Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3898

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
200.125.062
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Tussentijds appel. Beroep van verzekeraar op gewijzigde arbeidsongeschikthiedspolis niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Rol assurantietussenpersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 4, p. 213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.125.062

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 322401)

arrest van de eerste kamer van 13 mei 2014

inzake

de naamloze vennootschap

N.V. Amersfoortse Algemene Verzekering Maatschappij,

gevestigd te Amersfoort,

appellante,

advocaat: mr. B. Holthuis,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde,

advocaat: mr. B.G. Baljet.

Partijen zullen hierna De Amersfoortse en [geïntimeerde] genoemd worden.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de tussen [geïntimeerde] als eiser en De Amersfoortse als gedaagde gewezen vonnissen van de rechtbank Utrecht respectievelijk rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 juni 2012 en 9 januari 2013. In het vonnis van 9 januari 2013 heeft de rechtbank bepaald dat van dat vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat eindvonnis is gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep d.d. 4 april 2013;

  • -

    de memorie van grieven, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Voor de vaststaande feiten verwijst het hof naar de feiten zoals deze door de rechtbank in het bestreden vonnis van 9 januari 2013 zijn vastgesteld onder 2.1 tot en met 2.14. Ook het hof gaat, met uitzondering van de vaststelling onder 2.9 dat [persoon 1] arbeidsdeskundige bij De Amersfoortse is, van deze feiten uit.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het tussenvonnis van 20 juni 2012 betreft (uitsluitend) een beslissing zoals bedoeld in artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Tegen deze beslissing staat geen hogere voorziening open, zodat De Amersfoortse in zover niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep.

4.2

Het gaat in deze zaak, zakelijk samengevat, om het volgende. [geïntimeerde] is zelfstandig ondernemer en heeft een eigen loodgietersbedrijf. Met ingang van 1 januari 1997 heeft [geïntimeerde] een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij De Amersfoortse, met als verzekerd beroep loodgieter in gevarenklasse 4. Sinds 2003 heeft [geïntimeerde] last van rugklachten. Vanaf januari/februari 2005 tot en met april 2007 heeft [geïntimeerde] met tussenpozen wisselende uitkeringen op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen. Per juli 2007 is de polis van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gewijzigd. Op de op 31 juli 2007 afgegeven polis staat als beroep van [geïntimeerde] vermeld: installateur, max. 12 uur meewerkend, en is [geïntimeerde] ingedeeld in gevarenklasse 3. Sindsdien heeft [geïntimeerde] tot januari 2011 met tussenpozen wisselende uitkeringen op grond van de (gewijzigde) arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen. Vanaf januari 2011 tot juni 2011 is de uitkering geleidelijk verlaagd en vanaf juni 2011 heeft De Amersfoortse geen uitkering meer aan [geïntimeerde] gedaan. Daartoe stelt De Amersfoortse zich op het standpunt dat de arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] op grond van de (gewijzigde) polis minder dan 25% bedraagt en dat hij daarom geen recht meer heeft op een uitkering. [geïntimeerde] heeft – zakelijk samengevat – gevorderd dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering vanaf januari 2011 wordt doorbetaald zoals hij die tot januari 2011 heeft ontvangen en dat De Amersfoortse wordt veroordeeld tot premierestitutie, een en ander vermeerderd met rente en met veroordeling van De Amersfoortse in de door [geïntimeerde] gemaakte buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

4.3

Bij het bestreden vonnis van 9 januari 2013 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het op de weg van De Amersfoortse had gelegen om [geïntimeerde] te informeren over de mogelijk zeer nadelige gevolgen van de poliswijziging en heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op de omstandigheden, het beroep van De Amersfoortse op de poliswijziging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daartegen richt zich het hoger beroep.

4.4

De vorderingen van [geïntimeerde] zijn er - voor zover in dit tussentijds hoger beroep van belang - op gebaseerd dat hij niet aan de gewijzigde polis is gebonden maar dat de vóór juli 2007 geldende polis nog altijd tussen partijen van kracht is. Daartoe heeft hij zich allereerst op het standpunt gesteld dat de wijziging zonder zijn toestemming en tegen zijn wil heeft plaatsgevonden, met andere woorden: dat de gewijzigde polis niet berust op wilsovereenstemming tussen partijen. Deze stelling mist doel. Vast staat dat [geïntimeerde] aanvankelijk bij De Amersfoortse was verzekerd voor arbeidsongeschiktheid voor 40 uur per week handarbeid als loodgieter. Op het mede door [geïntimeerde] ondertekende aanvraagformulier van 11 juli 2007 staat ingevuld dat het beroep van [geïntimeerde] installateur is, dat de dagelijkse werkzaamheden bestaan uit het installeren van leidingwerk (licht) en dat de arbeid, in uren per week, 16 uur leidinggevend, 4 uur commercieel en 12 uur handarbeid betreft. Gelet op de al bestaande arbeidsongeschiktheidsverzekering tussen partijen, kan deze aanvraag bezwaarlijk anders dan als een wijzigingsaanvraag worden aangemerkt. Tussen partijen is in geschil wie de hiervoor genoemde gegevens op het formulier heeft ingevuld, maar vast staat dat deze gegevens waren ingevuld voordat [geïntimeerde] het formulier ondertekende. Met de ondertekening van het formulier heeft [geïntimeerde] er blijk van gegeven zich met de inhoud daarvan te verenigen en door de aanvraag in te sturen heeft hij een verzoek tot wijziging van de arbeidsongeschiktheidsverzekering gedaan. De Amersfoortse heeft dit ook zo mogen opvatten. Op het ontbreken van een met deze verklaringen overeenstemmende wil kan door [geïntimeerde] in beginsel dan ook geen beroep worden gedaan (artikel 3:35 BW). De Amersfoortse heeft de aanvraag geaccepteerd. Niet valt in te zien waar de gewijzigde polis duidelijkheid zou missen, zodat reeds om die reden het beroep van [geïntimeerde] op artikel 6:238 lid 2 BW faalt. Een geslaagd beroep op artikel 6:238 lid 2 BW heeft bovendien niet tot gevolg dat een (onduidelijk) beding geen gelding heeft maar slechts dat bij twijfel over de betekenis de voor de wederpartij van de gebruiker meest gunstige uitleg prevaleert. Het hof ziet niet in hoe de gewijzigde polis kan worden uitgelegd in de door [geïntimeerde] voorgestane zin, namelijk dat geen wijziging zou hebben plaatsgevonden. Daarmee staat in beginsel vast dat tussen partijen een gewijzigde arbeidsongeschiktheidsverzekering tot stand is gekomen overeenkomstig de op 31 juli 2007 afgegeven polis.

4.5

Het hof begrijpt voorts de stellingen van [geïntimeerde], waaronder zijn beroep op (oneigenlijke) dwaling, aldus dat hij zich op het standpunt stelt dat De Amersfoortse hem onder de gegeven omstandigheden toch niet aan zijn verklaringen en de naar aanleiding daarvan gewijzigde polis mag houden, omdat De Amersfoortse oneigenlijk druk op hem heeft uitgeoefend en De Amersfoortse hem niet over de gevolgen van de wijziging van de polis heeft geïnformeerd waardoor hij zich van die gevolgen niet bewust is geweest. Ook deze stellingen missen doel. In zijn algemeenheid geldt niet dat De Amersfoortse alleen een beroep kan doen op gerechtvaardigd vertrouwen dat de verklaringen van [geïntimeerde] overeenstemden met zijn wil indien [geïntimeerde] door De Amersfoortse omtrent de aan de wijziging verbonden gevolgen is voorgelicht of zich daarvan anderszins bewust was. Ook de concrete omstandigheden van het geval geven voor een dergelijk oordeel geen aanleiding. Van ongeoorloofde druk door De Amersfoortse is evenmin gebleken. Daartoe overweegt het hof het volgende.

4.6

Vast staat dat [geïntimeerde] al lange tijd last had van rugklachten en in verband daarmee over langere perioden aanspraak heeft gemaakt op uitkeringen uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het stond De Amersfoortse vrij om in verband daarmee met [geïntimeerde] te overleggen over aanpassing van de invulling van zijn werkzaamheden en van de wijze van uitoefening van zijn bedrijf teneinde de rugklachten zo veel mogelijk te verminderen of zo min mogelijk te laten toenemen en daarmee de kans op voortdurende, terugkerende of verergerende arbeidsongeschiktheid zo klein mogelijk te maken.

4.7

Op het meldingsformulier (productie 3 bij conclusie van antwoord) waarmee [geïntimeerde] zich op of omstreeks 6 september 2006 arbeidsongeschikt meldde, gaf [geïntimeerde] aan dat zijn arbeid bestond uit 10 uur leidinggevend, 30 uur meewerkend en 5 uur administratief. Uit een controlerapport van [arts] (arts, Mediwork B.V.) van 10 oktober 2006 (onderdeel van productie 11 bij dagvaarding in eerste aanleg) volgt dat toen reeds is geadviseerd om een onderzoek te doen naar het lange termijn perspectief gezien de aard van het werk in combinatie met de klachten. In een rapport van 2 januari 2007 (onderdeel van productie 11 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft dezelfde arts ([arts]) gerapporteerd dat sprake lijkt te zijn van structurele beperkingen ten aanzien van de zware werkzaamheden, dat [geïntimeerde] wel een alternatief heeft en dat hij enige maanden nodig heeft om dat te realiseren. Uit het in zoverre niet althans onvoldoende gemotiveerd betwiste arbeidsdeskundig rapport van [deskundige] van 18 december 2006 (productie 12 bij dagvaarding in eerste aanleg) volgt dat op 14 december 2006 een gesprek met [geïntimeerde] heeft plaatsgevonden waarin de toekomstvisie van [geïntimeerde] aan de orde is gekomen. In dat gesprek heeft [geïntimeerde] onder meer aangegeven dat hij op dat moment alleen lichte werkzaamheden uitvoert, dat hij al enige maanden bezig is met de omschakeling van zijn bedrijf en dat hij zijn werkzaamheden wil veranderen van fysiek belastend (volledig meewerkend) naar een rol waarin hij niet meer ambachtelijk meewerkend is. Dit is lijn met hetgeen reeds eerder door [arts] werd gerapporteerd. In het rapport van [deskundige] is voorts vermeld dat als [geïntimeerde] omschakelt en zich helemaal/grotendeels aan ambachtelijk werk onttrekt dan misschien de gevarenklasse en premie moeten worden aangepast. In dat verband heeft De Amersfoortse [geïntimeerde] er bij brieven van 18 januari 2007 en 5 juli 2007 aan zijn assurantietussenpersoon (onderdeel van productie 26 bij dagvaarding in eerste aanleg) op gewezen dat hij in verband met de (beoogde) aanpassing van zijn werkzaamheden de polis zou kunnen wijzigen naar een andere gevarenklasse, wat invloed heeft op de premie. In dat geval zou De Amersfoortse graag het bijgevoegde aanvraagformulier ingevuld retour ontvangen. Uit de brief van 5 juli 2007 volgt dat aan de hand van het ingevulde formulier een juiste beroepsomschrijving op de polis zou worden geplaatst en een juiste beoordeling van de risicoklasse zou worden gemaakt.

4.8

De brieven van 18 januari 2007 en 5 juli 2007 zijn, anders dan [geïntimeerde] stelt, niet van dien aard dat met recht gezegd kan worden dat De Amersfoortse de poliswijziging “er door heeft gedrukt”. [geïntimeerde] heeft, mede in het licht van de omstandigheid dat het formulier mede is ondertekend door de assurantietussenpersoon en gelet op zijn verklaring ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg, niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat De Amersfoortse het daartoe strekkende aanvraagformulier via zijn assurantietussenpersoon aan [geïntimeerde] heeft verzonden en dat [geïntimeerde] door deze assurantietussenpersoon is bijgestaan. Dat de tussenpersoon zijn werkzaamheden niet juist zou hebben uitgevoerd, zoals uit de stellingen van [geïntimeerde] zou kunnen worden afgeleid, kan De Amersfoortse niet worden tegengeworpen. Van een overhaaste beslissing van [geïntimeerde] tot wijziging van de polis waarvoor De Amersfoortse [geïntimeerde] had moeten waarschuwen, was geen sprake en ook overigens valt niet in te zien waarom De Amersfoortse de dekking niet mocht aanpassen aan de inmiddels ontstane feitelijke situatie, met (aanzienlijke) premieverlaging (zelfs met terugwerkende kracht vanaf april 2007) voor [geïntimeerde] als gevolg. Dat geldt ook indien, zoals [geïntimeerde] heeft gesteld (maar De Amersfoortse heeft betwist) er van de zijde van De Amersfoortse bij [geïntimeerde] op aangedrongen zou zijn om zijn werkzaamheden structureel anders in te richten en het initiatief daartoe (dus) bij De Amersfoortse zou hebben gelegen. Dat is op zichzelf niet ongeoorloofd of onredelijk. [geïntimeerde] heeft een half jaar de tijd gehad om zich op een eventuele poliswijziging te bezinnen. [geïntimeerde] had in december 2006 aangegeven al geruime tijd bezig te zijn met de omschakeling van zijn bedrijf en een andere invulling van zijn werkzaamheden en [geïntimeerde] heeft vervolgens met de ondertekening van het formulier aangegeven zijn werkzaamheden inderdaad te hebben aangepast. Blijkens de dagvaarding in eerste aanleg onder 7.9 heeft [geïntimeerde] het formulier ondertekend omdat hij er op dat moment daadwerkelijk in was geslaagd om meer opdrachten binnen te halen en daardoor meer mensen voor zich kon laten werken (en, naar het hof begrijpt, hij dus zelf minder handarbeid hoefde te verrichten). [geïntimeerde] was er dus kennelijk in geslaagd zijn bedrijfsvoering en werkzaamheden aan te passen.

4.9

De enkele omstandigheid dat er wellicht een kans bestond dat de aard van de door [geïntimeerde] te verrichten werkzaamheden in de toekomst weer zou veranderen, behoefde De Amersfoortse er niet van te weerhouden om het verzekerde risico te laten aansluiten op de feitelijke werkzaamheden zoals [geïntimeerde] die zelf aangaf te verrichten en er was ook geen verplichting voor De Amersfoortse om [geïntimeerde] te waarschuwen voor de gevolgen van de wijziging van de polis voor het geval het (bedrijfs)economisch slechter zou gaan. Dat die mogelijkheid redelijkerwijs te verwachten viel, is onvoldoende gesteld of gebleken. Op het moment van de wijziging van de polis was de economische crisis nog niet actueel en waren er ook geen andere aanwijzingen dat de omschakeling van het bedrijf en de andere invulling van de werkzaamheden van [geïntimeerde] niet voldoende bestendig zouden zijn. Daarbij weegt mee dat [geïntimeerde] werd bijgestaan door een assurantietussenpersoon en dat de aanvraag zelfs mede door zijn assurantietussenpersoon is ondertekend. Voor zover er geen voldoende aanwijzingen voor het tegendeel zijn, mag de verzekeraar aannemen dat de tussenpersoon erop toeziet dat de verzekeringnemer de door hem gewenste verzekeringsdekking krijgt en houdt door met het oog daarop het vereiste onderzoek naar de omstandigheden bij de verzekeringnemer te doen, de verzekeraar van de relevante omstandigheden in kennis te stellen en de van de verzekeraar verkregen (en aan de verzekeraar door zijn tussenkomst of met zijn medeweten te verstrekken) informatie op juistheid te controleren (vergelijk onder andere conclusie A-G Wuisman voor HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0170, onder 2.8.1). Dat [geïntimeerde], met name als gevolg van het verslechterde economische klimaat, niet in staat zou blijken om zelf minder handarbeid te blijven verrichten, is een later opgetreden (onzekere) omstandigheid die niet voor rekening of risico van De Amersfoortse komt of waarvoor De Amersfoortse [geïntimeerde] had moeten waarschuwen.

4.10

Voormelde omstandigheden en gang van zaken rond de poliswijziging rechtvaardigen niet de conclusie dat De Amersfoortse geen beroep zou kunnen doen op de gewijzigde polis of dat een beroep van de De Amersfoortse op de gewijzigde polis naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De tegen het andersluidende oordeel van de rechtbank gerichte grieven slagen en de grieven behoeven voor het overige geen bespreking meer. Door partijen zijn geen feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot andere conclusies aanleiding zouden kunnen geven. De bewijsaanbiedingen worden daarom gepasseerd.

4.11

Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat het bestreden vonnis van 9 januari 2013 dient te worden vernietigd. Voor zover [geïntimeerde] zijn vorderingen erop heeft gebaseerd dat De Amersfoortse zich niet kan beroepen op de poliswijzing van juli 2007, zullen deze moeten worden afgewezen. Voor zover [geïntimeerde] zijn vorderingen er mede op heeft gebaseerd dat De Amersfoortse zijn beperkingen niet juist heeft vastgesteld, heeft de rechtbank nog geen beslissing genomen. Daarin ziet het hof aanleiding de zaak terug te wijzen naar de rechtbank zodat de rechtbank, met inachtneming van hetgeen bij dit arrest is overwogen, de zaak verder kan beslissen.

4.12

Het hof ziet aanleiding de kosten van dit tussentijdse hoger beroep te reserveren totdat in de procedure in eerste aanleg eindvonnis zal worden gewezen, zodat bij dat eindvonnis kan worden beslist welke partij als de uiteindelijk in het ongelijk gestelde partij deze kosten dient te dragen. De kosten aan de zijde van De Amersfoortse worden tot op heden begroot op € 683,- aan griffierechten, € 92,82 aan explootkosten en € 2.682,- aan salaris voor de advocaat volgens het liquidatietarief (3 punten, tarief II). De kosten aan de zijde van [geïntimeerde] worden tot op heden begroot op € 299, - aan griffierechten en € 2.682,- aan salaris voor de advocaat volgens het liquidatietarief (3 punten, tarief II).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart De Amersfoortse niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Utrecht van 20 juni 2012;

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 januari 2013;

wijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, teneinde, met inachtneming van hetgeen bij dit arrest is overwogen en beslist, de zaak verder af te doen;

reserveert de kosten van dit tussentijdse hoger beroep totdat in de procedure in eerste aanleg eindvonnis zal worden gewezen.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, Ch.E. Bethlem en A.E. Veerman en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2014.