Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4019

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-05-2014
Datum publicatie
20-05-2014
Zaaknummer
200.144.658
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot het geven van een bevel tot instemming met een schuldregeling en verzoek toepassing schuldsaneringsregeling ten aanzien van appellante afgewezen, omdat is komen vast te staan dat alle schulden verband houden met de door appellant (tevens echtgenoot) gevoerde onderneming en appellante die schulden niet (mede) is aangegaan en daarvoor ook op grond van de wet niet mede schuldenaar is geworden.

Verzoek tot het geven van een bevel tot instemming met een schuldregeling ten aanzien van appellant afgewezen, omdat de schuldeisers in redelijkheid tot weigering van hun instemming konden komen en omdat de aangeboden schuldregeling niet goed gedocumenteerd is en geen duidelijk inzicht geeft of het aanbod van appellant het uiterste is waartoe hij financieel in staat moet worden geacht.

Verzoek toepassing schuldsaneringsregeling ten aanzien van appellant afgewezen, omdat zonder jaarstukken of andere relevante financiële gegevens betreffende de onderneming niet kan worden beoordeeld of appellant te goeder trouw is geweest bij het ontstaan van zijn zakelijke schulden, waaronder een zeer omvangrijke belastingschuld die in overwegende mate is ontstaan door het gedurende langere tijd structureel onbetaald laten van afdrachtbelastingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.144.658

(rekestnummers rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 259408 FT RK 14/308 en 259409 FT RK 14/309 en zaaknummers C/05/255673 / FT RK 13/2251 en 255674 / FT RK 13/2252)

arrest van de eerste civiele kamer van 19 mei 2014

inzake

[appellant]

en

[appellante],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. M. Davelaar.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Op 14 oktober 2013 hebben de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het beroeps-vervoer over de weg (hierna te noemen: BPF) en de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Beroepsgoederenvervoer over de weg en verhuur van mobiele kranen (hierna te noemen: SOOB) een verzoek tot faillietverklaring van [appellanten] bij de rechtbank ingediend.
Bij verzoekschrift van 29 november 2013 hebben [appellanten] de rechtbank verzocht om ten aanzien van hen de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.
Bij verzoekschrift van 3 februari 2014 hebben [appellanten] de rechtbank verzocht de weigerachtige schuldeisers, te weten de Belastingdienst en SOOB, te bevelen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (Fw).

1.2

Bij vonnis van 26 maart 2014, rekestnummers 259408 FT RK 14/308 en 259409 FT RK 14/309, heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, het verzoek van [appellanten] tot het geven van een bevel tot instemming met de schuldregeling afgewezen.

1.3

Bij vonnis van 26 maart 2014, zaaknummers C/05/255673 / FT RK 13/2251 en 255674 / FT RK 13/2252, heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, het verzoek van [appellanten] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.

1.4

Het hof verwijst naar voornoemde vonnissen van 26 maart 2014.



2.Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 2 april 2014 ingekomen verzoekschrift zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van voornoemde vonnissen van 26 maart 2014 en hebben zij het hof verzocht die vonnissen te vernietigen en verzocht om, opnieuw recht doende, primair, alvorens de schuldsaneringsregeling op hen van toepassing te verklaren, te bevelen dat de weigerachtige crediteuren alsnog zullen instemmen met de door hen voorgestelde schuldregeling.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, de brieven met bijlagen van 24 april 2014 en 29 april 2014 en de faxberichten met bijlage(n) van 1 mei 2014 en 6 mei 2014 van mr. Davelaar, het op 8 mei 2014 ingekomen verweerschrift met bijlagen van BPF en SOOB (in dat verweerschrift wordt het hof verzocht [appellanten] niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek, althans dat verzoek af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen, een en ander met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de procedure), het faxbericht met bijlagen van 8 mei 2014 van mr. Davelaar en het faxbericht van 12 mei 2014 van de Belastingdienst.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 mei 2014, waarbij [appellanten] zijn verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Davelaar en mr. T.L.P. Nguyen. Namens BPF en SOOB is mr. J.A. Trimbach verschenen. De Belastingdienst is, met bericht vooraf, niet verschenen.

2.4

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft mr. Davelaar een werkformulier fiscaal rapport IB 2012 en een hypothecair bericht object van het Kadaster overgelegd.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellant], geboren op [geboortedatum], en [appellante], geboren op [geboortedatum], zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Samen hebben zij drie kinderen, geboren op [geboortedatum], [geboortedatum] en [geboortedatum].
[appellant] heeft van [datum] tot [datum] een eenmanszaak onder de naam
‘[bedrijfsnaam]’ geëxploiteerd. [appellant] is op [datum] in dienst getreden van[bedrijfsnaam]

3.2

De rechtbank heeft de afwijzing van het verzoek van [appellanten] tot het geven van een bevel aan de weigerachtige schuldeisers om in te stemmen met de schuldregeling gegrond op de overweging dat het verzoek niet volledig en betrouwbaar is gedocumenteerd. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
Het verzoek betreft het opleggen van een schuldregeling aan de weigerachtige schuldeisers, inhoudende een betaling van 5,96% van de totale vordering aan de concurrente schuldeisers en 11,52% van de totale vordering aan de preferente schuldeisers tegen finale kwijting. Het aanbod betreft een krediet van € 167.000,- dat door derden ter beschikking is gesteld.
De totale schuldenlast van [appellanten] bedraagt volgens opgave bij het verzoekschrift € 1.620.705,56. Volgens het verzoekschrift is sprake van negen schuldeisers, waarvan de Belastingdienst met een vordering van € 1.279.194,- en SOOB met een vordering van € 427,14 niet akkoord zijn gegaan. Bij emailbericht van 19 maart 2014 heeft de Belastingdienst alsnog ingestemd met het aanbod van [appellanten].
De schuldregeling is door mr. T.L.P. Nguyen, advocaat te Almere, voorbereid en getoetst. Ter zitting is echter gebleken dat er nog een schuld van € 47.655,51 bestaat bij BPF, die niet was meegenomen in het aangeboden akkoord. Voorts is naar aanleiding van het verhandelde ter zitting gebleken dat de schuld aan SOOB € 2.311,79 bedraagt in plaats van het in het verzoekschrift genoemde bedrag van € 427,17, aldus de rechtbank.
De rechtbank heeft vooropgesteld dat alle schuldeisers gelijk behandeld dienen te worden. Nu de schuld aan BPF niet is meegenomen in het aan de schuldeisers aangeboden akkoord en de overige schuldeisers ook niet zijn geïnformeerd dat het de bedoeling is deze schuldeiser te gelegener tijd volledig te betalen, oordeelde de rechtbank dat het verzoek van [appellanten] niet volledig en betrouwbaar is gedocumenteerd en dat dit verzoek, nog daargelaten dat in het aanbod SOOB voor een te laag bedrag is meegewogen, daarom niet kan worden toegewezen. De gemachtigde van [appellanten] zal een nieuw aanbod aan de schuldeisers moeten doen, waarbij de wijzigingen met betrekking tot de schuldeisers moeten worden meegenomen, aldus de rechtbank.

3.3

De rechtbank heeft het verzoek van [appellanten] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het hierna volgende.
[appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van onder meer de belastingschulden en de pensioenpremies, die een groot deel van de totale schuldenlast uitmaken, in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest. [appellanten] hadden voor het afdragen van onder meer de belastingen en de pensioenpremies de ontvangen dan wel ingehouden bedragen dienen te reserveren en af te dragen. Gelet op de omvang van de schulden heeft de rechtbank geconcludeerd dat dit over een langere periode niet is gebeurd. Daaruit heeft de rechtbank afgeleid dat de onderneming eerder gestaakt had moeten worden, zodat het nodeloos oplopen van schulden was voorkomen. De werknemers zullen hierdoor ook problemen ondervinden, met name in verband met de opbouw van hun pensioen. De onderneming is niet op verantwoorde wijze gevoerd en het doen of laten ontstaan van de genoemde schulden (de schuld aan de Belastingdienst van € 1.279.194,-, de schuld aan SOOB van € 427,14 en de schuld aan BPF van € 47.655,51) wordt [appellanten] derhalve aangerekend, aldus de rechtbank.

3.4

Uit de door mr. Davelaar op 1 mei 2014 overgelegde crediteurenlijst blijkt dat er in totaal acht schuldeisers zijn met een totaalbedrag aan schulden van € 1.677.409,52.
Tot deze schuldenlast behoren de schulden aan:
1. de Belastingdienst van € 1.279.194,- (ontstaan in 2009);
2. Flynth adviseurs en accountants te Arnhem van € 3.000,05 (ontstaan in februari 2013);
3. Salland Olie van € 85.692,45 (ontstaan in april 2013);
4. BvCM (Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V.) van € 10.525,62 (ontstaan in maart
2013);
5. de heer J. [appellant] sr. van € 240.569,- (ontstaan in maart 2010);
6. SOOB van € 2.311,79 (ontstaan in maart 2013);
7. Vodafone van € 8.461,10 (ontstaansdatum onbekend) en
8. BPF van € 47.655,51 (ontstaan in april 2013).
De schuldeisers onder nummers 2, 3, 4, 5 en 7 hebben ingestemd met het voorstel van [appellanten].

3.5

Het hof stelt voorop dat op grond van de beschikbare stukken en hetgeen hierover bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren is gekomen voldoende aannemelijk is geworden dat alle hiervoor onder 3.4 genoemde schulden verband houden met de door [appellant] gevoerde onderneming. Vaststaat dat [appellante] deze schulden niet (mede) is aangegaan en dat zij daarvoor ook op grond van de wet niet mede schuldenaar is geworden. Dit leidt het hof tot het oordeel dat niet gebleken is dat ten aanzien van [appellante] sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 284 lid 1 Fw, zodat reeds op die grond de verzoeken van [appellante] dienen te worden afgewezen en de bestreden vonnissen ten aanzien van haar dus dienen te worden bekrachtigd.

3.6 Blijkens de door/namens [appellant] overgelegde stukken beschikt hij over een bedrag van € 216.967,73. Ter zitting van het hof heeft [appellant] verklaard dat dit bedrag als lening beschikbaar is gesteld door zijn vader en door (hem bekende) derden.
De door [appellant] aangeboden (nieuwe) schuldregeling houdt in een betaling van 7,26% aan de concurrente schuldeisers en een betaling van 14,52% aan de preferente schuldeiser
(de Belastingdienst) van de totale vordering tegen finale kwijting.

3.7

Op grond van artikel 287a lid 5 Fw geldt dat het verzoek van [appellant] om de weigerachtige schuldeisers te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling, alleen dan moet worden toegewezen indien zij niet in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat deze geïntimeerden hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [appellant] of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
Naar het oordeel van het hof is daarvan geen sprake. Daarbij neemt het hof met name in aanmerking dat drie van de acht schuldeisers (meer dan een derde) met een totaalbedrag aan schulden van € 1.329.161,30 (ruim 79% van de totale schuldenlast van [appellant]) hun instemming hebben geweigerd. Verder acht het hof van belang dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van de schulden aan BPF en SOOB ([appellant] heeft langere tijd niet voldaan aan de afdrachtverplichting ter zake van pensioenpremies voor zijn werknemers) en aan de Belastingdienst ([appellant] heeft sinds 2009 structureel onder meer loonbelasting, omzetbelasting en motorrijtuigen-belasting onbetaald gelaten). Reeds op grond hiervan is het hof van oordeel dat de Belastingdienst, BPF en SOOB in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen.

Dit oordeel wordt niet anders door de omstandigheid dat de Belastingdienst aanvankelijk wel had ingestemd met het eerste verzoek van [appellant], maar om nader in het faxbericht van 12 mei 2014 toegelichte redenen (die er kort gezegd op neerkomen dat in het eerste verzoek van [appellant] geen melding was gemaakt van de andere weigerachtige schuldeisers), deze instemming in tweede instantie, naar aanleiding van een nieuw aanbod, alsnog heeft geweigerd.

Verder is het hof van oordeel dat de aangeboden schuldregeling niet goed gedocumenteerd is en geen duidelijk inzicht geeft of het aanbod het uiterste is waartoe [appellant] financieel in staat moet worden geacht.
De stelling van [appellant] dat het alternatief van faillissement of schuldsanering de schuldeisers geen beter uitzicht biedt is in het licht van voornoemde omstandigheden onvoldoende zwaarwegend om het hof tot een ander oordeel te brengen. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek ex artikel 287a Fw zal worden bekrachtigd. Voor een proces-kostenveroordeling, zoals zijdens BPF en SOOB verzocht, ziet het hof onvoldoende aanleiding.


3.8 Vervolgens dient het hof te beoordelen of [appellant] kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Hiertoe overweegt het hof als volgt.
[appellant] heeft, zoals hiervoor reeds onder 3.7 is overwogen, niet aannemelijk gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van in elk geval een substantieel deel van zijn zakelijke schulden. [appellant] heeft geen jaarstukken of andere relevante financiële gegevens betreffende zijn onderneming overgelegd, waaruit zijn inkomen als ondernemer en het verloop van het ontstaan van de schuldenlast blijkt. Inzicht in het al of niet te goeder trouw zijn geweest van [appellant] bij het ontstaan of onbetaald laten van zijn zakelijke schulden tot de opgegeven omvang daarvan, ontbreekt hierdoor. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een verantwoorde bedrijfsvoering en dat de schulden te goeder trouw zijn ontstaan en onbetaald zijn gelaten. Met betrekking tot de zeer omvangrijke belastingschuld geldt voorts dat die in overwegende mate is ontstaan door het gedurende langere tijd structureel onbetaald laten van afdrachtbelastingen. Naast het al geconstateerde structurele verzuim ter zake van de afdracht van pensioenpremies is ook dat reden om het verzoek van [appellant] af te wijzen. Nu ook niet is gebleken van bijzondere omstandig-heden op grond waarvan [appellant] toch tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zou moeten worden toegelaten, zal het hof beslissen als hierna te melden.


4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


bekrachtigt de hiervoor onder 1.2 en 1.3 genoemde vonnissen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 26 maart 2014;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, A.R. van de Winkel en H.C. Frankena, en is op 19 mei 2014 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.