Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3923

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
13/01030
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:3222, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Aftrekbare alimentatieverplichting? Duurzaam gescheiden leven? Betaalde hypotheekrente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0133
V-N Vandaag 2014/1021
V-N 2014/38.2.2
FutD 2014-1222
Mr. M.H.W.N. Lammers annotatie in NTFR 2014/1777
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 13/01030

uitspraakdatum: 13 mei 2014

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 september 2013, nummer
AWB 12/3027, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almere (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.932. Tevens is een bedrag van € 78 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 mei 2012 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 26 september 2013 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.932 waarbij rekening dient te worden gehouden met de arbeidskorting en de doorwerkbonus.

1.4.

Belanghebbende heeft bij brief van 2 oktober 2013, ingekomen bij het Hof op
3 oktober 2013, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2014. De zaken met de nummers 13/01030 en 13/01154 tot en met 13/01156, zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door [A], belastingadviseur te [Z]. Namens de Inspecteur is verschenen [B].

1.8.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren op 23 augustus 1943, is in het onderhavige jaar 2009 gehuwd met [C] (hierna: de echtgenote). Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. Deze kinderen zijn geboren in 1986, 1988 en 1989. In maart 2005 hebben belanghebbende en zijn echtgenote de echtelijke samenleving verbroken. De echtgenote en de kinderen zijn in de echtelijke woning te [Z] – van welke woning belanghebbende en de echtgenote mede-eigenaar zijn – blijven wonen. In het onderhavige jaar wonen de echtgenote en de jongste twee kinderen – beiden volgen op dat moment een politieopleiding – nog in deze woning. Belanghebbende woont in 2009 in een andere woning te [Z]. Het huwelijk is in december 2010 door echtscheiding ontbonden.

2.2.

Belanghebbende en de echtgenote hadden tot 2010 een gezamenlijke bankrekening met nummer [0000.00.000]. Via deze rekening werd onder meer de hypotheekrente betaald ter zake van de echtelijke woning te [Z]. De AOW-uitkering en het pensioen van belanghebbende – in 2009 een bedrag van in totaal € 18.956 – zijn tot 2010 rechtstreeks overgemaakt naar deze bankrekening.

2.3.

De echtgenote heeft in 2009 een inkomen genoten van ongeveer
€ 30.000.

2.4.

In belanghebbendes aangifte IB/PVV 2009 is het volgende aangegeven:

-Inkomen uit tegenwoordige arbeid ([D]) € 20.494

-Inkomsten uit vroegere arbeid (AOW en pensioen) 20.778

-Inkomsten uit eigen woning

Eigenwoningforfait: 0,55% van € 178.000 979

Aftrek: rente eigenwoningschuld -/- 8.818

Belastbare inkomen uit eigen woning -/- 7.839

Toegerekend aan belanghebbende -/- 4.339

-Belastbaar inkomen uit werk en woning 36.933

2.5.

Tot de gedingstukken behoort een verklaring van de ex-echtgenote. Deze verklaring luidt als volgt:

“Verslag van bevindingen.

Op 29 februari 2012 heb ik, [E], ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam bij de Belastingdienst Randmeren, kantoor Almere tevens Buitengewoon opsporingsambtenaar (…) gesproken met

Naam : Mw. [C]

Woonadres : [a-straat] 230 te [L]

Nationaliteit : nederlandse

BSN nummer : (…)

Gehoorde heeft zich gelegitimeerd aan de hand van een paspoort nummer (…),

Aanleiding van dit gesprek was een melding van ID-fraude door de inmiddels ex-echtgenoot [belanghebbende].

[C] verklaarde het volgende:

Wij zijn in 2005 duurzaam gescheiden, ik ben op het adres [a-straat] 230 te [Z] achtergebleven samen met onze drie dochters. [Belanghebbende] is naar onze caravan in Frankrijk vertrokken. Daarna leefde [belanghebbende] op kamers maar wilde daar niet ingeschreven staan, dit in verband met het belang van de verhuurder. Wij leefden tot juni 2010 duurzaam gescheiden en deelden de gemeenschappelijke rekening. Afspraak was dat [belanghebbende] wekelijks zakgeld zou opnemen. Ik heb inderdaad een DIGID voor [belanghebbende] aangevraagd, wij waren gehuwd en ik deed altijd al de aangiftes Inkomstenbelasting voor ons samen. De teruggaves kwamen ook op onze gemeenschappelijke rekening binnen. De jaaropgaves van de pensioenen van [belanghebbende] kwamen op ons adres aan de [a-straat] 230 te [Z] binnen. Later is [belanghebbende] ook nog gaan werken, deze jaaropgave kwam op zijn eigen adres binnen. [Belanghebbende] heeft mij de jaaropgave 2009 van zijn tegenwoordige dienstbetrekking verstrekt. Deze had ik nodig voor het indienen van de aangifte 2009. Er zijn nooit afspraken gemaakt over alimentatie. Wij leefden duurzaam gescheiden en ieder ging zijn eigen gang. [Belanghebbende] is altijd overal van op de hoogte geweest. Het geld wat op onze gemeenschappelijke rekening binnenkwam is gebruikt om onze leningen af te lossen. Ik heb de aangiftes altijd op dezelfde manier ingevuld als voor onze scheiding. Ik heb altijd de hypotheekrente voor 50% aan een ieder toebedeeld voor aftrek. U krijgt van mij een kopie van de jaaropgaaf 2009 van [belanghebbende], hieruit kunt u zijn toenmalige verblijfsadres zien.

Aldus op ambtseed opgemaakt te [Z], 29 februari 2012.”

2.6.

Met dagtekening 9 november 2011 is aan belanghebbende de definitieve aanslag IB/PVV 2009 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.932.

2.7.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat van aftrekbare alimentatieverplichtingen geen sprake is, zodat wordt uitgegaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van
€ 36.932.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of sprake is van een aftrekbare alimentatieverplichting. Belanghebbende betoogt uitsluitend, hetgeen hij ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, dat bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2009 ten onrechte een renteaftrek voor de eigenwoningschuld in aanmerking is genomen van € 4.339 – hetgeen de Inspecteur heeft bevestigd – maar dat hij daarvoor in de plaats € 8.818 – het totale bedrag van de betaalde hypotheekrente – aan kosten van levensonderhoud (alimentatie) heeft betaald aan de echtgenote van wie hij in dat jaar duurzaam gescheiden leefde. De Inspecteur bestrijdt deze aftrek.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk woning van € 36.932 -/- (€ 8.818 -/- € 4.339), ofwel € 32.453. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Overwegingen

4.1.

Ingevolge artikel 6.3, lid 1, letter a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 behoren tot de (aftrekbare) onderhoudsverplichtingen de periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn.

4.2.

Tijdens het huwelijk steunt de onderhoudsverplichting tussen echtgenoten op – de uit het familierecht voortvloeiende verplichting van – artikel 1:81 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op grond waarvan echtgenoten verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen waarbij over en weer rekening moet worden gehouden met ieders inkomen en vermogen.

4.3.

Blijkens het arrest HR 2 juli 1986, nr. 23.856, BNB 1986/243, kan voornoemde verplichting op grond van artikel 1:81 BW worden gesteld op de omvang van de verstrekkingen die in overeenstemming is met de hoogte die de burgerlijke rechter als alimentatie aan de echtgenoot zou hebben toegekend.

4.4.

Blijkens het arrest HR 15 december 1976, nr. 18.133, BNB 1977/21, is slechts aftrek toegelaten ter zake van onderhoud van de echtgenoot indien de echtgenoten duurzaam gescheiden leven.

4.5.

Zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende, die aanspraak heeft gemaakt op een aftrekpost, aannemelijk dient te maken dat hij periodieke verstrekkingen heeft gedaan op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting.

4.6.

Belanghebbende betoogt dat hij en de echtgenote in 2009 duurzaam gescheiden hebben geleefd. De Inspecteur brengt daartegen in dat belanghebbende en de echtgenote in 2009 een gezamenlijke bankrekening hebben, dat beiden kunnen beschikken over een bankpas en dat de advocaat van de echtgenote eerst in juli 2010 spreekt over alimentatie. Volgens de Inspecteur brengen deze omstandigheden mee dat belanghebbende en de echtgenote in 2009 een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. De Inspecteur heeft niet betwist dat belanghebbende vanaf maart 2005 niet meer in de echtelijke woning te [Z] heeft gewoond. Gelet op laatstgenoemde omstandigheid, op de verklaringen van belanghebbende en de ex-echtgenote (zie 2.5) en op het feit dat het huwelijk in december 2010 door echtscheiding is ontbonden, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende en de echtgenote in 2009 afzonderlijk een eigen leven hebben geleid als ware zij niet gehuwd, en dat deze toestand als bestendig is bedoeld. Hetgeen de Inspecteur daartegenover heeft gesteld, doet aan dat oordeel niet af. Dit brengt mee dat belanghebbende en zijn echtgenote in 2009 duurzaam gescheiden hebben geleefd.

4.7.

Vervolgens betoogt belanghebbende dat in 2009 zijn pensioen en AOW-uitkering rechtstreeks zijn overgemaakt naar de gemeenschappelijke bankrekening en dat deze gelden zijn opgenomen en gebruikt door de echtgenote van wie hij duurzaam gescheiden leefde, onder meer voor de betaling van de hypotheekrente. Het Hof acht echter, mede gelet op de inkomenspositie van belanghebbende en zijn echtgenote, niet aannemelijk dat belanghebbende in 2009 op grond van artikel 1:81 BW verplicht was de echtgenote meer te verschaffen dan een bedrag van € 4.339 dat reeds in aftrek is gekomen. Belanghebbende heeft immers niets aangevoerd omtrent de behoefte, draagkracht of andere niet-financiële omstandigheden van de echtgenote waaruit kan worden afgeleid dat de verstrekkingen in 2009 als verstrekkingen ter voorziening in het levensonderhoud van de echtgenote moeten worden beschouwd.

Heffingsrente

4.8.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de aanslag in stand blijft, is voor een vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente geen plaats.

Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende dient ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. B.F.A. van Huijgevoort en mr. J. Lamens, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2014.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 14 mei 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.