Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3907

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
200.134.011
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recreatiewoning. Beheerovereenkomst. Terugvordering van betaalde bijdragen in energielasten c.a. Verschuldigdheid van bijdrage in het vastrecht, de energiebelasting, de licentiekosten voor CAI-signalen? Mag de beheerder terugkomen op een overeenkomst tot verwijdering van een parkeerplaats?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.134.011

(zaaknummer rechtbank Overijssel, sector kanton, locatie Almelo 416478)

arrest van de tweede kamer van 13 mei 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M.C.J. Freijters,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Recreatiepark De Tolplas B.V.,

gevestigd te Hoge Hexel,

geïntimeerde,

hierna: Tolplas,

advocaat: mr. G.M. Volkerink.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 18 juni 2013 dat de kantonrechter (rechtbank Overijssel, sector kanton, locatie Almelo) tussen [appellant] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie en Tolplas als een van de eiseressen in conventie, tevens verweerster in reconventie heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

[appellant] heeft bij exploot van 16 september 2013 Tolplas aangezegd van dat vonnis van 18 juni 2013 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Tolplas voor dit hof.

2.2

In genoemd exploot heeft [appellant] drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Hij heeft aangekondigd te zullen concluderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest Tolplas zal veroordelen:

I. tot betaling aan [appellant] van de volgende bedragen:

a. € 2.483,57 ter zake vastrecht over de periode 2007 t/m 2012;

b. € 991,35 ter zake energiebelasting over de periode 2007 t/m 2012;

c. € 86,00 ter zake licentievergoeding over de periode 2009 t/m 2012;

d. de wettelijke rente over voormelde bedragen vanaf de vervaldata van de diverse facturen, subsidiair vanaf het moment dat die zijn betaald, meer subsidiair vanaf de dag van de dagvaarding;

II. om met ingang van 1 januari 2013 geen vastrecht, energiebelasting en licentievergoeding meer aan hem in rekening te brengen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per keer dat Tolplas in strijd hiermee handelt;

III. om zich te onthouden van het aanleggen van de parkeerplaats, partijen genoegzaam bekend, op straffe van een dwangsom van € 25.000,- en indien Tolplas reeds tot de aanleg is overgegaan of dit in de toekomst zal doen, om de parkeerplaats binnen 10 dagen na betekening van dit arrest te verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag dat zij zulks nalaat;

IV. ervoor te zorgen dat op de plaats waar de parkeerplaats zich heeft bevonden, geen voertuigen geparkeerd worden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per keer dat er toch een voertuig geparkeerd staat;

V. tot vergoeding van de kosten van beide instanties, die van het nasalaris daaronder begrepen.

2.3

[appellant] heeft schriftelijk voor eis geconcludeerd overeenkomstig het hiervoor vermelde exploot en heeft daarbij een productie gedeponeerd, die 11 bijlagen omvat.

2.4

Bij memorie van antwoord heeft Tolplas verweer gevoerd en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof de grieven van [appellant] ongegrond zal verklaren, althans zal afwijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, te voldoen binnen veertien dagen na het wijzen van dit arrest, bij gebreke daarvan te vermeerderen met nakosten van € 131,- indien betekening van het arrest niet, en € 199,- indien betekening van het arrest wel nodig zal blijken.

2.5

Daarna heeft [appellant] een akte genomen.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2

[appellant] is op 27 oktober 2004 eigenaar geworden van een recreatiewoning (hierna: de woning) in Recreatiepark De Tolplas, een bungalowpark met recreatiewoningen te Hoge Hexel dat door Tolplas wordt beheerd. [appellant] heeft de woning van zijn ouders gekocht. Zijn ouders hadden de woning op 25 april 2000 van Recreatiepark De Tolplas Beheer B.V. in eigendom verkregen. In de aannemingsovereenkomst die de ouders van [appellant] in 1999 hebben gesloten, alsmede in de koopovereenkomst tussen [appellant] en zijn ouders, wordt verwezen naar een bijlagenboek. In artikel 12 van de koopovereenkomst tussen [appellant] en zijn ouders heeft [appellant] voorts een machtiging verstrekt tot het namens hem ondertekenen van de individuele beheersovereenkomst met Recreatiepark De Tolplas B.V. Bij het sluiten van de koopovereenkomst hebben zijn ouders een blauw bijlagenboek aan [appellant] overhandigd. Daarin is als bijlage 6 een document opgenomen met als titel: “Individuele beheerovereenkomst Bungalowpark De Tolplas”. Dat document is op 25 april 2000 ondertekend door de ouders van [appellant] en een vertegenwoordiger van Tolplas.

3.3

Op 1 oktober 2000 is een nieuw bijlagenboek behorende bij de koop- en aannemingsovereenkomst van Bungalowpark De Tolplas vastgesteld. Artikel 4.3 van de daarin opgenomen individuele beheersovereenkomst is in die zin gewijzigd dat in de nieuwe tekst tevens vermeld wordt dat de kosten van vastrecht die normaliter door de betreffende instanties in verband met het gebruik van gas, water en electra in rekening worden gebracht niet begrepen zijn in de door de eigenaar van een recreatiewoning aan Tolplas te betalen beheersvergoeding.

3.4

[appellant] heeft vanaf het begin van zijn rechtsverhouding met Tolplas tot en met 2012 naast de verbruikskosten van nutsvoorzieningen ook het/de door Tolplas aan hem in rekening gebrachte vastrecht, energiebelastingen, kosten van de centrale antenne-installatie (hierna: CAI) en licentiekosten in verband met radio- en televisiesignalen voldaan.

3.5

Tolplas heeft een naast de woning van [appellant] gelegen groenstrook verhard, waarna omwonenden daar gingen parkeren. Nadat [appellant] daar meerdere malen over heeft geklaagd, heeft Tolplas bij e-mailbericht van 5 oktober 2012 aan hem meegedeeld dat de parkeerplaats zou worden weggehaald. De parkeerplaats is ook weggehaald.

3.6

Bij brief van 4 september 2013 heeft de eigenaar van Tolplas, de heer [A.], aan de raadsman van [appellant] meegedeeld: “[…] [appellant] krijgt nog 1 kans om zich aan de afspraken te houden die we hebben gemaakt. […] Mochten wij m.b.t. deze zaak waarin de rechter glashelder is geweest nog meer tijd kwijt zijn dan zullen we volgende week de parkeerplaats weer openstellen zoals deze altijd is geweest. […]”

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

In eerste aanleg hebben Tolplas en Recreatiepark De Tolplas Beheer B.V. in conventie, na vermindering van hun eis, gevorderd dat [appellant] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis zou worden veroordeeld om € 731,81 aan hen te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.187,35, vanaf de dag der dagvaarding, 27 augustus 2012, tot aan de dag der voldoening. Ook hebben zij gevorderd dat [appellant] in de proceskosten zou worden veroordeeld. In reconventie heeft [appellant] gevorderd dat Tolplas zou worden veroordeeld om € 2.005,63 aan hem te betalen, bestaande uit

€ 1.696,35 aan onverschuldigd betaald vastrecht over vijf jaren en € 309,28 ter zake te weinig in rekening gebrachte heffingskorting in mindering op energiekosten over vijf jaar. De kantonrechter heeft overwogen dat de individuele beheersovereenkomst waar de vordering op is gegrond, tussen Tolplas en [appellant] is gesloten en heeft de vordering van Recreatiepark De Tolplas Beheer B.V. daarom afgewezen. Verder is [appellant] in conventie veroordeeld om € 563,76 aan Tolplas te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.187,35 vanaf 27 augustus 2012 tot 4 december 2012. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten zou dragen. In reconventie is de vordering van [appellant] afgewezen en is hij in de proceskosten aan de zijde van Tolplas, vastgesteld op € 200,-, veroordeeld. De beslissingen in conventie en in reconventie zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2

Blijkens zijn grieven en de toelichting daarop, komt [appellant] in hoger beroep uitsluitend op tegen de afwijzing van zijn vordering in reconventie. Daarnaast heeft hij in hoger beroep een nieuwe vordering ingesteld tot het onthouden van het aanleggen van een parkeerplaats. Grief I richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de individuele beheersovereenkomst waarin is opgenomen dat het vastrecht niet onder de beheerskosten begrepen is tussen partijen geldt. [appellant] heeft gesteld dat hij juist de eerste versie van de beheersovereenkomst heeft ontvangen waarin dit vastrecht niet is uitgezonderd van de beheersvergoeding en dat de rechtbank dus ten onrechte geoordeeld heeft dat hij vastrecht aan Tolplas verschuldigd is.

4.3

Tolplas heeft gesteld dat [appellant] vastrecht dient te betalen ongeacht van welke versie van de individuele beheersovereenkomst wordt uitgegaan. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het vastrecht komt niet voor in de in artikel 4.1 van beide versies van de individuele beheersovereenkomst opgenomen uitputtende specificatie van de bedragen waaruit de beheersvergoeding is opgebouwd. Het is evident dat het vastrecht dat wordt berekend door netwerkbeheerders onder geen van deze gespecificeerde posten valt. Bovendien werd het vastrecht ook vóór 2001 niet voldaan vanuit de beheersvergoeding. Dat in 2001 in de individuele beheersovereenkomst is opgenomen dat het vastrecht niet wordt voldaan vanuit de beheersvergoeding is te wijten aan de omstandigheid dat als gevolg van de liberalisering van de energiemarkt de factuur voor de levering van energie vanaf 2001 gesplitst diende te worden in het bedrag dat de netbeheerder in rekening brengt (vastrecht) en het bedrag dat de energieleverancier in rekening brengt.

4.4

Niet in geschil is dat de tekst van artikel 4.1 van beide versies van de individuele beheersovereenkomst identiek is. Het vastrecht is niet vermeld in de in dat artikel opgenomen specificatie van de bedragen waaruit de beheersvergoeding is opgebouwd. Daaruit kan worden afgeleid dat het vastrecht geen deel uitmaakt van de beheersvergoeding. [appellant] heeft erkend dat al vóór 2001 vastrecht in rekening werd gebracht aan de woningeigenaren. Hij heeft verder niet betwist dat ook zijn ouders steeds vastrecht hebben betaald. Daarom was het voor hem kenbaar, althans had hij dienen te begrijpen, dat hij als woningeigenaar naast de beheersvergoeding ook vastrecht verschuldigd was. Tegen die achtergrond heeft [appellant] zijn stelling dat het vastrecht in de beheersvergoeding was begrepen, onvoldoende onderbouwd met de enkele verwijzing naar artikel 4.3. Derhalve faalt grief I.

4.5

In grief II heeft [appellant] aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen verweer heeft gevoerd tegen de stelling van Tolplas dat hij geen aanspraak kan maken op volledige teruggave van energiebelasting omdat zijn woning niet op een Nederlands distributienet maar op het net van Tolplas is aangesloten. [appellant] heeft gesteld dat hij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd dat juist als er geen aansluiting is op een Nederlands distributienet geen energiebelasting verschuldigd is. [appellant] heeft betwist dat Tolplas energiebelasting heeft moeten betalen en heeft gesteld dat, zelfs indien dat wel het geval zou zijn geweest, die energiebelasting voor rekening van Tolplas dient te komen omdat die uitsluitend betrekking heeft op haar eigen verbruik. Bovendien zou Tolplas de mogelijkheid hebben gehad om restitutie daarvan te krijgen. [appellant] heeft zich in verband hiermee beroepen op een e-mailbericht van een medewerkster van de belastingdienst waarin vermeld is dat voor een situatie waarbij achter één elektriciteitsaansluiting meer dan één onroerende zaak is aangesloten een teruggaafregeling geldt. Verder heeft [appellant] aangevoerd dat op grond van artikel 4.3. van de individuele beheersovereenkomst alleen verbruikskosten door Tolplas aan hem doorberekend mogen worden.

4.6

Niet in geschil is dat aardgas en elektriciteit via de aansluiting van Tolplas geleverd worden aan de recreatiewoningen. Verder begrijpt het hof dat Tolplas niet een verklaring als bedoeld in artikel 16 lid 1 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag heeft overgelegd bij de leverancier van aardgas en elektriciteit, zodat op grond van die bepaling artikel 50 lid 3 van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) niet van toepassing is. Derhalve wordt aan Tolplas op grond van artikel 50 lid 1 Wbm belasting geheven. Dat betekent dat zij belast wordt voor het eigen verbruik en het verbruik van de recreatiewoningen. Dat geen energiebelasting aan Tolplas geheven wordt, althans alleen voor het eigen gebruik, vindt geen steun in artikel 50 Wbm en evenmin in artikel 64 lid 1 Wbm, waarin de vrijstelling van belasting geregeld wordt. De inhoud van het e-mailbericht waarop [appellant] zich beroept is niet duidelijk. Zo is daarin niet vermeld of met “teruggaafregeling” een heffingskorting in de zin van artikel 63 Wbm bedoeld wordt dan wel een volledige restitutie op grond van artikel 64 Wbm. Dat e-mailbericht krijgt daarom geen doorslaggevende betekenis. Uit artikel 55 Wbm blijkt dat de te heffen belasting afhankelijk is van het gebruik. Daarom kan deze in redelijkheid worden geacht te vallen onder de in artikel 4.3. van beide versies van de individuele beheersovereenkomst opgenomen verbruikskosten. Het voorgaande brengt met zich dat [appellant] niet gevolgd kan worden in zijn stelling dat Tolplas ten onrechte energiebelasting aan hem heeft doorberekend. Voor teruggave zoals door [appellant] gevorderd is geen grondslag. Grief II slaagt dan ook niet.

4.7

Grief III is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] licentiekosten verschuldigd is aan Tolplas. [appellant] heeft aangevoerd dat de rechtbank voorbij is gegaan aan het feit dat de parkbewoners niet voor de daadwerkelijk gemaakte kosten betalen maar dat een jaarlijks geïndexeerd forfaitair bedrag aan hen in rekening wordt gebracht voor de centrale antenne-installatie (hierna: CAI). Nu hij niet weet hoe dat forfait tot stand is gekomen, mocht hij verwachten dat daarin alle kosten die met radio en televisie te maken hebben begrepen zouden zijn, zeker gelet op het feit dat een dergelijke licentievergoeding op die signalen niet nieuw is maar sinds het begin van de rechtsverhouding tussen partijen bestond, aldus [appellant].

4.8

Niet in geschil is dat Tolplas in verband met het doorgeven van radio- en televisiesignalen aan de recreatiewoningen al enkele jaren een licentievergoeding betaalt aan de Stichting Videma (hierna: Videma). [appellant] heeft aangevoerd dat Tolplas die vergoeding aan Videma is gaan betalen nadat bij een controle van Videma in 2008 gebleken is dat Tolplas niet over een licentie beschikte om televisiesignalen door te geven. Tolplas heeft naar voren gebracht dat zij vanaf 2009 jaarlijks een licentievergoeding heeft betaald aan Videma. Tolplas heeft aangevoerd, onder verwijzing naar een e-mailbericht van

14 december 2011 dat zij aan alle eigenaren heeft gestuurd, dat de licentievergoeding betrekking heeft op de auteursrechtelijke toestemming die nodig is voor het doorzenden van radio- en televisiesignalen aan de recreatiewoningen en dat de CAI-kosten betrekking hebben op de kosten in verband met het fysieke netwerk dat radio-en televisiesignalen vanuit één punt naar de recreatiewoningen brengt, zodat die kosten los van elkaar staan. Dat laatste blijkt volgens haar ook uit het feit dat die kosten door afzonderlijke instanties worden geïnd.

4.9

Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd met betrekking tot de ingangsdatum van de licentievergoeding, staat vast dat Tolplas niet vanaf het begin van de rechtsverhouding met [appellant] in 2004 maar pas vanaf 2009 jaarlijks een licentievergoeding betaalt aan Videma. Met hetgeen Tolplas heeft aangevoerd over de achtergrond van de licentievergoeding heeft zij de stellingen van [appellant] voldoende gemotiveerd betwist. [appellant] heeft vervolgens nagelaten zijn stelling dat de CAI-kosten andere kosten betreffen dan de licentiekosten nader te onderbouwen, terwijl hij daarvoor overigens geen bewijs heeft aangeboden in hoger beroep. Ook grief III faalt dus.

4.10

Het hof vat de vordering van [appellant], voor zover deze betrekking heeft op de parkeerplaats, op als een vermeerdering van zijn reconventionele vordering in eerste aanleg. Op grond van de appeldagvaarding, met name het daarin opgenomen petitum, heeft Tolplas moeten begrijpen dat [appellant] beoogd heeft de parkeerkwestie in hoger beroep alsnog aan de orde te stellen en heeft zij gelegenheid gehad om bij memorie van antwoord daartegen verweer te voeren. Omstandigheden op grond waarvan de vermeerdering van eis in strijd met de eisen van een goede procesorde moet worden geacht, zijn gesteld noch gebleken. Daarom zal het hof deze eisvermeerdering toestaan.

4.11

[appellant] heeft verwezen naar de brief van 4 september 2013 van de heer [A.] en heeft zich erover beklaagd dat Tolplas voornemens is de parkeerplaats weer aan te leggen. [appellant] heeft gesteld dat dat laatste onrechtmatig zou zijn, dat zij misbruik maakt van haar bevoegdheid en dat Tolplas daarmee, gelet op haar eerdere onvoorwaardelijke toezegging dat zij de parkeerplaats zou verwijderen, toerekenbaar tekort zou schieten in de naleving van de afspraak dat als er te veel overlast zou ontstaan de parkeerplaats verwijderd zou worden. Dat punt is volgens [appellant] bereikt en de parkeerplaats is verwijderd. Uiteraard houdt die afspraak, aldus [appellant], op basis van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid ook in dat de parkeerplaats niet opnieuw wordt aangelegd.

4.12

Tolplas heeft aangevoerd dat die parkeerplaats weer zal worden aangelegd omdat [appellant] zich thans niet meer houdt aan de aan de verwijdering daarvan gestelde voorwaarde dat [appellant] alle overige kwesties die thans voorwerp van geschil zijn in deze procedure, definitief zou laten rusten.

4.13

Uit de stellingen van partijen kan worden afgeleid dat zij bepaalde afspraken met elkaar hebben gemaakt met betrekking tot de verwijdering van de parkeerplaats. [appellant] heeft echter niet duidelijk gemaakt wat de precieze inhoud van die afspraken is. Ook heeft hij niet toegelicht wat onder “te veel overlast” verstaan dient te worden en of thans daarvan sprake is. Dat had wel op zijn weg gelegen omdat hij zich op die afspraken beroept. Hiermee heeft hij zijn beroep op wanprestatie, misbruik van omstandigheden, onrechtmatige daad dan wel de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Het gevorderde met betrekking tot de parkeerplaats zal daarom worden afgewezen.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Het gevorderde met betrekking tot de parkeerplaats zal worden afgewezen.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Tolplas zullen worden vastgesteld op € 1.315, zijnde het totaalbedrag van het door haar betaalde griffierecht van € 683,- en € 632,- ter zake salaris van haar advocaat, vastgesteld overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt van tarief I). Zoals gevorderd verklaart het hof deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Almelo van 18 juni 2013;

wijst het in hoger beroep meer gevorderde af;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Tolplas vastgesteld op € 1.315;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, C.J.H.G. Bronzwaer en S.B. Boorsma en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2014.