Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3629

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
27-05-2014
Zaaknummer
200.135.988-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Van de man kan in redelijkheid worden gevergd dat hij inteert op zijn vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.135.988/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/126275/FA RK 13-570)

beschikking van de familiekamer van 29 april 2014

inzake

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Mook, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. I.M. Verhaar, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 24 juli 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 23 oktober 2013;

- het verweerschrift, ingekomen op 4 december 2013;

- een journaalbericht met bijlage van 28 oktober 2013 van mr. Mook, ingekomen op 29 oktober 2013;

- een journaalbericht met bijlagen van 11 maart 2014 van mr. Verhaar, ingekomen op 12 maart 2014;

- een journaalbericht met bijlage van 13 maart 2014 van mr. Verhaar, ingekomen op 14 maart 2014;

- een journaalbericht met bijlagen van 13 maart 2014 van mr. Mook, ingekomen op 14 maart 2014.

2.2

De minderjarigen [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), geboren op [geboortedatum 1] in de gemeente [X], en [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]), geboren op [geboortedatum 2] in de gemeente [X], zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken met betrekking tot de zaak, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 25 maart 2014 plaatsgevonden. Verschenen zijn de man, mr. Mook, de vrouw en mr. Verhaar. Mr. Mook en mr. Verhaar hebben beiden het woord gevoerd mede aan de hand van de door hen overgelegde pleitaantekeningen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn geboren de thans nog minderjarigen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3]), geboren op [geboortedatum 3] in de gemeente [X].

3.2

Bij echtscheidingsconvenant van 30 oktober 2003 zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:

"3. partijen achten het in het belang van hun minderjarige kinderen dat zij na de echtscheiding gezamenlijk het ouderlijk gezag over hen blijven uitoefenen. De kinderen verblijven gedurende drie dagen, te weten op maandag, dinsdag en woensdag bij de man en op donderdag, vrijdag en zaterdag bij de vrouw. Op de zondag zullen de kinderen om en om dat wil zeggen de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw verblijven.

4. Partijen zullen de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bij helfte delen. Zij betalen daartoe maandelijks een bedrag van euro 100,-, althans een door partijen in onderling overleg vast te stellen bedrag, op de Rabo en/of rekening [rekeningnummer] ten name van partijen ten behoeve van de kinderen. De kinderbijslag zal op voormelde rekening worden gestort. Voorts betalen partijen ieder de helft de school- en crèchekosten c.q. studiekosten en de ziektekosten."

3.3

Bij beschikking van 24 december 2003 heeft de (toenmalige) rechtbank Zwolle de tussen de man en de vrouw getroffen regelingen als neergelegd in voornoemd convenant in die beschikking opgenomen, met bepaling dat deze regelingen zullen ingaan op de datum van inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven op 11 maart 2004.

3.4

Bij inleidend verzoekschrift van 22 maart 2013, binnengekomen bij de griffie op
4 april 2013, heeft de man de rechtbank verzocht de inhoud van het tussen partijen op 30 oktober 2003 gesloten convenant te wijzigen en te bepalen dat de vrouw aan hem met ingang van 11 april 2011, subsidiair met ingang van 27 juni 2012, meer subsidiair met ingang van 19 december 2012, een onderhoudsbijdrage van € 500,- per kind per maand dient te voldoen ten behoeve van hun minderjarige kinderen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Hij heeft daarbij aangegeven dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de man hebben en al geruime tijd geen contact meer hebben met de vrouw. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en verzocht het primaire en subsidiaire verzoek van de man af te wijzen en het meer subsidiaire verzoek van de man met ingang van 22 maart 2013 toe te wijzen, voor zover het een bedrag van € 81,- per kind per maand niet te boven gaat, waarbij het verzoek van de man ter zake van het meerdere wordt afgewezen, althans in goede justitie te bepalen welke bijdrage de vrouw met ingang van 22 maart 2013 aan de man dient te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen.

3.5

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de man afgewezen.

3.6

Bij beroepschrift heeft de man het hof verzocht de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen, en opnieuw beslissende de verzoeken van de man alsnog toe te wijzen.

3.7

Bij verweerschrift heeft de vrouw het beroep van de man bestreden en verzocht de verzoeken in hoger beroep van de man af te wijzen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

3.8

Niet in geschil is dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) die een hernieuwde beoordeling van de draagkracht van partijen rechtvaardigt, nu niet langer sprake is van een verdeling van de zorg- en opvoedtaken zoals neergelegd onder 3. in voornoemd convenant en de kinderen sinds april 2011, volledig dan wel grotendeels bij de man verblijven.

4 De motivering van de beslissing

De procedure in eerste aanleg

4.1

Voor zover de man klaagt over de wijze van tot stand komen van de bestreden beschikking - in het bijzonder ten aanzien van het niet in acht nemen van de grenzen van de rechtsstrijd - heeft hij geen belang bij behandeling van de klacht. Immers, hij heeft thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld zijn inhoudelijke bezwaren tegen de bestreden beschikking kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren. Hieruit volgt dat het de vrouw in hoger beroep ook is toegestaan om haar standpunt te wijzigen en terug te komen op het eerder door haar ingenomen standpunt dat zij akkoord is met een toewijzing van het verzoek van de man voor zover niet eerder dan 22 maart 2013 en voor zover het een bedrag van € 81,- per kind per maand niet te boven gaat.

De bovengrens van de rechtsstrijd

4.2

Nu de man ook in hoger beroep heeft verzocht de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te bepalen op € 500,- per kind per maand, bedraagt de bovengrens van de vast te stellen onderhoudsbijdrage maximaal € 500,- per kind per maand.

De ingangsdatum

4.3

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:402 lid 1 BW is de rechter voor wat betreft de vaststelling van de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatie in beginsel vrij. Uitgaande van deze vrijheid is het in zaken waarin wijziging wordt verzocht van een vastgestelde alimentatiebijdrage, gebruikelijk dat deze wijziging eerst ingaat op de datum waarop het inleidend verzoek ter griffie van de rechtbank is ingediend, zijnde het moment waarop de onderhoudsgerechtigde rekening dient te houden met een mogelijke wijziging. Bijzondere feiten en omstandigheden kunnen evenwel een andere ingangsdatum rechtvaardigen. Daarbij geldt in het algemeen dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage tot levensonderhoud over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik dient te maken.

4.4

Uit de bestreden beschikking is af te leiden dat het inleidend verzoek van de man tot wijziging op 4 april 2013 door de rechtbank is ontvangen. De vrouw heeft evenwel te kennen gegeven dat zij zich erin kan vinden dat als ingangsdatum 22 maart 2013, de datum van het inleidend verzoekschrift, wordt gehanteerd. Het hof acht in het onderhavige geval onvoldoende feiten en omstandigheden aanwezig, om, in afwijking van het bovenomschreven uitgangspunt, de ingangsdatum van de onderhoudsverplichting op een eerdere datum dan 22 maart 2013 te bepalen. Dat de kinderen vanaf 11 april 2011 bij de man verblijven, alsmede dat op 27 juni 2012 hun hoofdverblijf formeel bij de man is bepaald, acht het hof onvoldoende om de ingangsdatum op 11 april 2011 dan wel 27 juni 2012 te bepalen. Dat de man de vrouw op 19 december 2012 heeft verzocht financiële gegevens in het kader van de kinderalimentatie over te leggen, zoals hij heeft gesteld, maakt het voorgaande evenmin anders. Immers ook is gebleken, zoals de vrouw heeft gesteld, dat de man haar op 19 april 2011 per email heeft bericht dat als de volledige zorg bij hem komt te liggen en de kinderen bij hem komen wonen, hij verder alles betaalt en daar geen vergoeding voor hoeft. Deze email is ook door de vrouw overgelegd.

4.5

Gelet op het voorgaande zal het hof de ingangsdatum van de (eventueel) te wijzigen kinderalimentatie bepalen op 22 maart 2013.

De behoefte van de kinderen

4.6

In de beschikking van de rechtbank is overwogen dat de man ter zitting heeft ingestemd met de door de vrouw in haar verweerschrift becijferde behoefte van de kinderen aan een onderhoudsbijdrage. De rechtbank heeft die behoefte daarom dienovereenkomstig vastgesteld op € 488,- per kind per maand. De man is van mening dat bij de bepaling van de behoefte tevens rekening dient te worden gehouden met de kosten ten aanzien van de huiswerkbegeleiding door het huiswerkinstituut van € 425,- per maand ten behoeve van [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Ter zitting heeft hij zijn stelling in deze nader gemotiveerd. De vrouw heeft de noodzaak van huiswerkbegeleiding door een huiswerkinstituut betwist.

4.7

Gelet op de onderhavige bijzondere situatie (waaronder forse kindproblematiek) en de heftige strijd acht het hof het met de man in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dat zij huiswerkbegeleiding van een huiswerkinstituut ontvangen. De kinderen zijn gebaat bij deze structuur, terwijl het ook niet aannemelijk is dat de kinderen thans open staan voor hulp en begeleiding van de vrouw in deze. Het hof ziet hierin aanleiding de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verhogen met de kosten hieromtrent.

4.8

Voor zover de man heeft gesteld dat de kosten voor de kinderen tevens moeten worden verhoogd met de kosten voor orthodontie voor de kinderen, is het hof van oordeel dat hij zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De man heeft in deze, anders dan in zijn beroepschrift staat aangekondigd, geen gespecificeerde behoeftelijst overgelegd.

4.9

Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat de behoefte van [minderjarige 1] € 488,- per maand bedraagt. Ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bepaalt het hof de behoefte op een bedrag van € 488,- per kind per maand, te vermeerderen met de kosten van het huiswerkinstituut.

De te betalen kinderalimentatie

4.10

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de vrouw en de man ieder een dermate hoge draagkracht hebben dat zij ieder ruimschoots in de helft van de behoefte van de kinderen kunnen voorzien. Op grond hiervan acht het hof het in het onderhavige geval redelijk dat partijen ieder de helft van de behoefte van de kinderen voor hun rekening nemen. Gelet hierop zal het hof in het onderhavige geval een specifieke draagkrachtberekening van partijen achterwege laten.

4.11

Het hof neemt daarbij in aanmerking dat partijen bij het opstellen van het echtscheidingsconvenant als uitgangspunt hebben gehad dat partijen de kosten van de kinderen bij helfte zullen delen. Dat de situatie ten tijde van het convenant is gewijzigd gelet op de omstandigheid dat de kinderen vanaf 11 april 2011 bij de man wonen, doet daaraan niet af.

4.12

Het hof overweegt het volgende over de draagkracht van partijen.

Draagkracht vrouw

4.13

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat zij een bedrag van € 1.694,- per maand beschikbaar heeft voor kinderalimentatie, ofwel afgerond € 565,- per kind per maand.

4.14

De man is van mening dat de vrouw een hoger bedrag beschikbaar heeft voor kinderalimentatie. De man heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de vrouw bij de berekening van haar draagkracht ten onrechte rekening heeft gehouden met (onderhouds)kosten ten aanzien van haar woning. Tevens heeft de man gesteld dat rekening dient te worden gehouden met de helft van de door de vrouw opgevoerde woonlasten, nu zij met haar partner samenwoont. Voorts heeft de man aangevoerd dat de moeder van de vrouw in 2012 is overleden en dat de vrouw een van de erfgenamen van de nalatenschap van de moeder is. Volgens de man heeft de vrouw uit deze nalatenschap reeds vermogen ontvangen en zal zij hieruit ook nog een aanzienlijk vermogen ontvangen. Tot de nalatenschap behoort een villa, welke te koop staat voor € 785.00,-, waarin thans een van de erfgenamen woonachtig is, hetgeen betekent dat de vrouw recht heeft op haar aandeel in redelijke huurinkomsten, zijnde tenminste € 625,- netto per maand aldus de man. Daarnaast is de man van mening dat de vrouw bewijsstukken dient over te leggen van al haar inkomsten, waaronder die bij het Medisch Tuchtcollege, om haar draagkracht op een juiste wijze te kunnen berekenen.

4.15

Wat er verder ook zij van deze stellingen van de man, het hof acht het in het onderhavige geval van belang dat vast staat dat de vrouw in ieder geval een bedrag van
€ 1.694,- per maand, ofwel € 565,- per kind per maand, beschikbaar heeft voor kinderalimentatie.

Draagkracht man

4.16

Het is vaste rechtspraak dat bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige - dan wel onderhoudsgerechtigde - niet alleen het feitelijke inkomen van belang is, maar ook het inkomen dat hij geacht kan worden redelijkerwijs te kunnen verwerven. Daarnaast is voor de bepaling van de draagkracht ook de omvang van het vermogen van belang. Onder omstandigheden kan worden gevergd dat wordt ingeteerd op het vermogen.

4.17

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen draagkracht heeft om bij te dragen aan de kosten van de kinderen. De stukken die ten bewijze van zijn stelling door de man zijn overgelegd, roepen op vele punten vraagtekens op. Gelet op evenwel de levensstandaard die de man kennelijk heeft, is er in deze geen aanleiding om op al die punten afzonderlijk in te gaan en wordt volstaan met het volgende.

4.18

Vast staat dat de man in 2011 het pand aan de [adres 1] te [X] heeft verkocht voor een bedrag van € 2.200.000,-. Wat er ook zij van de noodzaak van de verkoop van dit pand, uit de nota van afrekening van de notaris van 1 juli 2011 en de bankafschriften is gebleken dat de man, na aflossing van de hypothecaire geldleningen (waaronder een lening van de moeder van de man van € 503.500,--), verrekening huren en na aftrek van kosten inzake de overdracht, een bedrag van € 1.280.052,58 op zijn bankrekening heeft ontvangen in verband met de verkoopopbrengst van dit (beleggings)pand. Het hof heeft in deze geen aanleiding om geen bewijskracht toe te kennen aan de door de notaris opgestelde nota van afrekening zoals door de man overgelegd. Het hof gaat om die reden voorbij aan de stelling van de vrouw dat niet is aangetoond dat van het bedrag van € 2.200.000,- de hypothecaire geldlening van € 503.500,- daadwerkelijk aan de ouders/moeder van de man is afgelost. Niet in geschil is dat de man het door hem ontvangen bedrag grotendeels heeft uitgegeven. Partijen verschillen van mening over de noodzaak van de besteding van de verkoopopbrengst. Het hof overweegt hierover als volgt.

4.19

Niet in geschil is dat de man ten minste € 1.035.885,- (aankoop: € 340.000,- +
€ 7.641,- + kosten verbouw: € 688.244,-) van het ontvangen bedrag van € 1.280.052,58 heeft besteed aan de aanschaf en de verbouw van het pand aan de [adres 2] te [X]. Voorts staat vast dat de man geen hypothecaire geldlening heeft afgesloten ten aanzien van dit pand. Wat er ook zij van de huidige waarde van dit pand, gelet op het voorgaande staat vast dat de man over een aanzienlijk vermogen beschikt. Met de vrouw is het hof van oordeel dat het de keuze van de man is geweest om een groot deel van de verkoopopbrengst te investeren in een woning en de verbouw daarvan. Deze keuze komt voor rekening en risico van de man. Immers de noodzaak van de aankoop van de woning, laat staan de noodzaak van de hoge verbouwkosten van deze woning voor onder andere ook een ligplaats voor een boot (productie 3, onder 13 van de man) en de aanleg van de tuin ad. € 28.295,- (bijlage 26 van de man), is niet gebleken. Dergelijke investeringen gaan niet voor op de bestaande onderhoudsverplichting van de man jegens zijn kinderen. Deze investeringen zijn te meer opmerkelijk, zoals ook de vrouw betoogt, nu uit de door de man overgelegde jaarrekeningen over 2009, 2010 en 2011 ten aanzien van zijn eenmanszaak [Y]- die drie vestigingen heeft- blijkt dat over die jaren sprake is van een negatief resultaat. Voorts volgt uit de door de man overgelegde kolommenbalans over 2013, periode 0 tot en met 13, dat [Y], waarvan sinds oktober 2012 tevens de ondernemingen [1] en [2] deel uitmaken, over die periode verlies lijdt.

4.20

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof - hoe dan ook - van de man in redelijkheid worden gevergd, voor zover daadwerkelijk nodig, dat hij ten behoeve van de kinderen inteert op zijn vermogen. De man moet derhalve, in het licht van het voorgaande, gelet op zijn vermogen, in staat worden geacht om ten minste in de helft van de behoefte van de kinderen te voorzien. Voor zover de man niet in staat is in te teren op zijn vermogen door een hypothecaire geldlening af te sluiten ten aanzien van zijn woning, acht het hof het in het licht van het voorgaande redelijk dat van de man kan worden gevergd dat hij – zo nodig - op het vermogen in zijn woning inteert door deze te verkopen.

4.21

De grieven van de man worden (deels) gegrond bevonden. In het kader van de devolutieve werking van het appel zal het hof alle weren en stellingen van de vrouw opnieuw moeten beoordelen.

4.22

De vrouw heeft bij de rechtbank aangevoerd dat ook de echtgenote van de man als stiefouder verplicht is bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

4.23

De vrouw heeft in het jaar 2012 blijkens de jaaropgave € 97.638,- aan inkomen genoten, vermeerderd met overige inkomsten van € 4.195,-, die blijken uit de door de vrouw overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2012. Volgens de door de man overgelegde jaaropgave 2012 van zijn echtgenote heeft zijn echtgenote in dat jaar € 28.686,- aan inkomen genoten.

4.24

Gelet op het ruime inkomen van de vrouw en het inkomen en/of vermogen van de man is het hof van oordeel dat de verplichting van de echtgenote van de man om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen ondergeschikt is aan die van de ouders. Het hof betrekt daarbij tevens in zijn overweging dat partijen in het echtscheidingsconvenant van 30 oktober 2003 uit zijn gegaan van een gelijke verdeling van de kosten van de kinderen. Tevens betrekt het hof daarbij in zijn oordeel dat de man en zijn echtgenote bijna twee jaar de volledige kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen voor hun rekening hebben genomen, terwijl de vrouw meer dan voldoende draagkracht had om ook bij te dragen in die kosten.

Conclusie

4.25

Gelet op het voorgaande zal het hof in het onderhavige geval de door de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen in redelijkheid bepalen op de helft van de behoefte van de kinderen, met dien verstande dat de bovengrens van de te betalen bijdrage € 500,- per kind per maand bedraagt. Dit betekent dat de vrouw ten behoeve van [minderjarige 1] een bedrag van € 244,- (behoefte € 488,-/2) per maand dient te voldoen. Ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dient de vrouw een bedrag van € 244,- per kind per maand te voldoen, te vermeerderen met de helft van de kosten van het huiswerkinstituut. Gelet op de bovengrens van de rechtsstrijd dient de vrouw ten hoogste een bedrag van € 256,- (€ 500,- -
€ 244,-) per kind per maand aan kosten inzake het huiswerkinstituut ten behoeve van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te voldoen. Het hof bepaalt dat de man deze kosten dient aan te tonen door maandelijks de facturen aan de vrouw te verstrekken en dat de vrouw de helft van deze facturen, tot een maximum van € 256,- per kind per maand, binnen een maand nadat de vrouw van de betreffende factuur heeft kennisgenomen, aan de man dient te voldoen.

4.26

Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen.

5 De slotsom

Gelet op het voorgaande dient de bestreden beschikking te worden vernietigd. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 24 juli 2013;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt het door partijen gesloten echtscheidingsconvenant van 30 oktober 2003, zoals opgenomen in de beschikking van 24 december 2003 van de (toenmalige) rechtbank Zwolle ten aanzien van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;

bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van 22 maart 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] een bedrag van € 244,- per maand zal betalen;

bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van 22 maart 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een bedrag van € 244,- per kind per maand zal betalen, alsmede de helft van de kosten van het huiswerkinstituut ten behoeve van [minderjarige 2] en [minderjarige 3], tot een maximum van € 256,- per kind per maand, met dien verstande dat de man de kosten van het huiswerkinstituut dient aan te tonen door de vrouw maandelijks de facturen hieromtrent over te leggen en dat de vrouw de helft van deze kosten, tot een maximum van € 256,- per kind per maand, aan de man voldoet binnen een maand nadat de vrouw van de betreffende factuur heeft kennisgenomen;

bepaalt dat de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling dienen te worden voldaan;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Jonkman, voorzitter, mr. M.P. den Hollander en mr. D.J. Buijs, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 29 april 2014 in bijzijn van de griffier.