Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3614

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-05-2014
Datum publicatie
01-05-2014
Zaaknummer
ks 21-005152-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invoer cocaïne binnen grondgebied Nederland. Vernietiging van het vonnis en vrijspraak van verdachte; (voorwaardelijk) opzet niet bewezen. Uit de door de advocaat-generaal genoemde omstandigheden volgt niet dat verdachte wist of moet hebben geweten dat in de containers met cacaobonen cocaïne werd mee vervoerd. Gebleken is dat anderen hiervan op de hoogte waren, maar deze personen verklaren niet dat ook verdachte ervan af wist, noch is gebleken dat zij hem daarover hebben ingelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005152-13

Uitspraak d.d.: 1 mei 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank
Midden-Nederland van 22 maart 2013 met parketnummer 07-974006-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1977],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 april 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot het niet-ontvankelijk verklaren van de officier van justitie ter zake van het onder 1 ten laste gelegde, vernietiging van het vonnis voor het overige en veroordeling van verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. C.N. Noordzee, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Nu noch door de officier van justitie in de appelschriftuur, noch door de advocaat-generaal ter terechtzitting van het hof duidelijk kenbare grieven zijn aangevoerd ter zake van het onder 1 ten laste gelegde, waarvan verdachte bij vonnis waarvan beroep is vrijgesproken, heeft de officier van justitie, respectievelijk de advocaat-generaal bij de behandeling in hoger beroep van dit feit geen belang, zodat deze in zoverre in het hoger beroep niet kan worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, om proceseconomische redenen vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover in hoger beroep van belang, tenlastegelegd dat:


2.
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2011 tot en met
22 augustus 2012 te [plaats1] en/of [plaats2] en/of [plaats3], althans in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (ongeveer) 2352 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit/die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of (een) ander(en) of gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

hebbende, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk

- de vennootschap [vennootschap] (op)gekocht en/of

- een loods te [plaats2] gehuurd en/of

- een of meer ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of is verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) in een loods aanwezig geweest teneinde de container met een (grote) hoeveelheid cocaïne in ontvangst te nemen en/of te lossen en/of

- een of meer telefoongesprek(ken) gevoerd en/of berichten gestuurd (al dan niet in versluierd taalgebruik) met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of

- een of meer (vracht)auto('s) gehuurd en/of geregeld ten behoeve van het transport van voornoemde hoeveelheid cocaïne.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde

Onder 2 wordt verdachte – kort samengevat – verweten dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander/anderen, voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft gepleegd voor het invoeren van cocaïne binnen het grondgebied van Nederland.

Ter terechtzitting van het hof heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan vrijgesproken dient te worden wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Hiertoe is allereerst aangevoerd dat geen sprake is geweest van medeplegen, dan wel opzet daarop. Uit het dossier blijkt niet van enige vorm van samenwerking met de medeverdachte(n).

Voorts heeft verdachte geen (voorwaardelijk) opzet gehad op het voorbereiden dan wel bevorderen van invoer van cocaïne; verdachte wist niet, noch behoorde te weten dat er naast de cacaobonen ook een lading cocaïne zou worden meegeleverd. Verdachte heeft stellig ontkend te hebben geweten dat er in de door hem geïmporteerde containers cocaïne zat. Hij ging er naar eigen zeggen van uit dat het om partijen cacaobonen ging. Niet uitgesloten kan worden dat verdachtes opzet niet verder dan het invoeren van de cacaobonen heeft gereikt.

De advocaat-generaal heeft voor het bewijs van de tenlastegelegde opzet op het volgende gewezen.

Verdachte zit in de schuldsanering, zijn vriendin verklaart dat ze een beroep moeten

doen op de voedselbank.

Verdachte heeft een Belgische BVBA [vennootschap] die officieel te Brussel is gevestigd. Volgens de Kamer van Koophandel is de bedrijfsomschrijving handel in babykleding. Zijn vriendin weet niet van dit bedrijf. Alles moest dus stiekem gebeuren.

Op naam van [vennootschap] zijn meermalen goederen uit Zuid-Amerika ingevoerd: mango’s, ananassen, cacaoboter en cacaobonen.

Handelscontracten en andere administratie zijn niet aangetroffen.

Op de bij verdachte thuis in beslag genomen computers is wel een aantal ingescande vrachtbrieven aangetroffen van eerdere transporten, maar niet van de laatste vier containers waarin de cocaïne was verborgen.

Verdachte verklaart (2e verhoor) dat hij 3 containers had besteld, maar dat er op het

laatste moment nog een vierde bij kwam. Verdachte is degene die daadwerkelijk de

goederen bestelt via een contactpersoon genaamd [contactpersoon].

Van reguliere afzetkanalen is niet gebleken. Er zijn geen contacten en contracten met groothandels in groenten/fruit of de cacaoverwerkende industrie.

Blijkens het proces-verbaal van de politie lag in de loods in [plaats2] die door het bedrijf van verdachte was gehuurd een partij mango’s te verrotten. Dit alles versterkt de indruk dat verdachte geen reguliere handel dreef en dat het bedrijf slechts een dekmantel was om onder een willekeurige deklading cocaïne te importeren.

In de periode tussen oktober 2011 en 4 augustus 2012 werd door verdachte in

totaal € 146.920,-- op de Belgische ING-rekening van [vennootschap] gestort. Daarbij waren ten minste 125 biljetten van € 500,-- (= € 62.500,--) aanwezig. Dit zijn coupures die buiten het criminele circuit niet of nauwelijks worden aangetroffen. Enkele grotere stortingen werden op dezelfde dag (bijvoorbeeld 6 en 13 okt 2011) bij verschillende kantoren gedaan.

Dit handelen is smurfgedrag om onder MOT-meldingen uit te komen. Dit geldt ook voor de geldopnames (bijvoorbeeld op 25 nov 2011).

In zijn ( 2e) verhoor geeft verdachte wel aan dat de politie alles via zijn Yahoo

account mag nazoeken, maar deze account blijkt opgeheven te zijn.

Volgens verdachte zit zijn contactpersoon [contactpersoon] in Peru en komen de cacaobonen daar ook vandaan of uit Paraguay. In werkelijkheid kwamen de cacaobonen echter uit Ecuador.

De hoeveelheid in beslag genomen cocaïne bedroeg ca. 2.350 kg en de

handelswaarde bedroeg ca. €150 miljoen. Dit is niet een hoeveelheid die een

(Colombiaanse) organisatie als eerste zending naar Europa stuurt en al helemaal niet

“op de pof”.

Als verdachte zich al niet willens en wetens heeft beziggehouden met handelingen

om de invoer van cocaïne te bevorderen, dan heeft hij minstens welbewust het risico

op de koop toe genomen.

Het hof is van oordeel dat de door de advocaat-generaal genoemde omstandigheden weliswaar bijzonder zijn te noemen maar dat uit die omstandigheden niet volgt dat verdachte wist of moet hebben geweten dat in de containers met cacaobonen cocaïne werd mee vervoerd.

Uit het dossier blijkt dat anderen dan verdachte op de hoogte waren van dit cocaïnetransport, maar zij verklaren niet dat verdachte hiervan op de hoogte was. Evenmin blijkt van andere omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat verdachte door deze personen op de hoogte werd gesteld van bijzonderheden rond het verdere vervoer van de containers naar de loods.

Nu er ook overigens geen bewijs is voor verdachtes (voorwaardelijk) opzet op de invoer van de ten laste gelegde cocaïne zal het hof verdachte vrijspreken.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. K. Lahuis, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Reinke, griffier,

en op 1 mei 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Dolfing is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.