Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4060

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
200.141.178
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onwaardigheid legataris. Vernietiging onherroepelijke veroordeling strafvonnis in herzieningsprocedure. Belang bij verklaring voor recht inzake onwaardigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0132
ERF-Updates.nl 2014-0064
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.141.178

(zaaknummer rechtbank ’s-Gravenhage 274752 )

arrest van de zesde kamer van 20 mei 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats], gemeente [woonplaats],

appellant, hierna: [appellant],

advocaat: mr. E.A. Vermeer-Wartna,

tegen:

[notaris],

notaris te Rotterdam,

in haar hoedanigheid van boedelnotaris en boedelgemachtigde van de nalatenschap van [erflaatster],

hierna: de notaris,

niet verschenen,

en

de gezamenlijke erfgenamen van [erflaatster]

overleden op [datum],

gekozen woonplaats ten kantore van de boedelnotaris,

hierna: de erfgenamen,

niet verschenen,

en

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde, hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.E. Franke.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit het arrest van het gerechtshof Den Haag van 31 december 2013, waarbij de zaak in de stand waarin deze zich bevond is verwezen naar dit hof voor verdere afdoening.

1.2

Vervolgens hebben partijen ([appellant] en [geïntimeerde]) de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Op [datum] is [erflaatster] (hierna: de erflaatster) overleden. [geïntimeerde] is een nicht van de erflaatster. [appellant] is de zoon van [huishoudster] (hierna: [huishoudster]) die als huishoudster werkzaam is geweest voor de erflaatster en die thans is overleden. Tijdens het leven van de erflaatster is op verzoek van [geïntimeerde], over de goederen van de erflaatster een meerderjarigenbewind ingesteld met benoeming aanvankelijk van Trustmaatschappij MeesPierson tot bewindvoerder en vervolgens van [geïntimeerde]. Het bewind is geëindigd door het overlijden van de erflaatster.

2.2

De erflaatster heeft bij haar testament van [datum] legaten gemaakt aan onder anderen [geïntimeerde], [huishoudster] en [appellant] en tot haar enige erfgenamen benoemd de vereniging Het Nederlandse Rode Kruis, de stichting Artsen zonder Grenzen, de vereniging Rembrandt Nationaal Fonds Kunstbehoud en de vereniging Vrienden van het Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest.

2.3

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in de procedure in conventie [huishoudster], [appellant], de notaris en de erfgenamen gedagvaard en onder meer gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat het testament van de erflaatster van [datum] nietig is en dat [huishoudster] en [appellant] onwaardig zijn om van de erflaatster te erven en voorts de notaris verbiedt het testament van de erflaatster uit te voeren, althans enige uitkering te doen aan [huishoudster] en [appellant]. In de procedure in eerste aanleg in reconventie hebben [huishoudster] en [appellant] - kort weergegeven - gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld aan hen kosten en schade te vergoeden.

2.4

In de procedure in eerste aanleg in conventie heeft de rechtbank in het bestreden vonnis van 1 september 2010 voor recht verklaard dat [appellant] onwaardig is om van de erflaatster te erven (onder 3.1), de notaris verboden om het testament van [datum] uit te voeren, zolang op de overige vorderingen van [geïntimeerde] niet onherroepelijk is beslist onder 3.2), de proceskosten gecompenseerd (onder 3.3) en het meer of anders gevorderde afgewezen (onder 3.4). Aan de beslissing over de onwaardigheid van [appellant] heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat de rechtbank ’s-Gravenhage bij onherroepelijk geworden vonnis van 29 december 2006 ten aanzien van [appellant] bewezen heeft verklaard dat hij zich wederrechtelijk bedragen heeft toegeëigend die toebehoorden aan de erflaatster en hem heeft veroordeeld tot een taakstraf, waardoor de in artikel 4:3 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) gegeven onwaardigheidsgrond is vervuld.

2.5

De rechtbank heeft in het thans bestreden vonnis van 1 september 2010 in de procedure in reconventie de vorderingen van [huishoudster] en [appellant] afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten.

2.6

In hoger beroep komt [appellant] op tegen de door de rechtbank gegeven verklaring voor recht dat hij onwaardig is. Hij vordert dat het hof het bestreden vonnis van de rechtbank van 1 september 2010 wat de beslissing van de rechtbank in conventie onder 3.1 gewezen betreft vernietigt en, opnieuw recht doend, bepaalt dat (a) [appellant] waardig is te erven van erflaatster, omdat artikel 4:3 BW op hem niet van toepassing is, (b) dat hieruit volgt dat het testament (van de erflaatster) zal worden uitgevoerd en (c) elk van partijen de kosten van deze procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep zal dragen. [appellant] voert daartoe aan dat de Hoge Raad bij arrest van 22 november 2011 zijn aanvraag tot herziening van het onherroepelijk strafvonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 december 2006 gegrond heeft verklaard en de zaak heeft verwezen naar het gerechtshof te ’s-Gravenhage. Dat hof heeft vervolgens bij arrest van 21 juni 2012 dat strafvonnis vernietigd en opnieuw recht doend, niet bewezen verklaard dat [appellant] zich wederrechtelijk bedragen heeft toegeëigend die toebehoorden aan de erflaatster en hem van het aldus hem ten laste gelegde vrijgesproken.

2.7

Alvorens de grief van [appellant] te beoordelen moet het hof ambtshalve eerst de vraag beantwoorden of [geïntimeerde] wel voldoende belang heeft bij de door haar gevorderde verklaring voor recht over de onwaardigheid van [appellant] (artikel 3:303 BW) en of zij een onmiddellijk betrokken persoon is bij de rechtsverhouding waarin deze onwaardigheid een rol speelt (artikel 3:302 BW). [geïntimeerde] is evenals [appellant] legataris in de nalatenschap van de erflaatster. Voor hen beiden geldt het bepaalde in artikel 4:120 lid 2 BW, dat legaten worden verminderd voor zover de nalatenschap niet toereikend is om deze te voldoen. Onwaardigheid van [appellant] heeft tot gevolg dat de verplichting van de erfgenamen tot afgifte van het aan [appellant] gemaakte legaat wegvalt. Het belang van [geïntimeerde] bij de gevorderde verklaring voor recht is erin gelegen dat bij onwaardigheid van [appellant] het legaat dat aan [appellant] is gemaakt niet langer meedoet bij de mogelijke vermindering van legaten wat ertoe kan leiden dat het legaat dat aan [geïntimeerde] is gemaakt niet of voor een kleiner deel wordt verminderd. [geïntimeerde] heeft naar het oordeel van het hof dan ook voldoende belang bij de verklaring voor recht. Het hof is van oordeel dat zij als legataris ook een onmiddellijk betrokken persoon is bij de rechtsverhouding waarin deze onwaardigheid een rol speelt. Die rechtsverhouding betreft alle personen die betrokken zijn bij de afwikkeling van de nalatenschap van de erflaatster, zoals hier in elk geval de erfgenamen, de executeur en legatarissen.

2.8

De wet bepaalt niet uitdrukkelijk wat de gevolgen zijn voor de onwaardigheid in een geval als het onderhavige, waarin een strafvonnis dat een onherroepelijke veroordeling bevat als bedoeld in artikel 4:3 lid 1 onder a of b BW, wordt vernietigd in een herzieningsprocedure. Het hof overweegt dat door die vernietiging achteraf nimmer sprake is geweest van een onherroepelijke veroordeling en evenmin op enig moment van onwaardigheid. Een uitdrukkelijke bepaling dat de onwaardigheid in een dergelijk geval vervalt of nimmer aanwezig is geweest is daarvoor niet nodig. Het hof is dan ook van oordeel dat door de vernietiging van het onherroepelijk geworden strafvonnis geen sprake kan zijn of kan zijn geweest van onwaardigheid van [appellant] om voordeel te trekken uit de nalatenschap van de erflaatster in de zin van artikel 4:3 lid 1 onder b BW of een van de andere gronden voor onwaardigheid. De grief van [appellant] slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis voor zover onder 3.1 in conventie gewezen vernietigen en, opnieuw recht doende, alsnog de meer subsidiaire vordering van [geïntimeerde] in de procedure in conventie inzake de verklaring voor recht dat [appellant] onwaardig is, afwijzen. Anders dan [appellant] vordert zal het hof daarbij niet bepalen dat [appellant] waardig is te erven van erflaatster, omdat artikel 4:3 BW op hem niet van toepassing is, aangezien [appellant] in de procedure in conventie als oorspronkelijk gedaagde geen eis kan instellen. Bovendien ziet het hof geen aanleiding in dit verband het woord ‘erven’ te gebruiken, aangezien [appellant] geen erfgenaam, maar legataris van de erflaatster is.

2.9

[appellant] vordert niet alleen dat het hof bepaalt dat hij waardig is om te erven van de erflaatster, maar ook dat hieruit volgt dat het testament van erflaatster zal worden uitgevoerd. Kennelijk beoogt [appellant] met deze eis vernietiging van de beslissing van de rechtbank onder 3.2 van het bestreden vonnis, waarbij de notaris wordt verboden om het testament van [datum] uit te voeren, zolang op de overige vorderingen van [geïntimeerde] niet onherroepelijk is beslist. Niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] enig rechtsmiddel heeft aangewend tegen de beslissing van de rechtbank ten aanzien van haar vorderingen in conventie. Daaruit volgt dat niet langer sprake is van een verbod aan de notaris tot uitvoering van het testament. [appellant] heeft dus geen belang meer bij deze eis.

2.10

[appellant] is in beginsel niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen zijn in eerste aanleg in conventie mede-gedaagden. Het hof zal hem evenwel niet niet-ontvankelijk verklaren voor zover hij zijn hoger beroep richt tegen deze mede-gedaagden (de notaris en de erfgenamen) en overweegt daartoe als volgt. Wanneer een van de partijen ([appellant]) die in eerste aanleg aan dezelfde zijde stonden in hoger beroep gaat, dient de rechter in hoger beroep, indien sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, ambtshalve aan zijn uitspraak ook gelding te verlenen ten opzichte van de niet in beroep gekomen partij ([huishoudster], de notaris en de erfgenamen). Dit vloeit voort uit de bevoegdheid van een in eerste aanleg in het ongelijk gestelde partij om gebruik te maken van de mogelijkheid tot een hogere voorziening, ongeacht de houding van haar mede-partij (HR 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9618). Van een processueel ondeelbare rechtsverhouding is sprake als het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen in dezelfde zin luidt. Materiële ondeelbaarheid is daarvoor noodzakelijk noch voldoende, maar is wél een omstandigheid die meeweegt bij de beslissing of sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Deze beslissing vormt een resultante van een afweging van de partijbelangen en het algemeen belang dat gelegen is in de vermijding van tegenstrijdige gewijsden. Het hof is van oordeel dat het in dit geval rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van de vraag of [appellant] onwaardig is of niet en of hij als legataris kan optreden in de nalatenschap van de erflaatster ten aanzien van alle betrokkenen, ook de notaris, [huishoudster] of haar rechtsopvolgers en de erfgenamen, in dezelfde zin luidt. Daarmee is hier zowel het belang van de partijen als het algemeen belang om tegenstrijdige beslissingen te vermijden gediend. Het hof zal aan zijn uitspraak ook gelding verlenen ten aanzien van de notaris, de erfgenamen en (de rechtsopvolgers van) [huishoudster].

3 Slotsom

3.1

De grief slaagt, zodat het bestreden vonnis, voor zover gewezen in conventie en voor zover in hoger beroep bestreden, moet worden vernietigd.

3.2

In de stellingen van [appellant] en [geïntimeerde] over de proceskosten vindt het hof aanleiding de kosten van het hoger beroep te compenseren zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 september 2010, wat betreft de beslissing in conventie onder 3.1 en doet opnieuw recht;

wijst alsnog de meer subsidiaire vordering van [geïntimeerde] in de inleidende dagvaarding inzake de verklaring voor recht dat [appellant] onwaardig is af;

bekrachtigt dat vonnis voor het overige;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuis en M.H.H.A. Moes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2014.