Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3622

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
200.141.991-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Onvoldoende stabiliteit, structuur, begrenzing en begeleiding door de moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.141.991/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/129395 / FJ RK 13-972)

beschikking van de familiekamer van 29 april 2014

inzake

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H.W. de Jong, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

William Schrikker Stichting,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de stichting.

Als belanghebbende is aangemerkt:

fam. [pleegouders],

wonende op een geheim adres,
hierna te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 6 november 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, is machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin verleend van de minderjarige [minderjarige], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige]), met ingang van 9 november 2013 tot 9 november 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 februari 2014, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof, zakelijk weergegeven, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog het verzoek van de stichting om machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van een jaar, af te wijzen, althans de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te beperken tot een periode van zes maanden, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen bij het hof op 10 maart 2014, heeft de stichting het verzoek van de moeder in hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van het verzoek van de moeder in hoger beroep.

2.3

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de brief van de pleegmoeder van [minderjarige] van
11 maart 2014, waarvan de inhoud bij de mondelinge behandeling is meegedeeld aan partijen.

2.4

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 maart 2014, waarbij zijn verschenen de moeder en haar advocaat en namens de stichting mw. Van der Heide en mw. G. Klok.

3 Feiten en achtergronden

3.1

De moeder, geboren op 5 december 1991, is afkomstig uit de Federale Republiek Joegoslaviƫ (FRJ).

3.2

Sinds 1998 staat de moeder ingeschreven in Nederland. De moeder heeft in haar leven veel meegemaakt. Zo heeft zij van 2005 tot haar meerderjarigheid onder toezicht gestaan van BJZ. Kort daarna is haar moeder overleden. Zij is ernstig mishandeld door haar overleden stiefvader. De moeder is verschillende keren in aanraking geweest met politie en justitie en heeft op de veelplegerslijst gestaan. Zij heeft voorts verschillende relaties achter de rug en te maken gehad met huiselijk geweld. Uit diagnostisch onderzoek naar de moeder in 2007 is gebleken dat de moeder een lichte verstandelijke beperking heeft (IQ 62).

3.3

De moeder is op [geboortedatum] te Leeuwarden bevallen van [minderjarige] voornoemd. Moeder heeft het gezag over [minderjarige].

3.4

Na een melding van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) is Raad voor de Kinderbescherming (den melding van het d met huiselijk geweldvoering van de ondertoezichtstelling.XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX raad) een onderzoek gestart naar de opvoedingssituatie van [minderjarige] bij de moeder. Op 1 november 2012 heeft de raad een rapport van bevindingen uitgebracht.

3.5

Mede naar aanleiding van voormelde onderzoeksbevindingen van de raad is [minderjarige] door de kinderrechter op verzoek van de raad met ingang van 9 november 2012 voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van BJZ, nadien steeds verlengd tot thans 9 november 2014. De stichting is namens BJZ belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

3.6

De moeder is tussen december 2012 en april 2013 niet meer gesignaleerd in Nederland. Zij heeft in die tijd een periode in de FRJ verbleven met [minderjarige]. De stichting heeft op 12 april 2013 aangifte gedaan bij de politie tegen de moeder wegens onttrekking van [minderjarige] aan het gezag. De moeder is in de nacht van 23 op 24 april 2013 in Nederland gesignaleerd door de politie samen met twee bekenden van de politie. De moeder is aangehouden en wilde aanvankelijk niet de verblijfplaats van [minderjarige] onthullen.

3.7

Bij beschikking van 25 april 2013 heeft de kinderrechter op verzoek van de stichting machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [minderjarige] voor de duur van vier weken onder aanhouding van iedere verdere beslissing en verwijzing van de zaak naar behandeling ter zitting die op 8 mei 2013 heeft plaatsgevonden. Bij beschikking van 22 mei 2013 heeft de kinderrechter de termijn van machtiging uithuisplaatsing verlengd tot 9 november 2013.

3.8

Op aanwijzing van de moeder is [minderjarige] uiteindelijk op 22 juni 2013 opgehaald bij een kennis van de moeder en vervolgens ondergebracht in een pleeggezin.

3.9

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verleend met ingang van 9 november 2013 tot 9 november 2014. Hiertegen richt zich het onderhavige hoger beroep van de moeder.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Bij de beoordeling dient het hof uit te gaan van de actuele situatie, ook wel ex nunc toetsing genoemd, en dient het belang van de minderjarige tot uitgangspunt te worden genomen mede gelet op het bepaalde in artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

4.2

Een machtiging tot uithuisplaatsing is een uit de ondertoezichtstelling voortvloeiende maatregel die, overeenkomstig artikel 1:261 BW, kan worden opgelegd wanneer dat noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.3

De kinderrechter is blijkens de bestreden beschikking van oordeel dat voldoende grond bestaat voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige]. Daartoe heeft de kinderrechter onder meer overwogen dat de moeder erg haar best doet om haar situatie te veranderen en dat zulks deels is gelukt maar dat haar situatie nog niet bestendig genoeg is om een terugplaatsing bij haar te overwegen. Daar komt volgens de kinderrechter bij dat [minderjarige] in zijn jonge leven veel verschillende opvoedsituaties heeft meegemaakt waardoor hij niet de kans heeft gekregen om zich aan een vertrouwde volwassene te kunnen hechten. Het is nog onduidelijk in hoeverre hij hierdoor beschadigd is. [minderjarige] is gebaat bij rust, structuur en stabiliteit, zodat hier meer zicht op kan komen. Hij doet het goed in het pleeggezin en zijn huidige opvoedingssituatie dient te worden gewaarborgd.

4.4

In haar eerste en enige grief tegen de bestreden beschikking betoogt de moeder kort samengevat dat haar situatie inmiddels zodanig is dat zij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] weer op zich kan nemen, zodat binnen afzienbare termijn een terugkeer traject ingezet dient te worden. De moeder geeft in dit verband in haar beroepschrift een uiteenzetting van hetgeen er zoal veranderd is in haar leven. Subsidiair stelt de moeder dat onderzocht dient te worden welke mogelijkheden er zijn voor een terugplaatsing van [minderjarige] bij haar, dan wel naar het perspectief van [minderjarige]. De moeder meldt dat zij open staat voor hulpverlening en bereid is om zich op te laten nemen in [plaats] of in het [huis X te Y].

4.5

Het hof is met de kinderrechter en de stichting van oordeel dat (gefaseerde) terugkeer van [minderjarige] naar de moeder op dit moment nog niet aan de orde is. Het hof overweegt daartoe het volgende.

4.6

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [minderjarige] in het pleeggezin zeer zorgwekkend gedrag heeft laten zien. In de eerste weken was [minderjarige] nauwelijks aanspreekbaar en reageerde hij agressief naar anderen. Na een paar maanden verbeterde zijn gedrag enigszins maar hij laat nog steeds zeer zelfbepalend gedrag zien, wordt erg snel boos als iets niet mag en raakt dan dikwijls flink over zijn toeren. Hij kan dan bijvoorbeeld bijten, schoppen of slaan. [minderjarige] is uitdagend en heeft veel sturing en begrenzing nodig. De zorgen over de hechting van [minderjarige] zijn naar het oordeel van het hof dan ook niet zonder reden, mede nu de stukken belangrijke aanwijzingen bevatten dat de moeder weinig beschikbaar is geweest voor [minderjarige]. Zo heeft de moeder erkend dat zij werkzaam is (geweest) in de prostitutie en voorts is de opvang van [minderjarige] door de moeder dikwijls aan derden overgelaten. Ook de raad heeft in het verleden geconstateerd dat [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder niet de stabiliteit, structuur, begrenzing en begeleiding heeft gekregen die hij nodig heeft en voorts dat de moeder dikwijls niet beschikbaar was.

4.7

Dat de stichting thans [minderjarige] wil laten observeren bij het MOD voor diagnostiek en bepaling van zijn perspectief en eventuele behandeling vindt het hof daarom alleszins begrijpelijk. Het hof is evenwel gebleken dat de moeder daarvoor geen toestemming wil geven. Dat die verdere diagnostiek in het belang van [minderjarige] is, gelet op alle onrust voor de uithuisplaatsing, lijkt aan moeder voorbij te gaan. Eerst wanneer bij het MOD duidelijkheid is verkregen over wat [minderjarige] in de opvoeding nodig heeft en anderzijds ook duidelijkheid is verkregen omtrent de resultaten van de behandeling van de moeder bij Fier Frsylan en haar opvoedingvaardigheden, kan naar het oordeel van het hof worden gekeken of terugkeer van [minderjarige] naar de moeder tot de mogelijkheden behoort. Het hof schat in dat nog een lange weg is te gaan.

4.8

Het hof vindt het daarom aangewezen eerst de bevindingen van Fier Fryslan af te wachten, alsmede verdere diagnostiek ten aanzien van [minderjarige], alvorens ook maar gedacht kan worden aan een gefaseerde terugkeer naar de moeder. Om die reden is een gezinsopname in [plaats] of een andere setting gericht op terugkeer, zeker op dit moment, niet aan de orde.

4.9

In de hiervoor geschetste omstandigheden kan niet staande worden gehouden dat de gronden voor de maatregel zich niet meer voordoen, noch dat de inbreuk die de maatregel maakt op het gezinsleven van de moeder niet gerechtvaardigd is. Het hoger beroep van de moeder faalt dus.

4.10

Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 6 november 2013 waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, G.M. van der Meer en D.J. Buijs en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2014 in bijzijn van de griffier.