Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3660

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
200.121.800
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mondelinge afspraken niet bewezen. Bewijsaanbod gepasseerd. Gelet op de ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen en de schriftelijke verklaringen die in het geding zijn gebracht, had het op de weg van appellante gelegen om aan te geven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan (vgl. HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR2011:BP9991). In plaats daarvan heeft appellante ter gelegenheid van het pleidooi aangegeven dat de getuigen niet meer of anders zullen kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.121.800

(zaaknummer rechtbank Arnhem 215054)

arrest van de eerste kamer van 6 mei 2014

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats appellante],

appellante,

advocaat: mr. ing. A. van Weverwijk,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats geïntimeerde sub 1], gemeente [gemeente 1],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats geïntimeerden sub 2,3 en 4],

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats geïntimeerden sub 2,3 en 4],

4. [geïntimeerde sub 4],

wonende te [woonplaats geïntimeerden sub 2,3 en 4],

5. [geïntimeerde sub 5],

wonende te [woonplaats geïntimeerde sub 5], gemeente [gemeente 2],

geïntimeerden,

advocaat: mr. R. van Herwaarden.

Partijen zullen hierna [appellante] en [geïntimeerden] genoemd worden. Geïntimeerde sub 1 afzonderlijk zal worden aangeduid als [geïntimeerde sub 1] en geïntimeerden sub 2 tot en met 5 als [geïntimeerden sub 2 t/m 5].

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden gewezen vonnissen van de rechtbank Arnhem van 13 juli 2011, 18 april 2012 en 10 oktober 2012.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep d.d. 12 december 2012;

  • -

    de memorie van grieven tevens inhoudende eiswijziging/vermeerdering, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    de namens [appellante] nagezonden productie;

  • -

    de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Voor de vaststaande feiten verwijst het hof naar de feiten zoals deze door de rechtbank in het bestreden vonnis van 10 oktober 2012 zijn vastgesteld onder 2.1 tot en met 2.7. Ook het hof gaat van deze feiten uit.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het gaat in deze zaak, zakelijk samengevat, om het volgende. De vader van [appellante] (hierna: [appellante] sr.) en de vader van [geïntimeerden sub 2 t/m 5] (hierna: [vader]) zijn samen aandeelhouder geweest van [geïntimeerde sub 1]. Op 1 december 2003 heeft [appellante] sr. zijn aandelen in [geïntimeerde sub 1] verkocht aan [vader] [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellante] sr. en [vader] in het kader van deze aandelenoverdracht afspraken hebben gemaakt die erop neerkomen dat (i) op een later moment - namelijk op het moment dat bekend zou zijn wat de plannen van de gemeente Geldermalsen met het centrum (meer in het bijzonder het door [geïntimeerde sub 1] te ontwikkelen project rondom het oude postkantoor) zouden zijn - de stille reserves in [geïntimeerde sub 1] zouden worden afgerekend en (ii) dat het kooprecht ten aanzien van 8.000 m² industrieterrein (“[industrieterrein]”) zoals dat tot het vermogen van [geïntimeerde sub 1] behoorde op een later moment zou worden verdeeld in die zin dat aan [vader] en [appellante] sr. ieder 4.000 m² zou worden toegedeeld. Na het overlijden van [vader] op [overlijdensdatum] zou tussen [appellante] sr. en de echtgenote van [vader] (hierna: [echtgenote]) zijn afgesproken dat in plaats van 4.000 m² bouwrijpe grond in [industrieterrein] aan [appellante] sr. de waarde daarvan in geld zou worden uitbetaald. [appellante] sr. heeft de vorderingen die hij uit hoofde van voorgaande aanspraken stelt te hebben, gecedeerd aan [appellante].

4.2

[appellante] heeft in eerste aanleg - samengevat - gevorderd dat een deskundige zal worden benoemd om de omvang van de stille reserves en de waarde van het optierecht op het industrieterrein te bepalen, dat [geïntimeerden] zal worden veroordeeld tot betaling aan [appellante] van de helft van de waarde van de stille reserves en tot uitbetaling van het netto saldo van het optierecht en dat [geïntimeerde sub 1] zal worden veroordeeld tot openlegging van boeken zoals bedoeld in artikel 162 Rv. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen, kort gezegd, omdat de (eventuele) vordering met betrekking tot de stille reserves is verjaard, omdat [appellante] (daarom) bij de vordering ex artikel 162 Rv geen belang meer heeft en omdat er geen overeenkomst tot stand is gekomen omtrent de financiële afwikkeling van het gepretendeerde optierecht. Tegen deze beslissingen, en de daaraan verbonden proceskostenveroordeling, richt zich het hoger beroep. In hoger beroep heeft [appellante] haar eis vermeerderd. Tegen de wijziging van eis is geen bezwaar gemaakt en het hof heeft daartegen ook ambtshalve geen bezwaren, zodat op de gewijzigde eis recht zal worden gedaan. De gewijzigde eis luidt dat het hof:

  1. zal verklaren voor recht dat [appellante] jegens [geïntimeerden sub 2 t/m 5] recht heeft op nakoming van de tussen [appellante] sr. en [vader] gemaakte afspraken terzake de afrekening van de helft van de stille reserves in [geïntimeerde sub 1] per 1 december 2003 alsmede nakoming kan vorderen van de tussen [appellante] sr. en [vader] en [echtgenote] gemaakte afspraken terzake de afrekening van de zogenaamde saldowaarde van 4.000 m² industrieterrein op het industrieterrein [industrieterrein], gelegen zoals beschreven in de notariële akte d.d. 2 april 2004 (productie 3 bij dagvaarding);

  2. een deskundige zal benoemen ter bepaling van de omvang van de stille reserves per 1 december 2003 aangaande [geïntimeerde sub 1] en de waarde van het optierecht per 25 oktober 2007, althans subsidiair per 1 december 2003, omvattende 4.000 m² bouwrijp industrieterrein zoals nader omschreven in het lichaam van de dagvaarding en [geïntimeerden] zal veroordelen aan deze deskundige(n) alle verificatoire bescheiden te verstrekken die de deskundige(n) zal verlangen in verband met de uitvoering van zijn (haar) opdracht;

  3. [geïntimeerden sub 2 t/m 5] althans [geïntimeerden] zal veroordelen tot betaling aan [appellante] van de helft van de stille reserves in [geïntimeerde sub 1] zoals nader omschreven in het lichaam van de dagvaarding en zoals vastgesteld door de deskundige(n) alsmede [geïntimeerden sub 2 t/m 5] zal veroordelen tot uitbetaling van de saldowaarde van het optierecht omvattende 4.000 m² bouwrijp industrieterrein zoals omschreven in het lichaam van de dagvaarding en zoals vastgesteld door de deskundige(n);

  4. [geïntimeerden] zal veroordelen in de proceskosten zowel in eerste aanleg alsmede in de kosten van het hoger beroep, althans de beslissing terzake de proceskostenveroordeling zal vernietigen en opnieuw rechtdoende [appellante] zal veroordelen tot betaling van proceskosten aan [geïntimeerden] corresponderend met het tarief voor zaken van onbepaalde waarde.

4.3

De grieven I en II richten zich tegen de afwijzing door de rechtbank van de vorderingen met betrekking tot de stille reserves. Het debat tussen partijen ten aanzien van de in dit verband door [appellante] gepretendeerde aanspraken spitst zich allereerst toe op de vraag of er in het kader van de aandelenoverdracht ter zake van de afrekening van stille reserves in [geïntimeerde sub 1] een afspraak is gemaakt tussen [appellante] sr. en [vader], en zo ja, wat de inhoud van deze afspraak was.

4.4

Vast staat dat in de notariële akte tot levering van de aandelen (productie 7 bij dagvaarding in eerste aanleg) door [appellante] sr. en [vader] is verklaard - voor zover thans relevant en zakelijk weergegeven - dat de koopprijs voor de aandelen € 432.915,- bedraagt, dat de verbintenis tot betaling van deze koopprijs is teniet gegaan en dat indien door de belastingdienst of, in verband hiermee, de rechter aan de aandelen een andere waarde zal worden toegekend, deze waarde bindend zal zijn en in de plaats zal treden van voorbedoelde koopprijs. Vast staat dat de koopprijs gelijk was aan de helft van het (geconsolideerde) eigen vermogen van [geïntimeerde sub 1] zoals dat blijkt uit de jaarrekening 2002. Over de latere afrekening van stille reserves in [geïntimeerde sub 1] bevat de akte geen afspraken. Dat laat onverlet dat hierover tussen [appellante] sr. en [vader] (mondeling) een aanvullende afspraak kan zijn gemaakt. [geïntimeerden] heeft het bestaan van een dergelijke afspraak uitdrukkelijk betwist. Op [appellante] rust de bewijslast, en daarmee ook het bewijsrisico, ter zake van het bestaan van de door haar gestelde afspraak.

4.5

[appellante] heeft zich beroepen op schriftelijke verklaringen van notaris [notaris], de bevriende zakenrelatie [persoon 1] en [appellante] sr. [notaris] heeft in dit verband verklaard dat hij bij het passeren van de leveringsakte met [appellante] sr. en [vader] heeft gesproken over een mogelijk verschil tussen de waarde die in de akte is opgenomen en de mogelijk afwijkende intrinsieke waarde van de aandelen, maar dat partijen afzagen van de mogelijkheid om in de akte een clausule op te nemen waardoor de prijs zou worden gecorrigeerd als daartoe in een later stadium aanleiding zou zijn. Ook heeft [notaris] verklaard dat partijen hebben gesteld dat zij de eventuele meerwaarde onderling zouden verrekenen. Deze verklaring, waaruit slechts kan worden afgeleid dat tussen partijen zou zijn gesproken over een onderlinge verrekening van de eventuele meerwaarde, is onvoldoende concreet en specifiek om daaruit te concluderen dat [appellante] sr. en [vader] hebben afgesproken dat de stille reserves in [geïntimeerde sub 1] op een later moment met [appellante] sr. zouden worden afgerekend en dat, indien al sprake zou zijn van een afspraak terzake, [appellante] sr. op grond daarvan aanspraak heeft op uitbetaling van de helft van de waarde van de stille reserves per 1 december 2003. Zoals ook zijdens [geïntimeerden] tijdens het pleidooi in hoger beroep is benadrukt, kon een eventuele onderlinge verrekening, indien daarover al gesproken zou zijn, ook op tal van andere wijzen plaatsvinden. Over de maatstaf op grond waarvan en over het tijdstip waarop zou worden afgerekend, bevat de verklaring van [notaris] geen informatie.

4.6

Ook de verklaring van [appellante] sr. is onvoldoende concreet en specifiek. [appellante] sr. heeft in dit verband slechts verklaard dat de aandelen werden verdeeld volgens de waarde in de onderneming, dat hierin zoveel als fiscaal mogelijk was afgeschreven en dat partijen om diezelfde redenen op dat ogenblik geen stille reserves hebben verrekend. Dat was, aldus [appellante] sr., geen probleem aangezien zij achter het postkantoor een winkel en twee appartementen gingen bouwen; dat zou voor hem de compensatie zijn voor het niet afrekenen van de stille reserves. Van een afspraak hierover tussen [vader] en hemzelf verklaart [appellante] sr. niet, althans niet voldoende duidelijk. En voor zover uit deze verklaring al een dergelijke afspraak zou kunnen worden gedistilleerd, getuigt de verklaring veeleer van een afrekening middels het te realiseren project rondom het postkantoor, dan dat [appellante] sr. aanspraak zou hebben op een contante afrekening van de helft van de waarde van de stille reserves per 1 december 2003, zoals [appellante] thans vordert.

4.7

[persoon 1] heeft ten aanzien van de stille reserves verklaard dat hem niet exact bekend is hoe het uitstappen van [appellante] sr. uit de vennootschap cijfermatig is afgewikkeld, dat hem wel bekend is dat er sprake was van een project nabij de haven in [plaats 1], dat er sprake was van eigendom van het postkantoor en dat ten aanzien van dat project ook nog stille reserves moesten worden afgewikkeld. Maar ook die verklaring, waaruit niet concreet van een afspraak tussen [appellante] sr. en [vader] blijkt, laat staan van een afspraak dat de stille reserves, zouden worden afgerekend op het moment dat de plannen van de gemeente [plaats 1] met het centrum duidelijk zouden zijn, ondersteunt de stelling van [appellante] onvoldoende.

4.8

Tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerden], heeft [appellante] dan ook onvoldoende aangetoond dat, in het kader van de aandelenoverdracht, is afgesproken dat de helft van de stille reserves in [geïntimeerde sub 1] per 1 december 2003 later zouden worden afgerekend en dat zij daarop thans aanspraak kan maken.

4.9

De grieven III en IV bestrijden het oordeel van de rechtbank aangaande de afwijzing van de vordering met betrekking tot het optierecht. Ook aan haar vordering met betrekking tot het optierecht heeft [appellante] een afspraak tussen [appellante] sr. en [vader] ten grondslag gelegd. Deze afspraak zou inhouden dat het kooprecht ten aanzien van 8.000 m² industrieterrein (“[industrieterrein]”) zoals dat tot het vermogen van [geïntimeerde sub 1] behoorde op een later moment zou worden verdeeld in die zin dat aan [vader] en [appellante] sr. ieder 4.000 m² zou worden toegedeeld. Deze afspraak zou later op verzoek van [echtgenote] zijn omgezet in een aanspraak in geld. Beide afspraken zijn door [geïntimeerden] uitdrukkelijk betwist.

4.10

Vast staat dat in de overeenkomsten die zijn opgesteld in het kader van het optierecht en de overdracht van de aandelen niets is bepaald over de door [appellante] gestelde afspraak tussen [appellante] sr. en [vader] Waar wel concreet wordt gesproken over teruglevering van een perceel grond van 8.000 m² aan [geïntimeerde sub 1] dan wel [vader], wordt over een koopoptie voor 4.000 m² aan [appellante] (sr.) in de akten niet gerept. Ter onderbouwing van haar stelling dat die afspraak wel is gemaakt, heeft [appellante] zich onder meer beroepen op de schriftelijke verklaringen van [appellante] sr. en [persoon 1].

4.11

[appellante] sr. heeft verklaard dat hij met [vader] had afgesproken dat de helft van het industrieterrein zou worden toegedeeld aan zijn dochter ([appellante]). Wanneer en in welk verband deze afspraak zou zijn gemaakt, volgt uit zijn verklaring niet, althans niet concreet. Uit de in de verklaring gehanteerde chronologie zou kunnen worden afgeleid dat [appellante] sr. het oog heeft op het moment dat in 1999 de akten ter zake van het optierecht werden opgesteld. Dat verdraagt zich evenwel niet met de stelling van [appellante] dat de afspraak met betrekking tot het optierecht zou zijn gemaakt in het kader van de aandelenoverdracht (in 2003).

4.12

[persoon 1] heeft verklaard dat bij hem aan tafel tussen [appellante] sr. en [vader] regelmatig over een dergelijke afspraak is gesproken. Met die afspraak zou een stuk compensatie plaatsvinden voor het ter beschikking stellen van de gronden door [appellante] sr., aldus [persoon 1]. Dat er ten aanzien van “[industrieterrein]” nog iets met [appellante] geregeld moest worden, zou ook kunnen worden afgeleid uit de door [appellante] overgelegde correspondentie van [echtgenote] (producties 18 en 19 bij akte houdende eisvermeerdering tevens houdende overlegging producties van 10 januari 2012). Om tegenover de betwisting door [geïntimeerden] op grond hiervan te kunnen concluderen dat [appellante] sr. en [vader] concreet hebben afgesproken dat aan [appellante] (sr.) nog 4.000 m² industriegrond zou worden geleverd, acht het hof deze verklaringen en correspondentie evenwel onvoldoende concreet en specifiek.

4.13

Ook de verklaring van [appellante] ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor acht het hof onvoldoende bijdragen aan het bewijs van het bestaan van de afspraak. Zij heeft in dit verband niet meer verklaard dan dat het van meet af aan de bedoeling was dat de helft voor haar zou zijn, zonder concreet over een daartoe gemaakte afspraak te (kunnen) verklaren. Over hetgeen na het overlijden van [vader] tussen partijen is besproken, en of daarbij een eventuele claim van [appellante] sr. erkend zou zijn, verschillen partijen uitdrukkelijk van mening en staan de verklaringen van [appellante] enerzijds en die van de andere tijdens het voorlopig getuigenverhoor gehoorde getuigen ([getuige 1] en [getuige 2]) anderzijds tegenover elkaar. Het hof ziet geen aanleiding om aan de verklaring van [appellante] meer gewicht toe te kennen dan aan de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Ook uit de in hoger beroep overgelegde aantekeningen van [appellante] (producties 22 en 23 bij memorie van grieven) kan niet met voldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat de gestelde aanspraak zou zijn erkend.

4.14

Dit geldt temeer voor de door [geïntimeerden] betwiste afspraak tussen [appellante] en [echtgenote], en de door [geïntimeerden] eveneens betwiste ondertekening van een daartoe strekkende verklaring, dat de waarde van de grond in geld zou worden vergoed. Voor het bewijs van het bestaan van die afspraak is in wezen slechts de ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor door [appellante] afgelegde verklaring voorhanden, welke verklaring door [getuige 1] en [getuige 2] wordt tegengesproken. Dat levert onvoldoende bewijs op. De eerdergenoemde correspondentie van [echtgenote] is ook in dit verband onvoldoende concreet en specifiek en levert, mede bezien in het licht van het bepaalde in artikel 164 lid 2 Rv, onvoldoende ondersteuning op van de verklaring van [appellante]. Hieruit volgt dat, ook indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de gestelde afspraak tussen [appellante] sr. en [vader] met betrekking tot het optierecht, de vordering van [appellante] strekkende tot afrekening van de zogenaamde saldowaarde van 4.000 m² industrieterrein nog altijd voldoende grond mist. Een vordering tot het alsnog leveren van de grond zelf, is niet gedaan.

4.15

Gelet op al het voorgaande heeft [appellante] onvoldoende bewijs aangedragen voor de door haar aan haar vorderingen ten grondslag gelegde afspraken. Het hof ziet geen aanleiding [appellante] tot nadere bewijslevering in de gelegenheid te stellen. [appellante] heeft in hoger beroep weliswaar een bewijsaanbod gedaan, maar gelet op de ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor afgelegde getuigenverklaringen en de schriftelijke verklaringen die reeds door [appellante] in het geding zijn gebracht, had het op de weg van [appellante] gelegen om aan te geven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan (zie o.a. Hoge Raad 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9991 en het daarin aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817). Dat heeft [appellante] niet gedaan; zij heeft desgevraagd ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep bij monde van haar advocaat juist verklaard dat de in haar bewijsaanbiedingen genoemde getuigen niet meer of anders zullen (kunnen) verklaren dan zij in hun reeds afgelegde verklaringen al hebben gedaan. Het bewijsaanbod zal daarom worden gepasseerd.

4.16

Uit het voorgaande volgt dat de grieven I tot en met IV falen. Het beroep op verjaring ter zake van de aanspraken met betrekking tot de stille reserves kan onbesproken blijven. De vorderingen 1 tot en met 3 in hoger beroep missen grond en zullen worden afgewezen.

4.17

Grief V richt zich tegen rechtsoverweging 4.28 van het bestreden eindvonnis. Daarin heeft de rechtbank overwogen dat er geen grond is voor het verzoek om op de voet van artikel 194 Rv een deskundige te benoemen ter bepaling van de waarde van het optierecht. Nu ook in hoger beroep de aanspraken van [appellante] ter zake van het optierecht niet zijn komen vast te staan, bestaat ook in hoger beroep geen grond om een deskundige de waarde te laten bepalen. Reeds daarom mist de grief doel. In de toelichting op de grief richt [appellante] zich voor het overige op de overweging van de rechtbank dat er geen bevel tot dooronderhandelen of schadevergoeding wegens onrechtmatig afbreken van onderhandelingen is gevorderd. Nu dit ook in hoger beroep niet is gevorderd, behoeft dit verder geen bespreking.

4.18

Grief VI richt zich tegen de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft [appellante], als de in het ongelijk gestelde partij, terecht veroordeeld in de proceskosten. Met [appellante], is het hof van oordeel dat de rechtbank daarbij niet het juiste tarief heeft toegepast. Anders dan [appellante], gaat het hof evenwel niet uit van het tarief dat geldt voor zaken van onbepaalde waarde. Er zijn immers duidelijke aanwijzingen dat de zaak onder een ander tarief valt. Volgens de inleidende dagvaarding in eerste aanleg hebben de vorderingen ter zake van de stille reserves betrekking op een financieel belang ter grootte van circa € 500.000 en de vorderingen ter zake van het optierecht op een financieel belang ter grootte van in ieder geval ruim € 300.000 (4.000 x € 135 -/- € 56,72). Daarmee valt de zaak onder tarief VII. Voorts ziet het hof, behoudens ten aanzien van de griffierechten, geen aanleiding voor een afzonderlijke proceskostenveroordeling voor [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerden sub 2 t/m 5]. Zij zijn bijgestaan door dezelfde advocaat en de afzonderlijke conclusie van antwoord van [geïntimeerden sub 2 t/m 5] betreft niet veel meer dan een verwijzing naar de conclusie van antwoord van [geïntimeerde sub 1]. In zoverre slaagt de grief.

4.19

De slotsom is dat de grieven I tot en met V falen en dat grief VI gedeeltelijk slaagt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, behoudens ten aanzien van de hoogte van de proceskostenveroordeling. Het meer of anders in hoger beroep zal worden afgewezen. [appellante] zal als de (in overwegende mate) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op:

  • -

    griffierecht € 826,- (€ 568,- + € 258,-)

  • -

    salaris advocaat € 7.740,- (3 punten x tarief VII).

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op:

  • -

    griffierecht € 683,-

  • -

    salaris advocaat € 11.685,- (3 punten x tarief VII).

Voor een veroordeling in de daadwerkelijk gemaakte kosten, zoals door [geïntimeerden] aan het hof in overweging is gegeven, ziet het hof onvoldoende grond.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Arnhem van 10 oktober 2012, behoudens ten aanzien van de proceskostenveroordeling;

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Arnhem van 10 oktober 2012, voor zover het de daarbij uitgesproken proceskostenveroordeling betreft en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellante] in de kosten van de eerste aanleg, tot aan de uitspraak van 10 oktober 2012 aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 826,- voor verschotten en op € 7.740,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 683,- voor verschotten en op € 11.685,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart het arrest wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders in hoger beroep gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, L.J. de Kerpel-van de Poel en W. Heemskerk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2014.