Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3626

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
200.137.809-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 8 EVRM. Sprake van family life

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.137.809/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/339820/FL RK 13-583)

beschikking van de familiekamer van 29 april 2014

inzake

[de vader],

wonende te [woonplaats 1],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. A.R.A.R. Sitaldin, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats 2],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.G.B.M. Schönhage, kantoorhoudende te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zitting houdend te Almere, van 23 september 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 22 november 2013, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te beslissen dat er een omgangsregeling wordt bepaald tussen hem en de hierna genoemde minderjarige [minderjarige], in opbouwende fases, voor zover noodzakelijk na een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad).

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 31 december 2013, heeft de moeder het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing ervan.

2.3

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder de brief met bijlagen van mr. Sitaldin van 10 maart 2014, ingekomen op 12 maart 2014.

2.4

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof gehouden te Leeuwarden op 27 maart 2014. Aldaar zijn de vader en de moeder verschenen, bijgestaan door hun advocaat.

3 De vaststaande feiten

3.1

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

3.2

Uit die relatie is op [geboortedatum] te [woonplaats 2] geboren de thans nog minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige]). De vader heeft [minderjarige], thans vijf jaar oud, niet erkend.

3.3

De minderjarige [minderjarige] verblijft bij de moeder die het ouderlijk gezag over hem uitoefent.

3.4

De vader heeft op 8 maart 2013 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank strekkende tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige].

3.5

In de bestreden beschikking is dat verzoek afgewezen, kort gezegd omdat de rechtbank van oordeel is dat geen nauwe persoonlijke betrekking bestaat tussen de vader en [minderjarige] als bedoeld in artikel 1:377a BW en artikel 8 EVRM.

3.6

De vader kan zich niet vinden in de bestreden beschikking en heeft daartegen hoger beroep ingesteld.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Overeenkomstig artikel 1:377a BW stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

4.2

De vader heeft in hoger beroep in het bijzonder de vraag aan het hof voorgelegd of al dan niet sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen hem en de minderjarige [minderjarige], welke vraag de vader in bevestigende zin beantwoordt en de moeder in ontkennende zin.

4.3

Tussen partijen is niet in geschil dat de vader de biologische vader van de minderjarige [minderjarige] is. Het hof overweegt dat biologische verwantschap een belangrijke factor is bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking c.q. 'family life' in zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De biologische vader dient daarnaast evenwel bijkomende omstandigheden te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, die de conclusie rechtvaardigen dat er tussen hem en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat (zie bijvoorbeeld de conclusie bij de beschikking van de Hoge Raad van 29 maart 2002, LJN: AD8191).

4.4

Die bijkomende omstandigheden dienen te zijn gelegen in de betrokkenheid van de biologische vader bij het kind voor en na de geboorte en de aard van de relatie tussen de vader en de moeder en tussen de vader en het kind. Ook een combinatie van omstandigheden die deels betrekking hebben op de periode vóór de geboorte van het kind en deels op de periode na de geboorte van het kind, kan gelden als voldoende bijkomende omstandigheden (zie bijvoorbeeld HR 19 mei 2000, NJ 2000, 545 nt. SW en HR 29 september 2000, NJ 2000, 654 en EHRM 1 juni 2004, NJ 2004, 667).

4.5

Het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking ("family life") sluit niet uit dat deze door latere gebeurtenissen wordt verbroken. De enkele omstandigheid dat contact gedurende een zeker tijdsverloop achterwege is gebleven, kan niet als een dergelijke gebeurtenis worden aangemerkt. Ook zal uit de enkele omstandigheid dat tussen de moeder en de biologische vader een breuk is ontstaan, in het algemeen niet kunnen worden afgeleid dat, indien "family life" bestaat tussen de moeder en de biologische vader en - daardoor - tussen de biologische vader en het kind bij de geboorte van het kind, het "family life" tussen de biologische vader en het kind is verbroken.

4.6

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval voldoende (bijkomende) omstandigheden zijn gebleken om een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en [minderjarige] aan te nemen in de zin als hier bedoeld. Vast staat in dit verband dat de vader en de moeder een affectieve relatie hadden met elkaar vóór, ten tijde en geruime tijd na de geboorte van [minderjarige]. Voorts staat vast dat de vader bij de bevalling aanwezig is geweest en dat de vader na de bevalling gedurende een periode van ongeveer vier weken in gezinsverband heeft geleefd met de moeder en [minderjarige], althans in hetzelfde huis. Daarna is de moeder tot het verbreken van de relatie nog steeds de weekenden met [minderjarige] naar de vader gegaan die toen bij zijn moeder woonde, alwaar hij met [minderjarige] ook logeerde. Uit de stukken is gebleken dat de relatie tussen partijen eerst ongeveer twee jaren na de geboorte van [minderjarige], althans in ieder geval eerst geruime tijd na de geboorte van [minderjarige], is verbroken. Na het verbreken van de relatie heeft drie keer een omgangsregeling van een weekend plaatsgevonden. De vader heeft niet betwist dat hij tekort is geschoten en onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat betreft zijn aandeel als vader in de verzorging en opvoeding van [minderjarige], zowel in financieel opzicht als wat betreft de feitelijke verzorging en opvoeding. Die omstandigheid is naar het oordeel van het hof echter onvoldoende zwaarwegend om aan te nemen dat de nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en [minderjarige] is verbroken of niet tot stand is gekomen. Ook in combinatie met het tijdsverloop is die omstandigheid onvoldoende om aan te nemen dat geen sprake (meer) is van een nauwe persoonlijke betrekking. De vader heeft in dit verband overigens gesteld dat hij ook na de relatiebreuk heeft getracht om contact te onderhouden met [minderjarige] maar dat zulks door de opstelling van de moeder niet is gelukt. De moeder heeft die pogingen van de vader weliswaar betwist, althans bestaan zeer verschillende lezingen van partijen daaromtrent, maar gezien de afwijzende houding die de moeder in deze procedure heeft laten zien met betrekking tot de vader en een eventueel contactherstel tussen de vader en [minderjarige], acht het hof de stellingen van de vader op dat punt op voorhand niet onaannemelijk.

4.7

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat er tussen de vader en [minderjarige] sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in artikel 1:377a BW en een band die kan worden aangemerkt als 'family life' in de zin van artikel 8 EVRM. Dat betekent dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek, hetgeen niet uitsluit dat het verzoek van de vader moet worden afgewezen indien en voor zover sprake is van een ontzeggingsgrond als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW verband houdend met zwaarwegende belangen van [minderjarige].

4.8

Gelet op de complexiteit van de zaak en de uiteenlopende standpunten acht het hof het aangewezen advies in te winnen van de Raad voor de Kinderbescherming (de raad). Het hof verzoekt de raad een onderzoek in te stellen en vóór 1 oktober 2014 advies uit te brengen omtrent de vraag of en zoja, welke omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] in het belang is van de minderjarige.

4.9

Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid gesteld worden om binnen veertien dagen na de datum van de rapportage van de raad zich schriftelijk uit te laten over de voortgang van de procedure, derhalve of zij een nadere mondelinge behandeling wenselijk achten of dat de zaak op de stukken kan worden afgedaan.

4.10

Het hof zal de beslissing ten aanzien van verzochte omgangsregeling derhalve aanhouden in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek

5 De beslissing

Het gerechtshof:


alvorens verder te beslissen:

verzoekt de raad te onderzoeken zoals hierboven omschreven en draagt de raad op het hof hieromtrent te rapporteren en te adviseren vóór 1 oktober 2014;

stelt partijen in de gelegenheid om binnen veertien dagen na de datum van de rapportage van de raad zich schriftelijk uit te laten over de voortgang van de procedure;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. G.M. van der Meer en mr. D.J. Buijs en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2014 in bijzijn van de griffier.