Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3918

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
19-05-2014
Zaaknummer
200.127.578
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:BZ7961, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag van gewijsde

Belang bij uitspraak

Akte van cessie

Uitleg depotovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.127.578

(zaaknummer rechtbank Gelderland 236650)

arrest van de tweede kamer van 13 mei 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante],

gevestigd te Voorhout, gemeente [woonplaats],

appellante,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. F.E. Boonstra,

tegen:

1 de coöperatie
Coöperatieve Rabobank Bommelerwaard U.A.,

gevestigd te Zaltbommel,

geïntimeerde sub 1,

hierna: de Rabobank,

advocaat: mr. E.J. Peerboom-Gerrits,

2 [geïntimeerde sub 2], handelend onder de naam [bedrijfsnaam],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde sub 2,

hierna: [geïntimeerde sub 2],

advocaat: mr. S.J.G.A. van Pelt.

Geïntimeerden gezamenlijk zullen de Rabobank c.s. worden genoemd.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van de procedure tot en met het arrest van 25 juni 2013, verwijst het hof naar dat arrest.

1.2

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de memorie van grieven, met producties

- de memorie van antwoord van de Rabobank, met producties,

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde sub 2], met producties,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij bericht van 4 maart 2014 door mr. Boonstra namens [appellante] zijn ingebracht.

1.3

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten.

2.2

De besloten vennootschap [vennootschap] (hierna: [vennootschap]) heeft [geïntimeerde sub 2] op 27 februari 2009 gedagvaard voor de rechtbank te ’s-Gravenhage in verband met onbetaald gebleven facturen.

2.3

Op 12 mei 2009 heeft [vennootschap], in verband met de vordering die zij bij de rechtbank te ’s-Gravenhage tegen [geïntimeerde sub 2] had ingesteld, conservatoir beslag gelegd op een tweetal aan [geïntimeerde sub 2] in eigendom toebehorende onroerende zaken voor een bedrag van € 100.000,- (hierna: het beslag). Deze onroerende zaken waren destijds verhypothekeerd aan de Rabobank.

2.4

[geïntimeerde sub 2] had een deel van de beslagen onroerende zaken verkocht. De levering van deze onroerende zaken was bepaald op 31 juli 2009.

2.5

[geïntimeerde sub 2] en de Rabobank hebben [vennootschap] verzocht mee te werken aan de opheffing van het beslag, teneinde de verkochte onroerende zaak waarop [vennootschap] beslag had gelegd te kunnen leveren.

2.6

Op 31 juli 2009 hebben [vennootschap], [geïntimeerde sub 2] en de Rabobank ten overstaan van [de notaris], notaris te Zaltbommel (hierna: de notaris), een “depotovereenkomst bij beslag onroerende zaak” (hierna: de depotovereenkomst) gesloten (productie 5 bij inleidende dagvaarding). Ingevolge deze depotovereenkomst is het beslag opgeheven, op voorwaarde dat een bedrag van € 100.000,- onder de notaris zou blijven. In de depotovereenkomst staat onder meer:

In aanmerking nemende:

2. dat beslaglegger [vennootschap], hof] een vordering heeft op verkoper, waarvoor op 12 mei 2009 conservatoir beslag is gelegd onder meer voormelde registergoederen;

3. dat verkoper [geïntimeerde sub 2], hof] deze vordering betwist;

4. dat hypotheekhouder de Rabobank, hof] eveneens een vordering op verkoper heeft, waarvoor ten laste van voormelde registergoederen hypothecaire zekerheid is verleend

(…)

7. dat beslaglegger bereid is het beslag op te heffen blijkens een onherroepelijke volmacht tot doorhaling (…) op voorwaarde dat een geldbedrag onder berusting van de notaris blijft;

8. dat hypotheekhouder bereid is het hypotheekrecht op te zeggen (…) onder voorwaarde dat na te melden depotbedrag, indien de beslaglegger hierop geen rechten kan uitoefenen, toekomt aan de hypotheekhouder.

Komen overeen:

  1. De notaris houdt een gedeelte van de koopsom, namelijk honderdduizend euro (€ 100.000,00), hierna te noemen het depotbedrag, onder zijn berusting tot zekerheid voor de nakoming door verkoper [[geïntimeerde sub 2], hof] van zijn verplichting uit hoofde van de vordering waarvoor beslag is gelegd en de vordering waarvoor hypothecaire zekerheid is gegeven.

  2. Verkoper, hypotheekhouder en beslaglegger verkrijgen ten gevolge hiervan een voorwaardelijke vordering op de notaris.
    Verkoper cedeert bij dezen de hiervoor bedoelde vordering aan de hypotheekhouder, welke door de hypotheekhouder door ondertekening van deze overeenkomst wordt aangenomen. De betreffende mededeling heeft bij dezen plaatsgevonden.

  3. De notaris mag slechts tot uitbetaling aan hypotheekhouder en/of beslaglegger overgaan indien:
    - hij van beide partijen schriftelijk een gelijkluidende opdracht hiertoe ontvangt, waarbij beide partijen verplicht zijn aan deze opdracht zo spoedig mogelijk hun medewerking te verlenen; of
    - na een rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan dan wel uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

  4. (…)”

2.7

Naar aanleiding van een meningsverschil tussen [vennootschap] en de Rabobank over de uitleg van de depotovereenkomst en de vraag aan wie het depotbedrag toekomt, heeft de Rabobank in 2010 bij de rechtbank Haarlem om een voorlopig getuigenverhoor verzocht. Nadat dit verzoek was toegewezen, hebben op 12 november 2010 en 10 juni 2011 getuigenverhoren plaatsgevonden.

2.8

Bij vonnis van 24 augustus 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage (productie 1 bij inleidende dagvaarding) is [geïntimeerde sub 2] (in conventie) veroordeeld tot betaling aan [vennootschap] van – kort gezegd – de openstaande facturen. Dit vonnis is inmiddels in kracht van gewijsde gegaan.

2.9

In een e-mailbericht d.d. 7 oktober 2011 van de notaris aan mr. Boonstra (productie 7 bij conclusie van antwoord van de Rabobank) is vermeld: “Kunt u mij aangeven wat de stand van zaken is in de zaak tussen uw cliënt en de Rabobank, in welke zaak ik de getuigenis heb afgelegd? De uitspraak van de rechter in die zaak zal immers bepalen aan wie het depot uitgekeerd kan worden. Tot die tijd houd ik het depot aan.”

2.10

Op 22 november 2011 is tussen [vennootschap] en [appellante] een akte van cessie opgemaakt (productie 3 bij conclusie van antwoord van [geïntimeerde sub 2]). Daarin is onder meer vermeld:

Overwegende:

1. [vennootschap] [vennootschap], hof] heeft uit hoofde van leveranties van plantmateriaal vorderingen op [geïntimeerde sub 2] (…) welke vorderingen in een gerechtelijke procedure bij de Rechtbank ’s-Gravenhage (…) bij vonnis van 24 augustus 2011 zijn toegewezen (…)

Komen overeen als volgt:

2. [vennootschap] draagt bij deze aan [appellante][appellante], hof] voornoemde vorderingen op [geïntimeerde sub 2] over, welke cessie door [appellante] bij deze wordt aanvaard;

3. [vennootschap] en [appellante] verstaan dat met de vorderingen van [vennootschap] op [geïntimeerde sub 2] tevens alle overige rechten, verplichtingen en rechtsvorderingen verbonden aan en/of samenhangend met de vorderingen op [geïntimeerde sub 2] overgaan op [appellante], welke overdracht [appellante] voor zover vereist uitdrukkelijk verklaart bij deze aan te nemen.”

2.11

Op 19 december 2011 heeft [appellante] de Rabobank en [geïntimeerde sub 2] gedagvaard voor de rechtbank Arnhem en aldaar gevorderd:

- een verklaring voor recht dat aan haar op grond van de depotovereenkomst van 31 juli 2009 het depotbedrag toekomt, alsmede

- een veroordeling van de Rabobank en [geïntimeerde sub 2] tot het verlenen van hun medewerking aan de uitkering van het depotbedrag door notaris [naam] aan [appellante].

2.12

Bij vonnis van 12 september 2012 van de rechtbank Arnhem is [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen (productie 2 bij conclusie van antwoord van de Rabobank). Daartoe heeft de rechtbank overwogen:

“4.1 [appellante] heeft aan haar vordering de depotovereenkomst van 31 juli 2009 ten grondslag gelegd.

4.2

De Rabobank en [geïntimeerde sub 2] hebben – ieder voor zich – als meest verstrekkend verweer opgeworpen dat [appellante] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen. Zij voeren daartoe aan dat – door middel van de akte van cessie – [vennootschap] haar vordering op [geïntimeerde sub 2] heeft gecedeerd aan [appellante]. De aldus gecedeerde vordering staat echter los van de (voorwaardelijke) vordering die [vennootschap] uit hoofde van de depotovereenkomst op de notaris heeft verkregen. Die vordering maakt geen onderdeel uit van de akte van cessie. [vennootschap] is dan ook degene aan wie een vorderingsrecht uit hoofde van de depotovereenkomst toekomt en niet [appellante].

4.3

Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft [appellante] ter gelegenheid van de comparitie van partijen gesteld dat door de enkele cessie van de vordering van [vennootschap] op [geïntimeerde sub 2] aan haar ook de rechtsverhouding uit de depotovereenkomst is overgegaan. Voorts heeft [appellante] daarbij naar voren gebracht dat in de onderhavige procedure uit de depotovereenkomst voortvloeiende vordering op de notaris hier niet aan de orde is.

4.4

Het verweer slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.5

Tussen partijen is niet in debat dat in de akte van cessie tussen [vennootschap] en [appellante] de vordering die [vennootschap] op [geïntimeerde sub 2] heeft verkregen als gevolg van de veroordeling van [geïntimeerde sub 2] in conventie in het vonnis van 24 augustus 2011 expliciet (artikelen 1 en 2 van de akte van cessie) is gecedeerd aan [appellante].

4.6

Partijen verschillen echter wel over de vraag of uit hoofde van de depotovereenkomst een vordering van [vennootschap] op [geïntimeerde sub 2] is ontstaan, die vervolgens in dezelfde akte van cessie aan [appellante] is gecedeerd.

4.7

In de depotovereenkomst is uitdrukkelijk bepaald dat zowel de verkoper als de beslaglegger als de hypotheekhouder een (voorwaardelijke) vordering op de notaris verkrijgen, waarbij de verkoper op voorhand zijn vordering aan de hypotheekhouder heeft gecedeerd. Dat, zoals [appellante] stelt, er geen (voorwaardelijke) vordering op de notaris uit hoofde van de depotovereenkomst is ontstaan, maar (wel) op [geïntimeerde sub 2] en de Rabobank, is alleen al vanwege deze expliciete bepaling, waartoe ook [vennootschap] zich verbond, rechtens onjuist.

Voor zover namens [appellante] is betoogd dat het in de onderhavige procedure niet zou gaan om een uit de depotovereenkomst verkregen vordering op de notaris, is dit betoog – in het licht van haar eigen vorderingen – onbegrijpelijk.

4.8

Voor zover van belang kan – zonder nadere toelichting die ontbreekt – uit de tekst van de akte van cessie niet worden begrepen dat door de cessie de vordering die [vennootschap] op de notaris heeft, is overgegaan. Noch artikel 1 en 2 van de akte van cessie noch artikel 3 van de akte van cessie kunnen zo worden begrepen.

4.9

De slotsom is dat [appellante] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen.”

Ook dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

2.13

Op 15 oktober 2012 is tussen [vennootschap] en [appellante] een akte van cessie opgemaakt (productie 3 bij inleidende dagvaarding). In deze akte van cessie is vermeld:

“1. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vennootschap] (…) hierna te noemen: “[vennootschap]”;

en

2. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] (…) hierna te noemen: “[appellante]”;

Overwegende:

1. [vennootschap] heeft uit hoofde van leveranties van plantmateriaal vorderingen op [geïntimeerde sub 2] (…), welke vorderingen in een gerechtelijke procedure bij de Rechtbank ’s-Gravenhage (…) bij vonnis van 24 augustus 2011 zijn toegewezen (…)

2. In het kader van de sub 1 genoemde rechtbankprocedure is door [vennootschap] op aan [geïntimeerde sub 2] in eigendom toebehorende onroerende goederen conservatoir beslag gelegd. In juli 2009 is door [geïntimeerde sub 2] en de Rabobank Bommelerwaard, die meerdere hypotheken op voornoemde onroerende goederen aan [geïntimeerde sub 2] had verstrekt, aan [vennootschap] verzocht de gelegde beslagen gedeeltelijk te doen doorhalen, omdat en voor zover [geïntimeerde sub 2] de voornoemde onroerende goederen had verkocht. [vennootschap] heeft aan de doorhaling haar medewerking verleend, nadat de aan deze akte van cessie gehechte depotovereenkomst d.d. 31 juli 2009 (…) door de betrokken partijen [vennootschap], [geïntimeerde sub 2] en Rabobank Bommelerwaard was gesloten (…)

Komen als volgt overeen:

3. [vennootschap] draagt hierbij aan [appellante] voornoemde vorderingen op [geïntimeerde sub 2] over, waaronder alle vorderingen die voortvloeien uit de voornoemde depotovereenkomst, zowel jegens [geïntimeerde sub 2], als Rabobank Bommelerwaard, in diens hoedanigheid van cessionaris in voornoemde depotakte, en de in voornoemde depotakte genoemde notaris, welke cessie door [appellante] hierbij wordt aanvaard;

4. [vennootschap] en [appellante] verstaan dat met de vorderingen van [vennootschap] op [geïntimeerde sub 2], en dus ook Rabobank Bommelerwaard en de betrokken notaris, tevens alle overige rechten, verplichtingen en rechtsvorderingen verbonden aan en/of samenhangend met de vorderingen op [geïntimeerde sub 2] overgaan op [appellante], welk overdracht [appellante], voor zover vereist, uitdrukkelijk verklaart bij deze aan te nemen.

(…)”

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellante] heeft in haar inleidende dagvaarding bij de rechtbank Gelderland gevorderd dat – kort samengevat – voor recht zal worden verklaard dat aan [appellante] op grond van de depotovereenkomst en de akte van cessie van 15 oktober 2012 het gehele depotbedrag van € 100.000,-, alsmede de daarop gekweekte rente, toekomt en dat de Rabobank en [geïntimeerde sub 2] zullen worden veroordeeld tot betaling van het depotbedrag van € 100.000,- en tot medewerking aan uitkering van dit bedrag, op straffe van een boete van € 5.000,- per dag, met veroordeling van de Rabobank en [geïntimeerde sub 2] in de proceskosten.

3.2

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. Daartoe heeft zij redengevend geacht dat de rechtbank Arnhem in rechtsoverweging 4.7 van het vonnis van 12 september 2012 reeds een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de rechtsbetrekking tussen [vennootschap] enerzijds en de Rabobank en [geïntimeerde sub 2] anderzijds uit hoofde van de depotovereenkomst, welk oordeel “dezelfde rechtsbetrekking betreft als de rechtsbetrekking die thans in geschil is en die (wederom) de grondslag vormt voor de vorderingen van [appellante], een door [appellante] (als gevolg van cessie door [appellante] BV) gepretendeerd vorderingsrecht op Rabobank en [geïntimeerde sub 2] uit hoofde van de depotovereenkomst” (bestreden vonnis onder 4.5).

3.3

[appellante] heeft deze beslissing van de rechtbank, en de daaraan ten grondslag gelegde motivering, in hoger beroep met één grief bestreden. Het hof ziet zich daarom gesteld voor de vraag of het vonnis van 12 september 2012 in de weg staat aan het instellen van de voorliggende rechtsvorderingen door [appellante], zoals bedoeld in artikel 236 lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv)

3.4

De ratio van artikel 236 lid 1 Rv is dat het ongewenst is (onder meer) dat een eenmaal beslecht geschilpunt in een volgende procedure opnieuw ter discussie wordt gesteld. Bij de beantwoording van de vraag of een geschilpunt reeds is beslecht, gaat het niet alleen om het dictum van het vonnis, maar ook om de dragende overwegingen daarvan.

3.5

In het onder 2.12 geciteerde vonnis van 12 september 2012 heeft de rechtbank Arnhem geoordeeld dat het door de Rabobank en [geïntimeerde sub 2] gevoerde verweer dat [appellante] niet ontvankelijk is in haar vorderingen omdat de vordering die [vennootschap] had verkregen uit hoofde van de depotovereenkomst geen onderdeel uitmaakte van de akte van cessie, slaagde.

Tegen de achtergrond van het bij de rechtbank Arnhem gevoerde verweer van de Rabobank en [geïntimeerde sub 2] dat de akte van cessie tussen [vennootschap] en [appellante] niet tevens de vordering uit hoofde van de depotovereenkomst omvatte, dienen de overwegingen van de rechtbank Arnhem aldus te worden begrepen dat zich het probleem voordeed dat degene die medewerking vroeg aan rechtshandelingen strekkende tot uitkering van het depot, ten opzichte van de notaris geen vorderingsrecht kon uitoefenen, omdat de akte van cessie d.d. 22 november 2011 zich – volgens de door de rechtbank aan die akte gegeven uitleg – niet tevens uitstrekte tot de vorderingsrechten uit de depotovereenkomst. [vennootschap] had in deze akte van cessie weliswaar haar vorderingen op [geïntimeerde sub 2] uit hoofde van leveranties van plantmateriaal gecedeerd, maar niet de vorderingen die [vennootschap] toekwamen uit hoofde van de depotovereenkomst.

Deze uitleg sluit aan bij de tekst van de akte van cessie van 22 november 2011, zoals geciteerd onder 2.10 van dit arrest. Daarin heeft [vennootschap] weliswaar haar vordering op [geïntimeerde sub 2] uit hoofde van het onder 2.8 genoemde vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 augustus 2011 weliswaar gecedeerd aan [appellante], maar de depotovereenkomst en de daarmee verband houdende vorderingsrechten van [vennootschap] zijn in deze akte van cessie niet vermeld.

Tegen deze achtergrond moet het vonnis van de rechtbank Arnhem van 12 september 2012 aldus worden uitgelegd dat de grondslag voor de afwijzing van de vorderingen van [appellante] is geweest het ontbreken van een cessie met betrekking tot de vorderingen die [vennootschap] toekwamen uit hoofde van de depotovereenkomst.

3.6

In verband met het vonnis van de rechtbank Arnhem van 12 september 2012 is tussen [vennootschap] en [appellante] op 15 oktober 2012 een akte van cessie opgemaakt, zoals geciteerd onder 2.13 van dit arrest. Met de vermelding dat door [vennootschap] alle vorderingen die voortvloeien uit de depotovereenkomst worden overgedragen aan [appellante], “zowel jegens [geïntimeerde sub 2], als Rabobank Bommelerwaard, in diens hoedanigheid van cessionaris in voornoemde depotakte, en de in voornoemde depotakte genoemde notaris (...)” heeft [appellante] de lacune die de rechtbank Arnhem in haar vonnis van 12 september 2012 in de akte van cessie van 22 november 2011 constateerde, gedicht. Op grond van deze akte van cessie komen [appellante] derhalve de vorderingsrechten van [vennootschap] op basis van de depotovereenkomst toe.

De vordering die [appellante] bij de inleidende dagvaarding van 13 november 2012 heeft ingesteld, berust op deze nieuwe akte van cessie en daarom op nieuwe feiten, waarover de rechtbank niet in haar vonnis van 12 september 2012 een beslissing heeft gegeven. Het gaat er dan om of de vordering van [appellante] tegen de Rabobank c.s., strekkende tot medewerking aan uitkering van het depot aan haar, kan worden toegewezen. [appellante] is daarom ontvankelijk in deze vordering.

3.7

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank Arnhem geen inhoudelijke beslissing over de door [appellante] ingestelde vorderingen heeft gegeven, omdat zij van oordeel was dat deze vorderingsrechten niet haar, maar [vennootschap] toekwamen. Het vonnis van 12 september 2012 staat daarom niet in de weg aan het instellen van nieuwe vorderingen door [appellante] tegen de Rabobank en [geïntimeerde sub 2] uit hoofde van de depotovereenkomst op grond van een akte van cessie waarin de vorderingsrechten wél door [vennootschap] aan [appellante] zijn gecedeerd.

De grief, waarmee [appellante] erover klaagt dat de rechtbank Gelderland in haar vonnis van 27 maart 2013 ten onrechte heeft overwogen dat de rechtbank Arnhem in het vonnis van 12 september 2012 al een oordeel heeft gegeven over de rechtsbetrekking tussen [vennootschap] enerzijds en de Rabobank en [geïntimeerde sub 2] anderzijds uit hoofde van de depotovereenkomst, slaagt dan ook.

3.8

Met het slagen van deze grief en ten gevolge van het feit dat [appellante] blijkens haar memorie van grieven persisteert in de door haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen en daaraan ten grondslag gelegde stellingen, liggen de door [appellante] in eerste aanleg ingestelde vorderingen en de daartegen aangevoerde verweren, integraal aan het hof voor.

3.9

[geïntimeerde sub 2] heeft als verweer in eerste aanleg aangevoerd (onder meer onder 9 en 10 in de conclusie van antwoord en tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg) dat zij in artikel 2 van de depotovereenkomst haar voorwaardelijke vordering op de notaris tot uitkering van het depot heeft gecedeerd aan de Rabobank, zodat [appellante] in haar vorderingen tegen [geïntimeerde sub 2] niet ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel deze vorderingen tegen [geïntimeerde sub 2] moeten worden afgewezen.

3.10

Dit verweer van [geïntimeerde sub 2] slaagt. In artikel 2 van de depotovereenkomst, en de overige bepalingen van de depotovereenkomst, zijn slechts de beslaglegger ([appellante]) en de hypotheekhouder (de Rabobank) genoemd als partijen aan wie de notaris tot uitbetaling kan overgaan. Daarbij wordt ook slechts de (gezamenlijke) medewerking van [appellante] en de Rabobank verlangd. [geïntimeerde sub 2] is dan ook na de verkoop en levering van de beslagen onroerende zaak en de ondertekening van de depotovereenkomst, niet langer betrokken bij het in depot gehouden geldbedrag.

Deze lezing van de depotovereenkomst en de bedoeling van partijen daarbij, wordt ook bevestigd door de verklaring die de notaris [de notaris] tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft afgelegd (zie ook het hierna onder 3.19 vermelde citaat).
Dit sluit tevens aan bij de verklaring van (de advocaat van) [appellante] tijdens het pleidooi dat de notaris alleen het standpunt van de Rabobank ten aanzien van de door [appellante] gevorderde uitbetaling wil weten.

Om die reden kan van [geïntimeerde sub 2] geen medewerking meer worden verlangd aan uitkering van het depot en heeft [appellante] geen belang bij haar tegen [geïntimeerde sub 2] ingestelde vordering tot verklaring voor recht dat het depotbedrag aan haar toekomt. De door [appellante] tegen [geïntimeerde sub 2] ingestelde vorderingen moeten daarom worden afgewezen.

Het aanbod van [appellante] om bewijs bij te brengen voor de aan de vorderingen tegen [geïntimeerde sub 2] ten grondslag gelegde stellingen, wordt gepasseerd, omdat het te bewijzen aangebodene niet tot een andere beslissing kan leiden.

3.11

De Rabobank heeft als verweer aangevoerd dat [appellante] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen, omdat zij geen vordering tegen de Rabobank had moeten instellen, maar tegen de notaris.

3.12

Dit verweer faalt. Weliswaar heeft [appellante] geen vorderingsrecht jegens de Rabobank, in die zin dat de Rabobank gehouden zou zijn om zelf tot betaling van het gevorderde bedrag van € 100.000,- over te gaan, dit neemt echter niet dat [appellante] wel belang heeft bij het instellen van haar rechtsvorderingen jegens de Rabobank in de zin van artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek. In het onderhavige geval is immers in de depotovereenkomst vereist dat [appellante] en de Rabobank beide een schriftelijke opdracht aan de notaris geven om tot uitbetaling van het in depot aangehouden bedrag over te gaan.
Het belang van [appellante] bij haar vorderingen jegens de Rabobank blijkt ook uit het onder 2.9 geciteerde e-mailbericht d.d. 7 oktober 2011 aan mr. Boonstra waarbij de notaris heeft gevraagd aan wie het depot kan worden uitgekeerd.

Namens de Rabobank zelf is overigens tijdens het pleidooi ook verklaard dat zij een voorlopig getuigenverhoor heeft geëntameerd, om zekerheid te verkrijgen over degene aan wie het depot zou moeten worden uitgekeerd.

3.13

Indien en voor zover het verweer aldus moet worden begrepen dat slechts de vordering van [appellante] tot veroordeling van de Rabobank tot betaling van depotbedrag moet worden afgewezen, omdat deze vordering alleen kan worden ingesteld tegen de notaris, slaagt het.

In de depotovereenkomst is de notaris immers aangewezen als de persoon die het depotbedrag onder zich houdt en is belast met de uitbetaling daarvan (na daartoe verkregen opdracht van [appellante] en de Rabobank).

3.14

De beoordeling van de overige vorderingen van [appellante] tegen de Rabobank ten gronde, legt de vraag voor of [appellante] redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat aan haar het in depot gehouden bedrag zou worden uitgekeerd, indien zij de door haar bij dagvaarding van 27 februari 2009 tegen [geïntimeerde sub 2] bij de rechtbank ’s-Gravenhage ingeleide procedure zou winnen.

3.15

Bij de beantwoording van deze vraag komt het aan op de uitleg van de depotovereenkomst die partijen hebben gesloten. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 Haviltex) komt het daarbij niet alleen aan op een taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst, maar ook op de bedoeling van partijen ten tijde van het aangaan van de overeenkomst en op hetgeen zij onder de omstandigheden redelijkerwijs van elkaar konden en mochten verwachten. Daarbij spelen ook de maatstaven van redelijkheid en billijkheid een rol (HR 1 oktober 2004, NJ 2005/499, TCM Gesink). Verder kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke (rechts)kennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

3.16

In de depotovereenkomst is vermeld dat de Rabobank bereid is het hypotheekrecht op te zeggen onder de voorwaarde dat het toekomt aan de Rabobank, indien [appellante] daarop geen rechten kan uitoefenen. Met het oog daarop is vermeld dat het depot door de notaris wordt aangehouden “tot zekerheid voor de nakoming van de vordering waarvoor beslag is gelegd en de vordering waarvoor hypothecaire zekerheid is gegeven”.

Deze tekst van de depotovereenkomst pleit voor een uitleg die inhoudt dat de Rabobank slechts dan rechthebbende tot het depotbedrag is indien [appellante] geen vordering op [geïntimeerde sub 2] mocht blijken te hebben.

3.17

Deze lezing van de depotovereenkomst sluit ook aan bij een e-mailbericht van mr. Boonstra, d.d. 31 juli 2009, aan notaris [naam] (productie 2 achter productie 6 bij inleidende dagvaarding). Daarin is vermeld dat [appellante] slechts aan opheffing van het beslag heeft willen meewerken omdat “Met de Rabobank en de heer [geïntimeerde sub 2] is overeengekomen dat € 100.000 ,- (zegge honderdduizend euro) van de koopsom ad € 3.500.000,- bij uw notariskantoor in depot blijft, totdat partijen hun geschillen hebben beslecht, hetzij middels een gerechtelijke uitspraak in hoogste instantie, dan wel middels een minnelijke regeling.”

Dit bericht is c.c. verzonden aan onder meer de advocaat van de Rabobank alsmede aan een medewerker van de Rabobank ([naam]).

3.18

Deze uitleg wordt ondersteund door verklaringen die, naar aanleiding van het door de Rabobank geëntameerde voorlopig getuigenverhoor, zijn afgelegd over de totstandkoming, de inhoud en het doel van de depotovereenkomst (producties 7 en 8 bij dagvaarding in eerste aanleg).

3.19

De notaris heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor op 12 november 2010 verklaard:

“Ik weet dat er sprake was van een transport van de verkoper, meneer [geïntimeerde sub 2]. Dat transport zou in eerste instantie niet doorgaan omdat er een hypotheek op een van de te verkopen onderpanden rustte (het was een tuinbouwbedrijf met meerdere kadastrale percelen) en er ook beslag op was gelegd. Tot 30 juli 2009 leek het erop dat er geen overeenstemming zou worden bereikt. Op 31 juli 2009 werd ik gebeld door de heer [naam] van de Rabobank. Hij deelde mij mede dat hij met de advocaat van de beslaglegger had afgesproken dat er een bedrag van € 100.000,- in depot zou worden gehouden bij mij op de derdengeldenrekening. De heer [naam] verzocht mij een depotovereenkomst op te stellen. Ik heb vervolgens contact met de heer Boonstra opgenomen om te controleren of dit klopte en hij bevestigde dat. Ik heb toen de depotovereenkomst opgesteld en deze overeenkomst aan partijen in concept gemaild met het verzoek mij te laten weten of de inhoud akkoord was.

Vervolgens heb ik een reactie gehad van de heer [naam] van de Rabobank die van mening was dat de heer [geïntimeerde sub 2] geen partij bij de depotovereenkomst was. Ik was dat niet met hem eens. In mijn notariële visie houd ik de verkoopopbrengst bij onduidelijkheid voor de verkoper. De heer [naam] heeft toen aangegeven dat hij het nog steeds niet met mij eens was en dat het niet zo kan zijn, in zijn visie, dat een ton van de verkoopopbrengst bij [geïntimeerde sub 2] terecht zou komen. Naar aanleiding daarvan heb ik de depotovereenkomst aangepast, zodanig dat als [geïntimeerde sub 2] gelijk zou krijgen in de procedure met [appellante], die ton gelijk aan de Rabobank toe zou komen. Daartoe is er in die depotovereenkomst een cessie opgenomen.

(…)

U vraagt mij wat nou precies het geschil was tussen de Rabobank en [appellante] over de verkoopopbrengst. De Rabobank wenste voor algeheel royement de volledige verkoopopbrengst te ontvangen. Dan zou er niets overblijven voor het beslag. De beslaglegger wilde het beslag niet royeren. Op vrijdagochtend werd mij medegedeeld dat was afgesproken een bedrag van een ton in depot te houden.

U vraagt mij tot wanneer het bedrag in depot zou worden gehouden. Zoals ik het altijd heb begrepen zou het bedrag in depot worden gehouden totdat er een uitspraak zou zijn in de procedure tussen [geïntimeerde sub 2] en [appellante]. Als [appellante] in die procedure gelijk zou krijgen, zou hij direct aanspraak maken op die ton. Als [geïntimeerde sub 2] gelijk zou krijgen, zou die ton door middel van een cessie naar de Rabobank gaan.

(…)”

3.19

Anders dan door de Rabobank wordt betoogd, blijkt niet uit latere e-mailberichten dat de notaris is teruggekomen van hetgeen zij tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard. Dit kan ook niet worden afgeleid uit het e-mailbericht van 7 oktober 2011, waarin de notaris heeft verzocht aan wie het depot uitgekeerd kan worden. De enkele omstandigheid dat de notaris daarin heeft vermeld dat zij het depot aanhoudt totdat de rechter heeft bepaald aan wie het depot uitgekeerd kan worden, kan niet tot de conclusie leiden dat de notaris een ander standpunt heeft ingenomen over de vraag wie volgens haar rechthebbende is tot het depot. Deze mededeling moet veeleer worden begrepen tegen de achtergrond van het feit dat in de depotovereenkomst is vermeld dat zowel [appellante] als de Rabobank een opdracht aan haar moeten geven om tot uitkering van het depotbedrag over te gaan. Nu de Rabobank een opdracht tot uitbetaling van het depot aan [appellante] (Holding) heeft geweigerd te verstreken, kon de notaris slechts wachten op nadere instructies naar aanleiding van de onderhavige procedure.

3.20

Mr. Boonstra heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor op 10 juni 2011 verklaard:

“U vraagt mij wie met het idee van de depotovereenkomst is gekomen. Ik denk dat het [naam] is geweest.

(…)

U vraagt mij waarom ik ben ingegaan op het voorstel van de depotovereenkomst. Ik heb een concept depotovereenkomst van [de notaris] ontvangen en die voldeed aan de eisen die mijn cliënte daaraan wenste te stellen.

U vraagt mij waartoe de depotovereenkomst in mijn visie diende. Die overeenkomst had tot doel het reserveren van een ton totdat het geschil tussen [geïntimeerde sub 2] en [appellante] zou zijn afgewikkeld. Als [appellante] gelijk zou krijgen zou die ton naar [appellante] gaan en als [geïntimeerde sub 2] gelijk zou krijgen zou die ton naar [geïntimeerde sub 2] gaan.

(…)

U vraagt mij of de depotovereenkomst in mijn beleving als een beslaggarantie moet worden aangemerkt. De depotovereenkomst geldt als zekerheid voor het geval dat [appellante] de procedure zou winnen van [geïntimeerde sub 2] zodat die ton boven tafel zou komen.

(…)

Ik zie de depotovereenkomst als een onderhandelingsresultaat.”

3.21

Bij het vorenstaande komt dat [appellante] onvoldoende weersproken heeft aangevoerd dat de Rabobank nog hypotheekrechten op andere onroerende zaken van [geïntimeerde sub 2] had. Naar de mening van [vennootschap] bedroeg, op het moment van de voorgenomen overdracht van de onroerende zaken waarop [vennootschap] conservatoir beslag had laten leggen, de waarde van deze zaken meer dan de (rest)vordering van de Rabobank op [geïntimeerde sub 2]. Om die reden heeft (de advocaat van) [vennootschap] ook om inzage verzocht in de financiële positie van de Rabobank ten opzichte van [geïntimeerde sub 2].

Zo heeft mr. Boonstra op 30 juli 2009 nog aan de Rabobank verzocht om inzage in stukken waaruit viel af te leiden dat het vorderingsrecht van de Rabobank op [geïntimeerde sub 2] de waarde van de verhypothekeerde onroerende zaken overtrof (zie productie 4 achter productie 6 bij de inleidende dagvaarding).
Mr. Boonstra heeft daarover tijdens het voorlopig getuigenverhoor op 12 november 2010 ook verklaard:

“Op 30 juli 2009 heb ik een e-mail verzonden aan de heer [naam]. Mr. Van Meeteren zegt mij dat de heer [naam] werkzaam is bij de Rabobank Nederland in Utrecht. Mijn e‑mail ging over de schuldenopbouw van [geïntimeerde sub 2] bij de Rabobank. Ik heb in die e-mail vragen gesteld over de opbouw van de hypotheekvordering en met name de omvang daarvan. ”

Deze inzage heeft de Rabobank echter niet vóór 31 juli 2009 – de datum van de voorgenomen en uiteindelijke overdracht van de onroerende zaken – kunnen verschaffen.

3.22

Bij het vorenstaande komt het volgende.

[appellante] heeft onvoldoende weersproken aangevoerd dat zij mocht menen dat de Rabobank belang had bij het doorzetten van de voorgenomen verkoop van de onroerende zaken door [geïntimeerde sub 2] aan een derde. Deze onroerende zaken werden verkocht voor een bedrag van € 3.500.000,-. De kans was reëel dat de Rabobank een veel geringere opbrengst zou behalen met de verkoop van de onroerende zaken indien de geplande overdracht van deze onroerende zaken geen doorgang had kunnen vinden. Dit vindt zijn bevestiging in een brief van de Rabobank aan mr. Boonstra, d.d. 20 juli 2009 (productie 4 bij conclusie van antwoord van de Rabobank), waarin werd verzocht om opheffing van het conservatoir beslag. Daarin is vermeld:

“Volgens een recent taxatierapport bedraagt de executiewaarde van het onderhands te verkopen object € 2.600.000 en de vrije verkoopwaarde € 3.100.000,00. De overeengekomen koopsom is zoals gezegd € 3.500.000,00, hetgeen in deze situatie als het maximaal haalbare moet worden beschouwd. Als deze onderhandse verkoop niet door kan gaan, zal het registergoed executoriaal verkocht moeten worden.”

Daar komt bij dat [appellante] onweersproken heeft gesteld (onder meer tijdens de comparitie van partijen bij de rechtbank) dat niet alleen gelet op de hoogte van het verkoopbedrag, maar ook gelet op het boetebeding van 10% het belang van de Rabobank groot was om de levering te laten doorgaan.

Tegen die achtergrond valt ook te begrijpen dat mr. Boonstra heeft verklaard dat hij het als een onderhandelingsresultaat beschouwde dat € 100.000,- aan [vennootschap] zou toekomen, indien [vennootschap] de procedure tegen [geïntimeerde sub 2] zou winnen en dat slechts bij verlies van die procedure het depotbedrag aan de Rabobank zou worden uitgekeerd.

3.23

Tegenover de hierboven weergegeven verklaringen en omstandigheden, staat slechts de verklaring van mr. [naam], destijds als advocaat van de Rabobank betrokken bij de opstelling van de depotovereenkomst, die is afgelegd tijdens het voorlopig getuigenverhoor op 12 november 2010. Hij heeft verklaard:

“Op donderdag 30 juli 2009 ontving ik in de namiddag een e-mail van de Rabobank met de mededeling dat er een discussie bestond over een beslaglegging. Het transport van het onroerend goed waarop beslag was gelegd was gepland op 31 juli 2009. Mr. Boonstra had contact met de Rabobank Nederland opgenomen met de mededeling dat hij het beslag niet wilde opheffen voor het transport. Hij wilde meer inzicht hebben in de vordering van de bank en had veel vragen over de financiële situatie of positie van de klant van de bank.

De volgende ochtend heb ik telefonisch contact gehad met Boonstra om te informeren wat het probleem eigenlijk was. Boonstra geloofde niet dat de vordering van de bank zo hoog was zoals was aangegeven. De bank heeft mij gezegd dat haar vordering hoger was dan de waarde van het onroerend goed waar beslag op was gelegd en dat de hele opbrengst van het pand naar de bank als hypotheekhouder zou gaan. Dat geloofde hij niet. Ik heb gezegd dat de bank de door hem gevraagde informatie over de financiële positie van [geïntimeerde sub 2], de klant van de bank, niet zou verstrekken op grond van het bankgeheim. Ik heb toen gezegd dat wel een andere oplossing bedacht zou kunnen worden. Er zou bijvoorbeeld een derde kunnen worden ingeschakeld om de boeken van de bank te controleren.

Ik heb toen tegen hem gezegd: ‘dat red je niet’, want het transport zou dezelfde dag plaatsvinden. Ik heb toen gezegd: ‘laten we het bedrag waarvoor beslag is gelegd apart zetten bij de notaris om zo de schade te beperken’.

Ik heb vervolgens mevrouw [de notaris] gebeld van het notariskantoor en ik heb haar exact hetzelfde gezegd, namelijk dat er een discussie was over de hoogte van de vordering van de bank op haar klant en dat er een oplossing was bedacht om het bedrag ter hoogte waarvan beslag was gelegd apart te houden. Ik heb haar verzocht om een overeenkomst op te stellen. Daarna heb ik het gesprek met mr. Boonstra per e-mail bevestigd en die e-mail heb ik in cc naar mevrouw [de notaris], de advocaat van [geïntimeerde sub 2], en mijn cliënt gestuurd. Daarna is de depotovereenkomst opgesteld en getekend en het transport heeft ook plaatsgevonden. Daarna ben ik op vakantie gegaan. Ik teken daarbij aan dat ik heb meegemaakt dat de depotovereenkomst in concept is opgesteld. Het sluitstuk heb ik niet meegemaakt want ik ben in de middag met vakantie gegaan.

(…)

U vraagt mij of het mevrouw [de notaris] duidelijk was dat het doel van de depotovereenkomst was het bedrag te separeren totdat duidelijk was hoe hoog de vordering van de bank op haar cliënt was. Ik antwoord u daarop dat ik dat zelf aan mevrouw [de notaris] heb meegedeeld.

Ik heb naar aanleiding van het opstellen van de depotovereenkomst nog contact met mevrouw [de notaris] gehad over een aantal dingen die met een cessie te maken hebben meen ik.”

3.24

Ten aanzien van de verklaring van mr. [naam], dat een derde kon worden ingeschakeld om de boeken van de bank te controleren ten aanzien van haar financiële positie ten opzichte van [geïntimeerde sub 2], heeft mr. Boonstra tijdens het voorlopig getuigenverhoor op 10 juni 2011 verklaard:

“U houdt mij voor dat mr. [naam] op 12 november 2010 heeft verklaard dat er een andere oplossing zou kunnen worden bedacht en dat er bijvoorbeeld een derde zou kunnen worden ingeschakeld om de boeken van de bank te controleren en u vraagt mij of dat ook in mijn visie aan de orde is geweest. Dat is aan de orde geweest maar pas maanden later, in augustus meen ik.”

[appellante] heeft erop gewezen dat zij op het moment dat het voorstel kwam daar niet meer op is ingegaan, omdat zij van mening was dat de financiële positie van de Rabobank ten opzichte van [geïntimeerde sub 2] niet meer van belang was voor de vraag aan wie het in depot gehouden bedrag toekwam.

3.25

Uit de verklaring van mr. [naam] blijkt overigens dat hij direct bij de totstandkoming van de depotovereenkomst en de tekst daarvan betrokken is geweest en dat hij zelfs nog wijzigingen in het concept daarvan heeft laten aanbrengen (hetgeen ook blijkt uit het e-mailbericht van 31 juli 2009, productie 6 bij conclusie van antwoord van de Rabobank). Het had – uitgaande van de juistheid van de stellingen van de Rabobank omtrent haar bedoelingen – dan ook op zijn weg gelegen om de bewoordingen van de depotovereenkomst te laten aanpassen aan de bedoeling die de Rabobank volgens hem bij de depotovereenkomst had. Meer in het bijzonder had van mr. [naam] gevergd kunnen worden dat ook in de tekst van de depotovereenkomst duidelijk tot uitdrukking werd gebracht dat de Rabobank haar claim op het depotbedrag wenste te handhaven, ook indien [vennootschap] de procedure tegen [geïntimeerde sub 2] mocht winnen. Zo had de Rabobank een voorbehoud in de depotovereenkomst kunnen laten opnemen, ertoe strekkende dat het depot aan haar zou toevallen, als mocht blijken dat haar financiële positie (de verhouding van haar hypotheekrechten ten opzichte van haar vorderingen op [geïntimeerde sub 2]) daartoe aanleiding mocht geven. De Rabobank heeft dit echter nagelaten, zodat – bij gebreke van andersluidende stellingen waaruit dit zou kunnen blijken – deze bedoeling van de Rabobank ook niet kenbaar is geworden aan [vennootschap]

3.26

Nu [appellante] geen enkel inzicht had in de financiële positie van de Rabobank, is het begrijpelijk dat zij er van is uitgaan dat er voldoende overwaarde was op de overige onroerende zaken waarop de Rabobank een hypotheekrecht had.

Alle hierboven genoemde feiten en omstandigheden maken dat [vennootschap] de depotovereenkomst redelijkerwijs zo heeft mogen begrijpen dat het depot aan haar zou toevallen, indien zij een veroordelend vonnis jegens [geïntimeerde sub 2] zou krijgen.

3.27

Met het veroordelend vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 augustus 2011 is deze voorwaarde vervuld. Nu de vorderingen van [vennootschap] aan [appellante] zijn gecedeerd, dienen de vorderingen van [appellante] B.V. op de Rabobank tot verklaring voor recht dat aan haar het depotbedrag van € 100.000,- vermeerderd met de daarop gekweekte rente toekomt en tot veroordeling van de Rabobank tot medewerking aan uitkering van dit bedrag, te worden toegewezen.

Het hof zal de gevorderde dwangsom ([appellante] spreekt abusievelijk van een “boete”) eveneens toewijzen, nu uit de depotovereenkomst blijkt dat [appellante] een schriftelijke opdracht van de Rabobank nodig heeft, en [appellante] genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat zij deze dwangsom nodig heeft als prikkel voor de nakoming van de verplichtingen van de Rabobank. Het hof ziet echter, mede gelet op het door de Rabobank gevoerde verweer, aanleiding om de aan de veroordeling tot medewerking aan uitkering van dit bedrag verbonden dwangsom te maximeren op een bedrag van € 100.000,-.

3.28

Het hof verwerpt het door de Rabobank gedane bewijsaanbod, omdat de Rabobank, tegenover de gemotiveerde betwisting door [appellante], heeft nagelaten haar stellingen nader te onderbouwen. Voor zover het bewijsaanbod zou zien op het opnieuw horen van reeds gehoorde getuigen, geldt dat de Rabobank bovendien niet heeft gespecificeerd waarover deze getuigen nader kunnen verklaren.

4 Slotsom

4.1

De slotsom luidt dat het hoger beroep faalt voor zover het is ingesteld tegen [geïntimeerde sub 2]. Het vonnis van de rechtbank Gelderland van 27 maart 2013 zal ten aanzien van [geïntimeerde sub 2], zij het op andere gronden, worden bekrachtigd.
Het hoger beroep treft doel voor zover het is ingesteld tegen de Rabobank. Het bestreden vonnis ten aanzien van de Rabobank moet worden vernietigd. De vordering tot betaling van het depotbedrag door de Rabobank zal worden afgewezen. De overige tegen de Rabobank bij inleidende dagvaarding ingestelde vorderingen zullen worden toegewezen, met dien verstande dat de aan de veroordeling tot medewerking aan uitkering van het depotbedrag te verbinden dwangsom zal worden gemaximeerd op € 100.000,-.

4.2

Als de in het ongelijk te stellen partij in de procedure tegen [geïntimeerde sub 2] zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde sub 2] zullen worden vastgesteld op:

griffierecht: € 683,00

salaris advocaat: € 7.896,00 (3 punten x tarief V)

Totaal € 8.579,00

4.3

Als de in het ongelijk te stellen partij in de procedure tegen de Rabobank zal het hof de Rabobank in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 83,17

- griffierecht € 1.789,00

- salaris advocaat € 2.842,00 (2 punten x tarief V)

Totaal € 4.714,17

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 76,71

- griffierecht € 1.862,00

- salaris advocaat € 7.896,00 (3 punten x tarief V)

Totaal € 9.834,71

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 27 maart 2013 voor zover het is gewezen ten aanzien van [geïntimeerde sub 2];

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 27 maart 2013 voor zover het is gewezen ten aanzien van de Rabobank en doet in zoverre opnieuw recht;

  • -

    verklaart voor recht dat aan [appellante] B.V. op grond van de depotovereenkomst van 31 juli 2009 en de akte van cessie d.d. 15 oktober 2012 het gehele depotbedrag van € 100.000,00 alsmede de daarop gekweekte rente overeenkomstig art. 5 van voornoemde depotovereenkomst toekomt;

  • -

    veroordeelt de Rabobank tot medewerking aan alle maatregelen en handelingen, die noodzakelijk zijn om de betrokken notaris van het notariskantoor van mr.[naam] te Zaltbommel het depot van € 100.000,-- met rente op grond van de depotovereenkomst van 31 juli 2009 te doen uitkeren, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat de Rabobank en/of [geïntimeerde sub 2], vanaf de dag van betekening van het onderhavig vonnis, de voornoemde medewerking, hoegenaamd ook, weigeren;

  • -

    verbindt aan voornoemde dwangsom een maximum van € 100.000,00;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde sub 2], tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 8.579,00;

veroordeelt de Rabobank in de kosten van beide instanties aan de zijde van [appellante], tot aan de bestreden uitspraak wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 4.714,17 en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 9.834,71;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.B. Boorsma, W.L. Valk en J.G.J. Rinkes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2014.