Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:369

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
200.116.912-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2013:7544. Werkneemster niet geslaagd in tegenbewijs tegen voorshands bewezen geachte reden voor ontslag op staande voet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0073
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.116.912/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 516697 CV EXPL 11-11163)

arrest van de eerste kamer van 21 januari 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. M. Schlepers, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Stichting Continuering Uitvoering AWBZ en WMO Groningen,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Stichting C.U.,

advocaat: mr. A.A.F. Talitsch, kantoorhoudend te 's-Gravenhage.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 8 oktober 2013 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 4 december 2013 een getuigenverhoor aan de zijde van [appellante] plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.2

Stichting C.U. heeft afgezien van enquête aan haar zijde en partijen hebben arrest gevraagd, waarna het hof arrest heeft bepaald..

2 De verdere beoordeling

2.1

Bij voormeld tussenarrest is [appellante] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte diefstal die aan het haar gegeven ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd. [appellante] heeft daartoe zichzelf en zorgcoördinator [A] als getuigen voorgebracht.

2.2

[appellante] heeft verklaard dat zij geen geld heeft gestolen. Zij heeft zich op de overvolle kamer van de bewuste bewoonster, staande naast de stoel die aan de andere zijde naast een tafel stond, gebukt om uit een achter die stoel op de grond staande verbanddoos (ter grootte van een Curver naaidoos) verbandmiddelen te pakken die zij vervolgens, over de stoel heen reikend, op de tafel erachter legde. Dat moet volgens [appellante] op de opname te zien zijn. Zij heeft daarna nog een keer verband uit de trommel gehaald en dat bij de andere verbandspullen op de tafel gelegd. Zij had voor de bewuste mevrouw twee zwachtels nodig per been alsmede leukopor. Zij verbond de benen van mevrouw, terwijl de bewoonster in haar rolstoel voor de bewuste tafel zat.

Volgens [appellante] wilde deze bewoonster de verbanddoos per se uit het zicht op die plaats in de kamer hebben staan. Bij andere bewoners staat de doos meestal in de kast.

2.3

[A], ook betrokken bij de zorg voor deze bewoonster, heeft als getuige verklaard dat hij als zorgcoördinator wel wil dat verbandmiddelen op een handige plaats staan. Hij denkt dat hij het zich zou herinneren indien de verbanddoos rechts van de tafel zou hebben gestaan. Als daar een stoel heeft gestaan, dan is het bepaald niet logisch om daarachter een verbandkist te hebben, aldus [A].

2.4

Het hof heeft [appellante] echter op de opnamen geen bewegingen zien maken die erop duiden dat zij voorwerpen over de stoel heen op de bewuste tafel legt. Het voorwerp, dat zij met haar rechterhand heeft opgepakt van een plaats achter de stoel, op het beddengoed op de stoel voor zich heeft geplaatst en dat zij vervolgens met beide handen lijkt te doorzoeken, plaatst zij met haar rechterhand weer terug. Terwijl zij zich daarvoor weer diep naar rechts buigt, ligt de stapel beddengoed op de stoel erbij als voorheen: er liggen geen voorwerpen op. De opname laat niet zien dat [appellante] daarna nog eens iets op de door haar beschreven wijze pakt of op de tafel legt. Terwijl zij dan wegloopt is duidelijk zichtbaar dat zij niets in haar open rechterhand heeft. Haar linkerhand stopt zij, zoals het hof eerder heeft genoteerd, met een frommelende beweging in haar zak.

De zwachtels, die [appellante] later gebruikt om de benen van de (inderdaad in de rolstoel bij de tafel zittende) bewoonster mee te zwachtelen, pakt zij (tijdsaanduiding op de opnamedisk is dan 21:42) van de tafel. Het zijn grote rollen, die een hand vullen.

2.5

Het hof is van oordeel dat [appellante] niet is geslaagd in het tegenbewijs. Het voorwerp, dat zij blijkens de opnamen laag achter de stoel vandaan heeft gepakt en op de stapel beddengoed zet, is gelet op haar verklaring niet de verbanddoos, maar het zijn volgens haar verbandmiddelen. Indien het voorwerp enkele verbandmiddelen zouden zijn, passen de doorzoekende bewegingen met beide handen daar niet bij. [appellante] heeft ook niet uitgelegd welk voorwerp zij dan terugplaatst met haar rechterhand. In haar linkerhand heeft zij niets van enig formaat. [appellante] heeft zich, vanaf het moment van het oppakken tot het terugplaatsen van het voorwerp, niet voorovergebogen om iets op de tafel te leggen. De verbandmiddelen die zij zegt te hebben gepakt liggen, tijdens het terugplaatsen van het voorwerp en daarna, evenmin op de goed zichtbare stapel beddengoed. Ook na het terugplaatsen van het voorwerp legt [appellante] niets op de tafel.

De beelden laten naar het oordeel van het hof geen ruimte voor de lezing van [appellante].

Zou [appellante] (anders dan zij nu en indertijd bij de politie verklaard heeft) toch de verbanddoos hebben opgepakt, hebben doorzocht en hebben teruggezet, dan heeft zij daaruit geen verbandmiddelen gepakt, nu deze niet op het beddengoed of de tafel zijn gelegd en zich evenmin in haar rechterhand bevonden.

De verklaring van [A] draagt niets bij aan het door [appellante] te leveren tegenbewijs.

2.6

Zoals het hof in het tussenarrest onder overwegingen 6.8 tot en met 6.10 reeds heeft overwogen, leidt het oordeel dat [appellante] niet is geslaagd in het tegenbewijs tot verwerping van alle grieven.

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, bekrachtigen en [appellante] veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van Stichting C.U. (€ 666,- griffierecht en salaris advocaat volgens liquidatietarief 2 punten, tarief II). [appellante] dient de taxe voor de door haar opgeroepen getuige (€ 38,40) zelf te dragen.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter, locatie Groningen, van 12 juli 2012;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Stichting C.U. vastgesteld op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 704,40 voor verschotten;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. K.E. Mollema, mr. M.E.L. Fikkers en mr. L. Groefsema en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 21 januari 2014.