding van de melding op 16 juni 2011 een bezoek heeft gebracht aan [A] en bij die gelegenheid volgens zijn schriftelijke verklaring constateerde dat de (oude) boiler erg lekte en vervangen moest worden. Dat zijn onevenwichtigheden in het onderzoek door de deskundige. Die onevenwichtigheden klemmen te meer omdat de conclusies van het onderzoek van [deskundige] ('Beantwoording gestelde vragen') steunen op de daaraan voorafgaande feiten ('feiten waarvan uitgegaan wordt') en bevindingen ('Eigen beschouwing/bevindingen') waarbij zwaar wordt geleund op het gesprek met, c.q. de verklaring van, [A] en het 'uitvoerig onderzoek' dat [deskundige] 'ter plaatse' meldt te hebben verricht. Dat alles is voor het hof aanleiding het rapport van [deskundige] met terughoudendheid te bekijken.

2.4

Ook de inhoud van het rapport van [deskundige] kan het hof niet overtuigen. Blijkens het slot van zijn onder 2.1 vermelde antwoorden gaat [deskundige] er vanuit dat de lekkageschade het gevolg is van een op 16 juni 2011 niet goed aangesloten boiler. Lekkage als gevolg van 'een defect van de eerste boiler (Inventum)' acht hij, zo begrijpt het hof, niet aannemelijk op grond van het argument dat 'een plotselinge (hevige) lekkage op 16 juni 2011 van de defecte boiler' op dat moment opgemerkt zou moeten zijn en ook binnen 24 uur zichtbaar zou moeten zijn geweest voor de onderbuurman. Het hof stelt in de eerste plaats vast dat [deskundige] daarmee miskent dat Energiewacht zich onder verwijzing naar met name de verklaring van [getuige 3] nu juist op het standpunt stelt dat [getuige 3] op 16 juni 2011 de lekkage van de boiler heeft opgemerkt, waarna deze nog diezelfde dag is vervangen. In de tweede plaats stelt het hof vast dat in het rapport geen steun is te vinden voor de opvatting dat, uitgaande van de datum van 16 juni 2011, sprake geweest moet zijn van een 'plotselinge (hevige) lekkage'. Dat dat het geval is geweest is ook niet het standpunt dat Energiewacht in haar processtukken heeft ingenomen, en daarvan blijkt ook niet uit de verklaringen van haar medewerkers [getuige 3], [getuige 1] en [getuige 2]. Ten slotte kan het hof zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet inzien dat een op 16 juni 2011 aangetroffen lekkage 'ook binnen 24 uur zichtbaar moet zijn geweest voor de onderbuurman', waarbij het hof in aanmerking neemt dat de lekkage bij [A]' onderbuurman [B] zich niet heeft voorgedaan in woonkamer, slaapkamer of gang, maar in de meterkast en een inbouwkast (productie 2 inleidende dagvaarding, productie 10 en 11 memorie van grieven). Niet ondenkbaar is dat een lekkage in die ruimten minder snel wordt ontdekt dan in het woongedeelte. Hetgeen [deskundige] op dit punt aanvullend nog heeft geschreven in zijn als productie 19 door Univé overgelegde e-mail van 3 maart 2014 geeft het hof geen aanleiding tot een ander oordeel.

2.5

De slotsom is dat Univé met het rapport van [deskundige] niet in het haar opgedragen (nadere) bewijs is geslaagd. Daarmee is niet komen vast te staan dat de oorzaak van de waterschade bij [A] en [B] is gelegen in het feit dat Energiewacht de nieuwe boiler bij [A] op 16 juni 2011 niet goed heeft aangesloten. Het hoger beroep faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Univé zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep (2,5 punt à tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof, recht doende in hoger beroep,

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Assen, sector Kanton, locatie Assen van 10 juli 2012,

veroordeelt Univé in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Energiewacht begroot op € 666,- voor verschotten en op € 1.580,00 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief,

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. R.A. van der Pol, mr. L. Janse en mr. G. van Rijssen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 20 mei 2014.