Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3712

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
09-05-2014
Zaaknummer
200.121.597-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk. Aan het werk te stellen eisen, gelet op de lage aanneemsom. Aanvaarding? Eigen schuld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.121.597/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 103335/ HA ZA 10-256)

arrest van de tweede kamer van 6 mei 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. P. Bollema, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.J. Achterveld, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van
8 december 2010, 13 april 2011 en 18 april 2012 van de rechtbank Leeuwarden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 juli 2012,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- een akte uitlating producties van 8 oktober 2013,

- een antwoordakte van 5 november 2013 en

- een antwoordakte van 19 november 2013

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

"Dat het Uw Gerechtshof behage op voormelde gronden bij arrest zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 8 december 2010, 21 oktober 2010 resp. 18 april 2010 te vernietigen en opnieuw recht doende al dan niet onder verbetering en/of aanvulling van de gronden de vordering van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen, althans de schadevergoeding door [appellant] aan [geïntimeerde] te betalen vast te stellen op een bedrag van € 2.500,-, althans op een bedrag in goede justitie vast te stellen, onder compensatie van de kosten in beide instanties.”

3 De feiten

3.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van genoemd vonnis van 8 december 2010 is behoudens een verholen grief in de toelichting op de grieven 1, 6 en 7 (zie hierna) geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat met inachtneming van die grief ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

3.2

De verholen grief heeft betrekking op de vaststelling dat na de werkzaamheden van [appellant] geen werkzaamheden aan de badkamer en het toilet van [geïntimeerde] zijn verricht door een derde. Het hof zal dat daarom niet als vaststaand aannemen.

3.3

De feiten die wel vaststaan, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden:

3.3.1

Partijen hebben op basis van een door [geïntimeerde] aanvaarde offerte van [appellant] van 29 november 2008 een overeenkomst gesloten van aanneming van werk met betrekking tot de woning van [geïntimeerde], gelegen aan [adres]. Deze opdracht zag op het betegelen van de badkamer op de eerste verdieping en het toilet op de begane grond alsmede het plaatsen van een douchecabine, het plaatsen van een bad, radiator, hangend toilet en een bad in de badkamer alsmede een hangend toilet en fonteintje in het toilet op de begane grond.

3.3.2

De werkzaamheden van [appellant] hebben plaatsgevonden in december 2008 en januari 2009. De laatste reguliere werkzaamheden zijn uitgevoerd op 30 januari 2009. [appellant] is ongeveer twee weken na de laatste werkzaamheden langsgekomen om alsnog een aantal werkzaamheden te verrichten. Op 27 maart 2009 is [appellant] een laatste maal langsgekomen om een aantal werkzaamheden te verrichten. Een aantal tegels in de badkamer is toen niet vervangen, omdat op dat moment geen (reserve)tegels voorhanden waren voor het werk in de badkamer.

3.3.3

Op 25 februari 2009 schrijft [echtgenote] (de echtgenote van [geïntimeerde]) aan [appellant] per e-mail onder meer het volgende:

'Er zijn nog wel wat zaken die niet helemaal naar onze tevredenheid zijn

afgewerkt:

* De mozaïektegels in de toilet zitten behoorlijk scheef, ook missen er 2

(stukjes) tegel

* Ook in de badkamer zitten een paar wandtegels echt scheef.

(Ik begrijp dat niet alles kaarsrecht kan zijn, maar er zijn echt een paar tegels die

heel scheefzitten).

* De sanitair accessoires zitten los (= is een kleinigheidje).'

3.3.4

Op 2 maart 2009 schrijven de heer en mevrouw [geïntimeerde] onder meer het volgende

aan [appellant]:

'Betreft: ontevreden over verrichte werkzaamheden

( ... )

U heeft van begin december 2008 tot en met eind januari 2009 onze badkamer en toilet betegeld. Ik ben hier echter niet tevreden over omdat:

* De mozaïektegels in de toilet behoorlijk scheef zitten, ook missen er 2 (stukjes) tegel.

* In de badkamer de wandtegels er scheef inzitten.

* De sanitair accessoires los zitten.

* De douchewand er scheef in zit. '

( ... )

Ik verzoek u mij binnen twee weken schriftelijk te berichten hoe u een en ander gaat herstellen. '

3.3.5

Op 10 april 2009 schrijven de heer en mevrouw [geïntimeerde] onder meer het volgende

aan [appellant]:

'Betreft: ontevreden over herstel van de klachten (n.a v. brief van 2 maart 2009)

N.a v. de eerder door ons gestuurde brief van 2 maart jl. bent u langs geweest om de klachten die wij hadden te verhelpen. Helaas moeten wij concluderen dat ons inziens niet alle klachten verholpen zijn. Het gaat hier om de volgende zaken:

• De mozaïektegels in de toilet behoorlijk scheef zitten, ook missen er 2 (stukjes) tegel.

• In de badkamer de wandtegels er scheef inzitten.(…) '

3.3.6

Bij schrijven van 29 mei 2009 wordt [appellant] door de rechtskundig adviseur van [geïntimeerde] een termijn gegund van 7 dagen vanaf de datum van het schrijven om een afspraak te maken om het werk binnen 14 dagen vanaf het moment van schrijven alsnog af te maken.

3.3.7

Door [appellant] zijn na 27 maart 2009 geen werkzaamheden meer verricht.

3.3.8

[Tegelbedrijf X] heeft op 10 september 2009 op verzoek van [geïntimeerde] het tegelwerk bekeken in de woning van [geïntimeerde]. Hij komt tot de volgende bevindingen.

Het tegelwerk ziet er bar slecht uit!

De vloertegels op de wanden van de badkamer zijn niet vlak en strak verlijmd.

De voegen zijn slordig en onregelmatig.

Langs het plafond is een onnodig zware, dus lelijke voeg gemaakt. Hier had een 4 mm kitvoeg bij langs gemaakt moeten worden.

Afwerkingen ontbreken.

De hoekstrippen sluiten de uitwendige hoeken niet vlak af. Daar zijn ze wel voor.

Er is alleen een te klein kitvoegje geprutst over de badrand,

verder zijn nergens - hoe verbazend - kitvoegen toegepast.

De vloertegels zijn niet netjes gelegd.

Bij de afvoerdrain (welke beter 10 cm uit de wand had kunnen worden opgesteld) ontstaat tzt zeker lekkage. Daar kan een kitbedrijf nooit onder garantie een waterdichte afsluiting maken.

De wanden van de wc zijn met glasmozaïek betegeld.

Zeer slordig en zeer onregelmatig. Tegeltjes ontbreken zelfs.

Het is zeer slordig afgevoegd en "schoongemaakt".

Het verlijmen van vloertegels op wanden en het verwerken van glasmozaïek is erg specialistisch werk. Daar had de "maker" niet aan mogen beginnen. De bewoners zijn terecht ontevreden en voelen zich als het ware bedonderd.

Jammer voor hen; het komt het tegelimago niet ten goede ..

Alles kan netjes worden hersteld maar dat zal al het tegelwerk verwijderd moeten worden en is er een stukadoor nodig die ondergronden weer tegelklaar kan maken. Desgewenst kunnen

we daarvan een offerte voor u maken.

3.3.9

[Installatiebedrijf Y] heeft het herstel begroot op € 8.938,24 inclusief btw.

4 De vordering en de beslissing van de rechtbank

4.1

[geïntimeerde] heeft een verklaring voor recht gevorderd, inhoudende dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de naleving van de overeenkomst en derhalve wanprestatie heeft geleverd en dat [appellant] verplicht is de uit deze wanprestatie voortvloeiende schade aan [geïntimeerde] te vergoeden. [geïntimeerde] heeft verder gevorderd dat de rechtbank [appellant] veroordeelt tot vergoeding van de kosten van herstel, te begroten op het al genoemde bedrag van € 8.938,24 vermeerderd met € 49,- ter zake van herstel pleisterwerk, tezamen dus € 8.987,24, alsmede de buitengerechtelijke kosten en de kosten van het geding.

4.2

De rechtbank heeft op grond van een door haar gevraagd deskundigenoordeel van [Expertisebureau] [appellant] veroordeeld tot betaling van .€ 7.400,- en de kosten van het geding. De gevraagde verklaring voor recht is bij gebrek aan belang geweigerd.

5 De Grieven

5.1

Het hof zal de grieven hierna thematisch bespreken.

6 Grief 2: oplevering en aanvaarding

6.1

[appellant] houdt vol dat hij op 30 januari 2009 heeft verklaard dat het werk gereed was om te worden opgeleverd, dat het vervolgens voor oplevering is aangeboden en dat het werk daarna niet binnen een redelijke termijn is gekeurd en (voorwaardelijk) aanvaard of geweigerd. Het werk moet, zo begrijpt het hof, in de lezing van [appellant] geacht worden al op 30 januari 2009 of op enig moment daarna (al dan niet stilzwijgend) te zijn aanvaard op grond van het bepaalde in artikel 7:758 lid 1 BW. Hij voert daartoe aan dat noch voor, noch op die datum enige klacht is geuit, terwijl de op 25 februari 2009 schriftelijk gemelde klachten redelijkerwijs al van meet af aan te ontdekken waren. De brief van 25 februari is daarom niet binnen bekwame tijd verzonden, aldus [appellant].

6.2

Deze grief faalt. De strekking van artikel 7:758 BW is, dat de opdrachtgever een termijn moet worden gegund voor de keuring van het werk dat volgens de aannemer klaar is om te worden opgeleverd. Zeker als het gaat om de totstandbrenging van een toilet en een natte cel in een casco woning, in opdracht van een particulier, moet de opdrachtgever enige ruimte voor een dergelijke keuring worden gegund – ook indien hij de totstandkoming van het werk van dichtbij heeft kunnen volgen. In dit geval zijn na circa twee weken tekortkomingen geconstateerd die aanleiding waren tot het uitvoeren van herstelwerkzaamheden door [appellant]. Daarop volgden opnieuw na ongeveer twee weken (op 25 februari 2009) klachten over scheef zittende en ontbrekende tegels. Onder die omstandigheden kan [geïntimeerde] niet geacht worden het werk op enig moment voor laatstgenoemde datum stilzwijgend te hebben aanvaard.

7 De grieven 4, 5, 6 en 8: de deskundige

7.1

Enkele grieven hebben betrekking op de benoeming van de deskundige en het bereik van de aan hem gestelde vragen. Deels borduren deze grieven voort op de stelling dat het werk geacht moet worden te zijn aanvaard. In zoverre delen de grieven het lot van grief 2. Voor het overige wordt geklaagd dat een algehele beoordeling van het werk aan de deskundige is gevraagd, en dat de vraagstelling dus niet is beperkt gebleven tot de klachten die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd. De rechtbank is hiermee volgens [appellant] buiten de rechtsstrijd van partijen getreden.

7.2

Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] de onderbouwing van zijn vordering niet heeft beperkt tot hun aanvankelijke klachten over scheef zittende en ontbrekende tegels, maar dat hij een beroep heeft gedaan op de bevindingen van [Tegelbedrijf X]. Diens bevindingen zijn zodanig veelomvattend en uitgesproken dat het de rechtbank vrij stond de deskundige een algemene vraag te stellen over de kwaliteit van het werk. Bovendien baseert [geïntimeerde] zich in dit hoger beroep op alle gebreken die de door de rechtbank benoemde deskundige heeft geconstateerd. Voor zover hij daardoor de feitelijke grondslag van zijn vordering heeft aangevuld, zijn daar geen processuele bezwaren tegen. Aan dat oordeel draagt bij dat [appellant] de ruime vraagstelling aan de deskundige heeft onderschreven. Dit laatste betekent dat [appellant] bij zijn grief geen belang heeft.

8 De grieven 6, 8 en 9: de kwaliteit van het werk

8.1

[appellant] klaagt dat de rechtbank de conclusie van de deskundige overneemt dat het werk niet voldoet aan de professionele standaard. De deskundige heeft in zijn rapport immers terecht aangegeven dat van een klusbedrijf als dat van [appellant], die zich met name profileert als specialist in timmerwerk, niet eenzelfde kwaliteit mag worden verwacht als van een professionele tegelzetter, en dat om die reden een andere, minder professionele standaard moet worden gehanteerd. Bij de hier te maken afweging acht [appellant] mede van belang dat [geïntimeerde] gedurende de uitvoering van het werk daarmee steeds akkoord was. Een opdrachtgever die uit kostenoogpunt bewust kiest voor een niet-professionele tegelzetter, aanvaardt daarmee in de ogen van [appellant] het risico dat tegelwerk niet dezelfde professionele standaard zal halen als dat van een professionele tegelzetter. Het hof overweegt het volgende.

8.2

Bij het antwoord op de vraag wat [geïntimeerde] op grond van de overeenkomst op basis van de aanvaarde offerte ten aanzien van de kwaliteit van het werk mocht verwachten, komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Hoge Raad 13-03-1981, LJN: AG4158; Haviltex). In dit geval heeft [appellant] zich aan [geïntimeerde] op kluswebsites Werkspot en Casius gepresenteerd als Montage-Installatie-Klussen Bedrijf, met als vakgebieden: badkamer en toilet, cv., water en gas, isoleren en klussen algemeen (of ‘badkamer/sanitaire werkzaamheden’). [geïntimeerde] is bovendien door hem uitgenodigd om de kwaliteit van zijn werk te beoordelen. Het ging daarbij ook om tegelwerkzaamheden. Niet gesteld of gebleken is, dat [geïntimeerde] naar aanleiding van dat bezoek werk hoefde te verwachten dat niet voldoet aan de maatstaf van een redelijk bekwaam en redelijk handelend montage-, installatie- en klussenbedrijf gangbaar is.

8.3

Nadat het werk was uitgevoerd, heeft [Expertisebureau] het werk beoordeeld aan de hand van de uitvoeringsrichtlijn voor het aanbrengen van wand - en vloertegelwerk in reguliere toepassing URL 35-101 en is deze deskundige kort gezegd ten aanzien van het toilet en de badkamer tot de volgende bevindingen gekomen:

"Er zijn onderlinge verschillen van groter dan 1,5 mm aangetroffen. Voorts is sprake van onvlakheden ter plaatse van aansluitende (mozaïek) tegels van ca. 1,5 mm. Het tegelwerk voldoet ook niet aan de uitvoeringsrichtlijn. Ook al zou de richtlijn hier geen leidraad zijn, dan nog is het tegelwerk van onvoldoende kwaliteit. Dit laatste geldt eveneens voor de afwerkingen. Bij de badkamer is bovendien een niveauverschil nabij aansluitende tegels aangetroffen van iets meer dan 2 mm. Voorts geldt voor wat betreft het wandtegelwerk dat diverse snijwanden rafelig zijn, dat er variërende voegbreedtes zijn, dat de uitwendige hoek van de ombouw van het toiletreservoir als ook de koker, geen 90° zijn en dat scheurvorming aanwezig is. Die situatie is niet waterdicht. Het algehele oordeel luidt dat het tegelwerk (en kitwerk; zie daarover hierna, onder 9) niet voldoet, ook al zou de richtlijn hier geen leidraad zijn."
De deskundige merkt verder in zijn rapportage op dat normaliter bij het tegelzetten een vlakverdeling wordt gemaakt, en dat [appellant] dat heeft nagelaten, en voorts dat [appellant] onbekend was met de gangbare methode van plaatsing van wandtegels met een zogenoemde buttering- en floatingmethode. De deskundige kwalificeert het geleverde werk tegen het einde van zijn rapportage als ‘niet van een acceptabele kwaliteit’.

8.4

Gelet op de onder 8.2 beschreven omstandigheden en de onder 8.3 geconstateerde gebreken, is het hof met de rechtbank van oordeel dat het werk niet voldoet aan de eisen die daaraan op grond van de overeenkomst konden worden gesteld. Dat [appellant] goedkoper is dan een gecertificeerde tegelzetter, kan daaraan niet afdoen.

9 Grief 1 (en de grieven 6 en 7): de omvang van het werk

9.1

Enkele grieven hebben betrekking op de omvang van het door [appellant] (volgens [geïntimeerde] ondeugdelijk) uitgevoerde werk, en wel het kitwerk. [appellant] voert aan dat hij in de badkamer alleen een kitrand heeft aangebracht op het bad en bij het toilet. Hij is niet verantwoordelijk voor de brede kitranden langs het spacwerk of de wastafel. Ook het kitwerk langs het toilet heeft [appellant] niet (zo) aangebracht. De vraag naar de kwaliteit van deze kitranden dient dan ook buiten beschouwing te blijven voor een eventuele vraag of en in hoeverre [appellant] te kort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en in hoeverre hij daarvoor schadeplichtig is. Dit verweer wordt gestaafd door het rapport van [Tegelbedrijf X] en een medewerker die met hem heeft meegewerkt.

9.2

Ook bij deze grieven heeft [appellant] geen belang. [Tegelbedrijf X] en [Expertisebureau] zijn tot de conclusie gekomen dat voor herstel nodig zal zijn dat al het tegelwerk verwijderd wordt en daarna opnieuw wordt aangebracht. De schadeberekening is op die werkzaamheden gebaseerd. Zonder toelichting – die ontbreekt – valt niet in te zien dat deze kosten niet hoeven te worden gemaakt indien juist is dat het kitwerk voor een belangrijk deel door een derde is uitgevoerd.

10 Grief 3: verzuim en schuldeisersverzuim

10.1

Op 18 april 2009 heeft [geïntimeerde] in zijn brief aan [appellant] te kennen gegeven af te zien van verdere herstelwerkzaamheden door [appellant]. [geïntimeerde] had vier klachten waarvan er twee zagen op tegels en twee op het sanitair. Die laatste twee zijn door [appellant] verholpen. Aangevoerd wordt dat de brief van 29 mei 2009 het ontbreken van een rechtsgeldige ingebrekestelling voordien niet kan herstellen.

10.2

Het hof kan [appellant] in deze klacht niet volgen, aangezien vaststaat dat hij de gebreken van de tegels niet heeft hersteld. Wat dat betreft doet [appellant] een beroep op schuldeisersverzuim. De klachten van [geïntimeerde] die niet zijn verholpen, hadden betrekking op tegels. [geïntimeerde] beschikte echter niet meer over de voor herstel noodzakelijke tegels (die had hij teruggebracht naar de bouwmarkt) en weigerde nieuwe te kopen. [appellant] is daardoor naar hij aanvoert niet in de gelegenheid gesteld de tegels te herstellen.

10.3

De grief kan ook in dit opzicht geen doel treffen, omdat er het onjuiste uitgangspunt aan ten grondslag ligt dat het op de weg van [geïntimeerde] als opdrachtgever lag om [appellant] te faciliteren bij het herstel van door de laatste gemaakte fouten. Het hof neemt bij dat oordeel in aanmerking dat niet is gesteld of gebleken dat die fouten zijn gemaakt omdat (het aan [geïntimeerde] is toe te rekenen dat) [appellant] niet de beschikking had over de juiste of voldoende materialen. Bovendien betreft dit geschilpunt naar het hof begrijpt slechts enkele ontbrekende tegels, en ziet het niet op de veel verder strekkende klacht dat de wel aangebrachte tegels ondeugdelijk waren geplaatst.

11 Grief 10: de hoogte van de schade

11.1

De rechtbank is volgens [appellant] bij de schadebegroting ten onrechte uitgegaan van het tarief van een professionele tegelzetter, en had bovendien voor de minst ingrijpende wijze van herstel namelijk schadevergoeding moeten kiezen, te weten vergoeding van de helft van € 5.000,- op grond van waardevermindering.

11.2

Deze grief slaagt voor zover daarin wordt opgekomen tegen het door de rechtbank bij de schadeberekening tot uitgangspunt genomen tarief. Het hof ziet geen aanleiding voor het hanteren van een hoger tarief dan partijen zijn overeengekomen. Dat betekent dat de schade zal worden bepaald op € 6.270,- (94 uur a € 30,- en € 2.440,- aan materialen, vermeerderd met 19% btw).

12 Grief 11: de proceskoste

12.1

De laatste grief, die is gericht tegen de proceskostenveroordeling, deelt het lot van de overige grieven.

13 Slotsom

13.1

De grieven slagen slechts gedeeltelijk, zodat de bestreden vonnissen in zoverre in zoverre moeten worden vernietigd. Het hof zal [appellant] als de overwegend in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van K zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten

nihil

- griffierecht

299,-

totaal verschotten

299,-

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief: I

1,5 punten x € 632,-

948,-

14 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 18 april 2012 voor zover [appellant] daarin is veroordeeld tot betaling van € 7.400,-;

en opnieuw rechtdoende:

Veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 6.270,-;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 948,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 299,- voor verschotten;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. R.A. van der Pol en mr. M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 6 mei 2014.