Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3729

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
10-07-2014
Zaaknummer
200.136.607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling en informatie- en consultatieplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.134.902

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 342316)

beschikking van de familiekamer van 8 mei 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Grinwis-Veldman te Utrecht,

en

Raad voor de Kinderbescherming, regio Midden Nederland,

gevestigd te Utrecht,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen "de stichting",

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te Utrecht,

verder te noemen: de vader,

en

[A] en [B],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de pleegouders.


1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 juli 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift, ingekomen op 3 oktober 2013;

  • -

    het verweerschrift van de raad, ingekomen op 18 december 2013;

  • -

    het verweerschrift van de stichting, ingekomen op 19 december 2013 met als bijlage onder meer een brief van de pleegouders van 11 december 2013;

  • -

    een brief van de stichting van 9 januari 2014, ingekomen op 13 januari 2014;

  • -

    een brief van de stichting van 13 februari 2014 met bijlagen, ingekomen op 17 februari 2014.

2.2 De mondelinge behandeling heeft op 13 maart 2014 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is E. Sigmond verschenen. Namens de stichting is verschenen A.W.B. Haas. De vader is in persoon verschenen. Tevens zijn de pleegouders in persoon verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Op [geboortedag] 2009 is uit de moeder [kind] geboren. De vader is niet de biologische vader. [kind] is op 25 juni 2010 door de vader erkend. De geslachtsnaam van [kind] luidt sindsdien [naam stiefvader].

De moeder is alleen belast met het gezag over [kind].

De moeder heeft uit een door echtscheiding ontbonden huwelijk vijf kinderen, die thans, na eerdere uithuisplaatsing, allen bij hun vader wonen.

3.2

Bij beschikking van 1 september 2009 heeft de kinderrechter in de rechtbank Utrecht [kind] met ingang van 1 september 2009 voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de stichting, welke termijn laatstelijk is verlengd bij beschikking van 16 augustus 2012 tot

1 september 2013.

3.3

Bij beschikking van 7 oktober 2009 heeft de kinderrechter in de rechtbank Utrecht machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind] in een voorziening voor verblijf pleegzorg 24 uurs welke uithuisplaatsing laatstelijk is verlengd bij beschikking van 16 augustus 2012 tot 1 september 2013.

3.4

[kind] verblijft sinds 7 oktober 2009 in een pleeggezin dat van een crisispleeggezin is overgegaan in een perspectiefbiedend pleeggezin. De moeder heeft twee uur per twee weken omgang met [kind]. De bezoeken vinden om en om bij de moeder thuis en bij de pleegouders thuis plaats.

3.5

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 3 juli 2013 heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, de moeder ontheven van het gezag over [kind] en de stichting benoemd tot voogdes over haar.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de rechter, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

4.2

Ingevolge artikel 1:268 lid 1 BW kan ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet. Deze regel lijdt ingevolge artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid van de minderjarige als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

4.3

Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot ontheffing van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.


4.4 Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder(s) om het kind in het pleeggezin waar het verblijft te laten opgroeien dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat - gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie - niet (zonder meer) in de weg aan een gedwongen ontheffing.

4.5

De moeder kan zich niet verenigen met een ontheffing uit het ouderlijk gezag over [kind]. Zij heeft daartoe twee grieven aangevoerd tegen de bestreden beschikking van 3 juli 2013. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, primair het verzoek tot ontheffing af te wijzen en subsidiair nader onderzoek te gelasten naar de mogelijkheid tot terugplaatsing. De raad en de stichting voeren verweer. Zij verzoeken de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.6

Het hof is op grond van de stukken en hetgeen over en weer is verklaard ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van oordeel dat de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van [kind] te vervullen en dat de getroffen maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet voldoende zijn om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

4.7

Uit het onderzoek van de raad, zoals verwoord in het rapport van 9 april 2013, blijkt dat [kind] een jong en kwetsbaar meisje is dat kampt met lichamelijke klachten (Erbse Parese), waardoor dagelijks door de opvoeders te geven fysiotherapie noodzakelijk is. [kind] is na haar geboorte uit huis geplaatst en geplaatst in het huidige pleeggezin. Bij het pleeggezin maakt zij een positieve ontwikkeling door. Zij voelt zich daar veilig en vertrouwd en is gehecht aan haar pleegouders. Uit het onderzoek komt verder naar voren dat [kind] haar pleegouders als primaire gehechtheidsfiguren is gaan beschouwen. De raad is, evenals in 2011, van mening dat het terugplaatsen van [kind] bij de moeder negatieve gevolgen zal hebben voor haar hechting en ontwikkeling. De moeder is ten aanzien van de tot nu toe geboden hulpverlening onvoldoende leerbaar gebleken, waarbij onduidelijk is gebleven of dit voortkomt uit onwil of te maken heeft met haar verminderd cognitief vermogen, aldus de raad. De moeder lijkt zich meewerkend op te stellen zodra zij het gevoel heeft dat het niet verlenen van medewerking mogelijk voor haar negatieve consequenties zal hebben. Verder blijkt uit de overgelegde rapportage dat de moeder onvoldoende in staat is zich te houden aan de voorwaarden die haar worden gesteld om de omgang met [kind] te kunnen uitbreiden. Daarbij neemt zij niet zelf het initiatief om het contact met [kind] te verbeteren. In het contact met [kind] is zichtbaar dat de moeder veel van [kind] houdt, maar dat zij onvoldoende in staat is zich in dit contact voldoende actief op te stellen en in voldoende mate aan te sluiten bij de ontwikkelings- en opvoedingsbehoeften van [kind]. De moeder is meerdere malen aangesproken op haar gedrag, maar er is geen verbetering zichtbaar. Uit de overgelegde rapportage volgt verder dat de stichting de moeder voldoende kansen heeft geboden om hulp en begeleiding te krijgen en te aanvaarden, maar deze hulp en begeleiding slaat onvoldoende aan; zij lijkt niet goed te begrijpen wat er van haar wordt verwacht. De moeder is een lieve vrouw die graag betrokken wil zijn in het leven van [kind], terwijl [kind] op haar beurt geniet van de contacten die zij met de moeder heeft. De raad acht het daarom noodzakelijk dat er contact blijft tussen de moeder en [kind]. Volgens de raad zal de moeder moeten accepteren dat zij de dagelijkse zorg voor [kind] niet meer zal gaan dragen. Wel kan zij als ouder op afstand een actieve rol in het leven van [kind] blijven spelen. Het belang van [kind] verzet zich volgens de raad niet tegen een ontheffing van de moeder van het gezag. [kind] is veilig gehecht aan de pleegouders. Een verderstrekkende maatregel waarborgt de benodigde continuïteit in de huidige opvoedingssituatie en bevordert een positieve ontwikkeling van [kind], aldus nog steeds de raad.

4.8

Het hof is met de raad van oordeel dat de ontheffing van de moeder van het gezag over [kind] zal bijdragen aan de positieve ontwikkeling van [kind] en zal kunnen waarborgen dat haar permanent de noodzakelijke duidelijkheid wordt geboden over haar woonplek en opvoedingsperspectief. De ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen behoeven niet alleen gelegen te zijn in factoren die de ouder(s) zelf betreffen, maar kan ook gelegen zijn in factoren die het kind zelf betreffen. Dergelijke kindfactoren kunnen met zich brengen dat een ouder ongeschikt is om dit kind te verzorgen en op te voeden. [kind] woont nu ruim vier jaar in het pleeggezin en zij is gehecht geraakt aan haar pleegouders en ervaart in het pleeggezin de voor haar noodzakelijke basisveiligheid. De pleegouders zijn inmiddels de primaire gehechtheidsfiguren voor [kind] geworden. Daarnaast heeft [kind] bijzondere verzorging nodig als gevolg van de bij haar geconstateerde Erbse Parese, waardoor haar verzorgers haar dagelijks fysiotherapie moeten geven. Perspectief op terugplaatsing van [kind] bij de moeder is er niet. Om [kind] weg te kunnen halen uit haar veilige omgeving, ook als dit al aan de orde zou kunnen zijn, zou de moeder aan hoge eisen moeten voldoen om dat gemis aan basisveiligheid te kunnen opvangen en een nieuwe hechting aan de moeder te realiseren en om [kind] de noodzakelijke fysiotherapie voor de Erbse Parese te kunnen geven. Uit de overgelegde rapportage is gebleken dat de moeder onvoldoende beschikt over de hiervoor noodzakelijke capaciteiten. Ondanks de inzet van de stichting en van de pleegouders kon de omgang tussen de moeder en [kind] nog steeds niet worden uitgebreid. Gebleken is dat de moeder het moeilijk vindt om zich te houden aan de gemaakte afspraken betreffende de omgang met [kind] en dat zij afgesproken omgangsmomenten met enige regelmaat afzegt. Wat er ook zij van de redenen van afzegging van de bezoeken door de moeder, bij [kind], die volgens de pleegouders erg uitkijkt naar de bezoeken, veroorzaakt dit telkens een teleurstelling. Dit maakt het voor [kind] moeilijk te bouwen en te vertrouwen op de moeder. Ook was de moeder niet leerbaar op het gebied van de voor [kind] noodzakelijke fysiotherapie.

Verder blijkt dat bij de moeder geen sprake is van duurzame bereidheid om [kind] in het pleeggezin te laten opgroeien. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder immers duidelijk te kennen gegeven dat zij het niet kan accepteren dat [kind] blijvend bij de pleegouders zal opgroeien. Nu het met [kind] goed gaat in het pleeggezin, zij daar goed is gehecht en het voor haar van groot belang is dat zij definitief duidelijkheid krijgt over de plek waar zij mag opgroeien, is het naar het oordeel van het hof in het belang van [kind] de voor haar noodzakelijke stabiliteit en continuïteit in haar opvoedingssituatie te waarborgen door middel van een gedwongen ontheffing van de moeder van het gezag.

4.9

Het hof is in het licht van het voorgaande bezien voorts van oordeel dat geen onderzoek nodig is naar de opvoedingscapaciteiten van de moeder, aangezien reeds door de inmiddels ontstane gehechtheid van [kind] aan haar pleegouders geen perspectief meer bestaat op terugplaatsing van [kind] bij de moeder.

4.10

Het hof merkt nog op dat het feit dat de moeder van het gezag over [kind] is ontheven, nog niet met zich brengt dat zij voor [kind] minder belangrijk is. Immers, de moeder zal, ondanks de ontheffing, altijd de moeder van [kind] blijven. Het is voor [kind] van groot belang dat de moeder een belangrijke rol in haar leven blijft vervullen als ouder, zij het op afstand.

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 juli 2013.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.J.S. de Vries Robbé-de Roy van Zuydewijn, C.J. Laurentius-Kooter en K.J. Haarhuis, bijgestaan door mr. W. Nagelhout als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. K.J. Haarhuis en is op 8 mei 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.