Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:376

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
200.137.582-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Loonvordering in kort geding na arbeidsconflict waarbij werknemer als sanctie naar een andere functie is overgeplaatst. Na mediation wil werknemer weg hetgeen in getekende vaststellingsovereenkomst wordt vastgelegd. Is de nadere uitwerking van deze vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig zonder handtekening werknemer?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 35
Burgerlijk Wetboek Boek 3 61
Burgerlijk Wetboek Boek 3 66
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 400
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/72
JAR 2014/68 met annotatie van mr. R.L. van Heusden
AR-Updates.nl 2014-0075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.137.582/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 2450400 VV EXPL 13-139)

arrest in kort geding van de eerste kamer van 21 januari 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. B. van Dijk, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.M. Kuijken, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 5 november 2013 van de kantonrechter, optredend als voorzieningenrechter in de rechtbank
Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Groningen, verder aan te duiden als de kantonrechter.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 18 november 2013 (met grieven en producties);

- de memorie van antwoord d.d. 10 december 2013 (met producties);

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, kamer voor kantonzaken, locatie Groningen, gewezen op 5 november 2013 onder rolnummer 2450400 VV EXPL 13-139 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende het gevorderde in 1e aanleg toe te wijzen en geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding in beide instanties."

3 Ten aanzien van de feiten

3.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 1 (1.1 tot en met 1.27) van genoemd vonnis is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Wel klaagt [appellant] erover dat de kantonrechter niet alle feiten genoemd in de inleidende dagvaarding in het vonnis heeft overgenomen (grief 5.1). Deze grief is evenwel tevergeefs voorgedragen. Er is geen rechtsregel die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt.

3.2

Het hof zal dan ook uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan. Het hof zal die feiten hierna weergeven.

3.3

[appellant] is op 17 juli 2006 in dienst getreden bij [geïntimeerde], alwaar hij begin 2013 werkzaam was als Eerste Medewerker.

3.4

Op 25 februari 2013 en 23 april 2013 wordt [appellant] door zijn leidinggevenden aangesproken op de pauzes die hij neemt; dit is voor [geïntimeerde] aanleiding om hem uit zijn functie van Eerste Medewerker te halen en hem op 24 april 2013 een andere werkplek, op de krattenwasserij aan te wijzen.

3.5

Op 26 april 2013 heeft [appellant] zich ziek gemeld.

3.6

De bedrijfsarts heeft op 1 mei 2013 geoordeeld dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek. Wel is sprake van een arbeidsconflict. De bedrijfsarts heeft geadviseerd een derde, onafhankelijke en deskundige, partij in te schakelen die zou kunnen bemiddelen.

3.7

In overleg met de bedrijfsarts heeft [geïntimeerde] een onafhankelijke derde bereid gevonden om te bemiddelen. Op 15 mei 2013 heeft er in dat kader een gesprek tussen partijen plaatsgevonden.

3.8

Op 16 mei 2013 is [appellant] onder protest aan het werk gegaan op de krattenwasserij.

3.9

[appellant] heeft zich op 24 mei 2013 opnieuw ziek gemeld.

3.10

De bedrijfsarts heeft op 28 mei 2013 wederom geoordeeld dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek, en geadviseerd de reeds ingezette stappen om te komen tot een passende oplossing voort te zetten.

3.11

Op 31 mei 2013 hebben partijen elkaar gesproken. [appellant] heeft tijdens dat gesprek aangekondigd dat hij een second opinion gaat aanvragen bij UWV.

3.12

Bij brief van 4 juni 2013 heeft mr. S. Borger, juridisch medewerker bij de CNV Dienstenbond (hierna: mr. Borger), [geïntimeerde] gemeld dat hij [appellant] bijstaat.

3.13

Het UWV heeft bij brief van 17 juni 2013 geoordeeld dat [appellant] op 29 mei 2013 zijn eigen werk wèl kon doen.

3.14

Op 19 juni 2013 hebben partijen elkaar weer gesproken. [geïntimeerde] biedt aan dat [appellant] desgewenst ook op een andere afdeling mag werken (maar niet als Eerste Medewerker) waarna [appellant] op 24 juni 2013 weer aan het werk is gegaan. [appellant] heeft zich op 25 juni 2013 wederom ziek gemeld.

3.15

De bedrijfsarts heeft op 2 juli 2013 opnieuw geoordeeld dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek.

3.16

Bij brief van 2 juli 2013 heeft mr. Borger voorgesteld een onafhankelijk mediator in te schakelen. [geïntimeerde] is met de door mr. Borger voorgestelde mediator akkoord gegaan (Adviesbureau Kans te Hoofddorp).

3.17

Op 17 juli 2013 heeft het eerste mediationgesprek plaatsgevonden, op 23 juli 2013 het tweede. Naar aanleiding van het tweede mediationgesprek is op 24 en 25 juli 2013 tussen partijen gemaild. Deze mailwisseling heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst.

3.18

Deze vaststellingsovereenkomst is op 25 juli 2013 door partijen van een handtekening voorzien. In deze overeenkomst is onder meer opgenomen dat [appellant] een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] wil op neutrale gronden, zodat hij recht heeft op WW. Verder is in deze overeenkomst opgenomen dat het belangrijk is dat partijen zich goed weten bijgestaan door een jurist, teneinde een en ander formeel goed te regelen, en dat [appellant] zich in dat kader zal wenden tot het CNV.

3.19

[geïntimeerde] heeft vervolgens een nadere vaststellingsovereenkomst opgesteld en deze via e-mail op 25 juli 2013 voorgelegd aan mr. R. Wiche van CNV Dienstenbond (hierna: Wiche), de vervanger van mr. Borger tijdens diens vakantie. In deze overeenkomst is onder meer opgenomen dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt per 1 oktober 2013 en dat [appellant] tot die datum is vrijgesteld van werk met behoud van salaris en overige emolumenten.

3.20

Bij e-mailbericht van 26 juli 2013 heeft mr. Wiche, na overleg met [appellant], [geïntimeerde] verzocht de vaststellingsovereenkomst op twee punten te wijzigen en daarin op te nemen “werknemer kan ten aanzien van de reden van de beëindiging van het dienstverband geen verwijt worden gemaakt” en “werkgever heeft het initiatief genomen tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst”. [geïntimeerde] is met de toevoeging van deze twee zinnen akkoord gegaan.

3.21

Mr. Wiche heeft [geïntimeerde] bij e-mailbericht van 1 augustus 2013 laten weten dat [appellant] voorlopig niet tot ondertekening zal overgaan. Nu het niet is gelukt om de overeenkomst in juli 2013 te ondertekenen dient de datum van uitdiensttreding volgens [appellant] met een maand te worden opgeschoven, aldus Wiche. Verder wil [appellant] even tijd om na te denken over een eventuele ontslagvergoeding. Verzocht is daarom om te wachten totdat mr. Borger op 12 augustus 2013 weer terug is van vakantie.

3.22

Bij e-mailbericht van 12 augustus 2013 heeft mr. Borger [geïntimeerde] verzocht in de overeenkomst nog op te nemen “er is gezocht of er voor werknemer binnen de organisatie van werkgever een andere passende functie aanwezig was, maar dit bleek niet het geval te zijn”.

3.23

Mr. Borger heeft op 13 augustus 2013 een e-mailbericht aan [geïntimeerde] verzonden waarin onder meer is opgenomen:

“Namens de heer [appellant] bericht ik u dat hij akkoord gaat met de vaststellingsovereenkomst. Ik verzoek u de wijziging daarin op te nemen en mij deze op dit punt gewijzigde overeenkomst toe te zenden. De datum van overeenstemming kan op 25 juli 2013 worden gehandhaafd.”

3.24

[geïntimeerde] heeft kort daarop de in 3.22 genoemde zinsnede in de vaststellingsovereenkomst opgenomen en deze aan [appellant] verzonden. Deze overeenkomst zal het hof hier verder aanduiden als de (nadere) beëindigingsovereenkomst, ter onderscheiding van de vaststellingsovereenkomst na mediation van 25 juli 2013.

3.25

Bij brief van 26 augustus 2013 heeft de huidige advocaat van [appellant] namens [appellant] aan [geïntimeerde] meegedeeld dat hij niet akkoord gaat met de aan hem voorgelegde beëindigingsovereenkomst en dat er nader overleg moet plaatsvinden over de wijze waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen tot een einde zou kunnen komen.

3.26

[geïntimeerde] heeft [appellant] bij e-mailbericht van 26 augustus 2013 meegedeeld dat er tussen partijen een vaststellingsovereenkomst is gesloten en dat [appellant] daaraan wordt gehouden.

3.27

[geïntimeerde] heeft de loonbetaling aan [appellant] per 1 oktober 2013 stopgezet en heeft een eindafrekening aan [appellant] gezonden.

3.28

[appellant] heeft mr. Borger c.q. CNV Dienstenbond aansprakelijk gesteld. De procedure dienaangaande is door de rechtbank Noord-Nederland verwezen naar de rechtbank Noord-Holland.

4 De beslissingen in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg doorbetaling van loon c.a. door [geïntimeerde] na 1 oktober 2013 gevorderd. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, daarbij overwegende dat naar zijn voorlopig oordeel met het onder 3.23 geciteerde e-mailbericht van mr. Borger de onderhandelingen geëindigd waren en [geïntimeerde] uit dat emailbericht had mogen en kunnen concluderen dat er met wederzijdse instemming per 1 oktober 2013 een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Dat [appellant] heeft geweigerd zijn handtekening onder de beëindigingsovereenkomst te plaatsen, doet daaraan volgens de kantonrechter niet af. Dat [appellant] ten tijde van het ondertekening van de vaststellingsovereenkomst ziek was, acht de kantonrechter niet aangetoond, nog daargelaten of een vaststellingsovereenkomst niet met een zieke werknemer kan worden gesloten.

4.2

Evenmin is er sprake van ongeoorloofde druk. Indien [appellant] het niet eens is met de handelwijze van mr. Borger, dan dient hij zich volgens de kantonrechter tot mr. Borger te wenden. [geïntimeerde] mocht echter afgaan op de verklaring die mr. Borger namens [appellant] op 13 augustus 2013 heeft verzonden.

5 De beoordeling van de grieven

5.1

Aangezien [appellant] daarop niet heeft kunnen reageren, zal het hof de door [geïntimeerde] bij de memorie van antwoord overgelegde producties buiten beschouwing laten. Uit het vervolg zal blijken dat [geïntimeerde] daardoor niet in haar belangen wordt geschaad.

5.2

De grieven 5.2 tot en met 5.11 strekken ertoe dat het hof de vordering in volle omvang opnieuw beoordeelt. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.3

Het hof stelt voorop dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in een veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is en dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden moeten worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten onderzoeken of de vordering van de eisende partij voldoende aannemelijk is, maar ook - kort gezegd - of een spoedeisend belang bestaat, terwijl hij bij de afweging van de belangen van de partijen mede (als één van de voor toewijsbaarheid in aanmerking te nemen factoren) het restitutierisico zal hebben te betrekken.

5.4

Het hof zal eerst de aannemelijkheid van de vordering bespreken.

5.5

[appellant] stelt dat hij recht heeft op doorbetaling van loon omdat hij nog steeds in dienst van [geïntimeerde] is, hij ziek is en [geïntimeerde] gedurende ziekte gehouden is het loon door te betalen. Een geldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst is volgens [appellant] niet tot stand gekomen.

5.6

Het hof overweegt dat, anders dan [appellant] stelt, er niet van mag worden uitgegaan dat hij vanaf 25 juni 2013 doorlopend ziek is geweest. De bedrijfsarts heeft [appellant] op 2 juli 2013 niet arbeidsongeschikt bevonden. Een verklaring van het UWV is door [appellant] niet overgelegd, terwijl de eerdere op 17 juni 2013 afgegeven verklaring van het UWV zijn standpunt omtrent een eerdere ziekmelding niet steunde. De als productie 15 zijdens [appellant] overgelegde verklaring van dhr. R. R. Sital, psychiater bij Welnis/Lentis d.d. 31 oktober 2013 moet met de nodige omzichtigheid worden beoordeeld (vgl. ook HR 20 december 2013 ECLI:NL:HR:2013:2128), ook al omdat deze niets zegt over de toestand van [appellant] in juni/juli 2013.

5.7

Voor zover in het betoog van [appellant] besloten ligt dat hij geestelijk in de war was, ook tijdens de mediation en dat de vaststellingsovereenkomst onder invloed van deze stoornis tot stand is gekomen en niet overeenkomt met zijn werkelijke wil en dat hij daaraan niet gebonden is, verwerpt het hof dat betoog. Het hof merkt daarbij in de eerste plaats op dat [appellant] nergens met zoveel woorden stelt dat de conclusie dat hij niet meer bij [geïntimeerde] wilde werken, niet juist zou zijn. Klaarblijkelijk ziet de gebrekkige wilsovereenstemming er op dat [appellant] meer waarborgen wenste dat hij in aanmerking zou komen voor een WW-uitkering alsmede dat hij thans kennelijk een ontslagvergoeding wil ontvangen.

5.8

Dat [appellant] onder invloed van een geestelijke stoornis de vaststellingsovereenkomst heeft getekend, blijkt voorshands onvoldoende. De verklaring van [dokter] is daarvoor bepaald ontoereikend. In wezen staat daarin niet meer dan dat [appellant] met depressieve klachten, waarschijnlijk op basis van persoonlijkheidsproblematiek ontstaan na een arbeidsconflict, naar Lentis is verwezen en daar op 16 december 2013 een intakegesprek zal hebben.

Bovendien moet voorshands worden aangenomen dat [geïntimeerde] een beroep op artikel 3:35 BW toekomt ten aanzien van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst.

5.9

Deze vaststellingovereenkomst vereiste enige nadere uitwerking van de modaliteiten van daarin opgenomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Die uitwerking heeft plaatsgevonden tussen mevrouw Onderdijk van [geïntimeerde] en mr. Borger, die namens [appellant] optrad. Mr. Borger heeft in de email van 13 augustus 2013 aangegeven dat [appellant] akkoord gaat met de voorgelegde vaststellingsovereenkomst. De voorafgaand aan deze mail door mr. Borger voorgestelde tekstuele wijzigingen zijn door [geïntimeerde] geaccordeerd.

Het hof is voorshands van oordeel dat [geïntimeerde] op deze mail van de bevoegde vertegenwoordiger/rechtshulpverlener van [appellant] mocht afgaan en dat [appellant] daaraan gebonden is, hetzij op grond van artikel 3:66 BW indien mr. Borger binnen zijn bevoegdheid is gebleven, hetzij op grond van artikel 3:61 BW, tweede lid, indien – gelijk [appellant] stelt – mr. Borger de grens van de hem verleende bevoegdheid heeft overschreden. Mr. Borger is namens [appellant] met de inhoud van de (gewijzigde) beëindigingsovereenkomst, inclusief de gehandhaafde datering van 25 juli 2013, akkoord gegaan. Deze overeenkomst staat er aan in de weg dat [appellant] met recht aanspraak maakt op loonbetaling na oktober 2013.

5.10

De beëindigingsovereenkomst zoals geaccordeerd op 13 augustus 2013 is een nadere uitwerking van de vaststellingsovereenkomst van 25 juli 2013 en wijkt daarvan niet op essentiële punten af, zodat handhaving van de datum van de vaststellingsovereenkomst niet als valsheid in geschrift of anderszins onbetamelijk kan worden aangemerkt.

5.11

Ook het beroep op misbruik van omstandigheden treft geen doel. Dat [geïntimeerde] enige druk op de juristen van het CNV heeft uitgeoefend teneinde de beëindigingsovereenkomst met voortvarendheid op papier te zetten, maakt nog niet dat dit gekwalificeerd mag worden als misbruik van omstandigheden. Ook als waar zou zijn dat
mr. Borger vervolgens druk op [appellant] heeft uitgeoefend om akkoord te gaan, levert dat nog steeds geen misbruik van omstandigheden op. Daarvan zou eerst sprake kunnen zijn indien [geïntimeerde] zou hebben geweten dat mr. Borger [appellant] op een onoorbare wijze onder druk zou hebben gezet, doch dat is niet gesteld. Uit het dossier blijkt ook niet dat mr. Borger onoorbare druk op [appellant] heeft uitgeoefend.

5.12

Het beroep op dwaling is geen beter lot beschoren. Dat [appellant], naar hij stelt, niet wist dat mr. Borger namens hem akkoord was gegaan met de beëindigingsovereenkomst dan wel dat [appellant] niet wist dat de instemming van mr. Borger ook hem bond, komt voor zijn rekening en niet voor die van [geïntimeerde].

5.13

Ook de kans dat in een bodemprocedure de rechter zal oordelen dat [geïntimeerde] in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door vast te houden aan de beëindigingsovereenkomst, wordt door het hof voorshands niet hoog ingeschat. Dat [geïntimeerde] het risico van een zieke werknemer welbewust op [appellant] en/of het UWV heeft willen afwentelen, blijkt niet uit het overgelegde dossier. Het is juist [appellant] die uiteindelijk de voorkeur heeft gegeven aan het beëindigen van de arbeidsrelatie met [geïntimeerde] boven het daar werkzaam blijven in een andere functie dan die van Eerste Medewerker, nadat zijn eerdere ziekmeldingen ook door het UWV niet terecht waren bevonden.

5.14

De conclusie is dat het hof de aannemelijkheid van de vordering als niet groot beoordeelt. Daar komt nog bij dat [geïntimeerde] terecht vraagtekens heeft geplaatst bij de spoedeisendheid van de vordering. [appellant] heeft zijn vordering ingesteld omdat hij bang was dat het UWV hem een WW-uitkering zou weigeren na 1 oktober 2013. Of die vrees bewaarheid is geworden, blijkt evenwel niet uit het dossier, zodat niet vaststaat dat [appellant] op dit moment feitelijk geen bron van inkomsten heeft en uit dien hoofde een voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.

De slotsom

5.15

Nu zowel de aannemelijkheid van de vordering als het spoedeisend belang onvoldoende zijn komen vast te staan, falen de grieven. Het hof zal het vonnis waarvan appel bekrachtigen en [appellant], als de in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van het hoger beroep veroordelen, voor wat het geliquideerd salaris in hoger beroep betreft te begroten op
1 punt naar tarief I.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 5 november 2013;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 683,- voor verschotten;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.E.L. Fikkers en mr. A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 21 januari 2014.