Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3611

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
09-05-2014
Zaaknummer
13/00260
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:1488, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:40, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invorderingswet. Aansprakelijkstelling bestuurder. Schending rechten verdediging? Tijdige melding betalingsonmacht ? Kennelijk onbehoorlijk bestuur?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1078
V-N Vandaag 2014/897
mr. M.C.J. Kop annotatie in NTFR 2014/1496

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 13/00260

uitspraakdatum: 23 april 2014

nummer /

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Oost-Nederland van 31 januari 2013, nummer AWB 12/1652, in het geding tussen belanghebbende en

de ontvanger van de Belastingdienst/Kantoor Nijmegen (hierna: de Ontvanger).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Ontvanger heeft bij beschikking belanghebbende aansprakelijk gesteld voor door [A] BV niet betaalde omzetbelasting.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Ontvanger het bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de Ontvanger in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem. De rechtbank Oost-Nederland (hierna: de Rechtbank) heeft, als opvolger van de rechtbank Arnhem, het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 26 februari 2013 ter griffie ingekomen.

1.5.

De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2013 te Arnhem. Aldaar is tevens behandeld het hoger beroep met nummer 13/00261. Belanghebbende is daar verschenen, bijgestaan door mr. [B]. Namens de Ontvanger is verschenen mr. [C], bijgestaan door [D]. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.7.

Het Hof heeft het vooronderzoek heropend. Belanghebbende heeft bij brief van 1 oktober 2013 nader inlichtingen verstrekt. De Ontvanger heeft bij brief van 14 november 2013 nadere inlichtingen verstrekt. Partijen hebben toestemming gegeven zonder nadere zitting uitspraak te doen.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[E] BV was van 9 juni 2008 tot 6 maart 2009 bestuurder van [A] B.V. (hierna: [A]). Belanghebbende was bestuurder van [E] BV. Voor de toepassing van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 wordt belanghebbende aangemerkt als bestuurder van [A] (artikel 36, vijfde lid, aanhef en onderdeel c, van de Invorderingswet 1990).

2.2.

[A] exploiteerde een onderneming met als doel het in- en verkopen, het huren en verhuren en leasen van transportmaterieel.

2.3.

[A] leasete transportmiddelen op basis van zogenoemde ‘financial lease’ van verschillende leasemaatschappijen, te weten [F] B.V. (hierna: [F]), [G] (hierna: [G]) en [H].

2.4.

In 2008 en 2009 zijn daarop betrekking hebbende overeenkomsten omgezet in overeenkomsten op basis van ‘operational lease’. Daarbij heeft [A] (de economische eigendom van) de transportmiddelen verkocht aan de desbetreffende leasemaatschappij.

2.5.

De Belastingdienst/FIOD heeft een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar onder meer belanghebbende. In het kader daarvan is een proces-verbaal opgemaakt, waarin onder meer het volgende staat.

2.5.1

[F] heeft wegens de beëindiging van de financial lease bedragen aan [A] in rekening gebracht en ter zake daarvan, zonder berekening van omzetbelasting, facturen opgemaakt en aan [A] uitgereikt. Wegens de aankoop van de transportmiddelen heeft [F] creditfacturen, met berekening van omzetbelasting, opgemaakt. Ter zake van deze verkoop aan [F] heeft [A] een verzamelfactuur met dagtekening 31 januari 2009 in haar administratie opgenomen. Deze factuur komt niet voor in de administratie van [F]. [F] heeft ter zake van deze verkopen de op de hiervoor bedoelde creditfacturen vermelde hogere verkoopbedragen in haar administratie verwerkt dan op de bedoelde verzamelfactuur zijn vermeld. Op de door [F] opgemaakte creditfacturen is € 531.593 meer omzetbelasting vermeld dan op de verzamelfactuur van [A].

2.5.2

[G] heeft transportmiddelen ingekocht van [A]. In de administratie van [G] zijn daarop betrekking hebbende facturen van [A] opgenomen die hogere bedragen als verkoopsom en als berekende omzetbelasting vermelden dan de overeenkomstige kopieën van facturen in de administratie van [A]. Op de in de administratie van [G] opgenomen facturen is € 93.829 meer omzetbelasting vermeld dan op de overeenkomstige facturen die zijn opgenomen in de administratie van [A].

2.5.3

[H] en [I] (hierna: [I]) hebben trucks ingekocht van [A] en van enkele andere tot hetzelfde concern behorende vennootschappen. In de administratie van [H] en van [I] zijn daarop betrekking hebbende facturen van [A] opgenomen die hogere bedragen als verkoopsom en als berekende omzetbelasting vermelden dan de overeenkomstige kopieën van facturen in de administratie van [A]. Op de in de administratie van [H] en [I] opgenomen facturen is € 78.280 meer omzetbelasting vermeld dan op de overeenkomstige facturen die zijn opgenomen in de administratie van [A].

2.6.

De inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland heeft zich op het standpunt gesteld dat in verband met het hiervoor vermelde [A] (€ 531.593 + € 93.829 + € 78.280 =) € 703.702 meer omzetbelasting verschuldigd was dan uit haar administratie volgt. In verband daarmee heeft hij met dagtekening 14 juni 2011 over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2009 een naheffingsaanslag opgelegd van € 703.302 en daarbij bij beschikking € 37.329 heffingsrente in rekening gebracht.

2.7.

Over het tijdvak januari 2009 heeft [A] aangifte gedaan voor de omzetbelasting van € 203.610 verschuldigde omzetbelasting. [A] heeft deze belasting niet betaald. Aan [A] is met dagtekening 25 maart 2009 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 203.610. Voorts is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 4.537.

2.8.

Bij beschikking van 12 september 2011 heeft de Ontvanger belanghebbende aansprakelijk gesteld voor de hiervoor vermelde naheffingsaanslagen, de daarbij berekende heffingsrente en de opgelegde verzuimboete.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar en van de aansprakelijkstelling. De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende stelt dat de rechten van [A] zijn geschonden doordat zij niet voorafgaand aan de naheffing van het voornemen daartoe op de hoogte is gesteld en doordat de naheffingsaanslag niet aan haar, maar in verband met haar faillissement slechts aan haar curator is bekendgemaakt. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur zich terecht gericht tot de curator van [A], nu zij in staat van faillissement verkeerde. Deze omstandigheid kan daarom niet leiden tot de conclusie dat de rechten van [A] zijn geschonden.

4.2.

Belanghebbende stelt dat voorafgaand aan de aansprakelijkstelling het voornemen daartoe niet aan haar is kenbaar gemaakt en dat aan haar geen afschriften zijn verstrekt van de stukken waarop de Ontvanger dat voornemen stoelt. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Ontvanger daarmee in strijd heeft gehandeld met de rechten van de verdediging en dat de aansprakelijkstelling daarom moet worden vernietigd. In dit verband stelt belanghebbende dat de Ontvanger de uitspraak op bezwaar heeft gebaseerd op stukken (“Fiod-samenvattingen”) die in de bezwaarfase niet aan belanghebbende ter kennis zijn gesteld. Weliswaar beschikte belanghebbende uit anderen hoofde over deze stukken, maar de Ontvanger had haar niet meegedeeld dat hij de uitspraak op bezwaar mede daarop wilde baseren.

4.3.

Naar het oordeel van het Hof zijn de rechten van de verdediging niet geschonden, nu belanghebbende in de bezwaarfase haar standpunten naar voren heeft kunnen brengen. Deze standpunten zijn zowel in de bezwaarfase als bij de beoordeling door de rechter volledig getoetst. Niet aannemelijk is dat de beslissing van de Ontvanger anders zou zijn geweest als belanghebbende voorafgaand aan de aansprakelijkstelling haar standpunt aan de Ontvanger kenbaar had gemaakt.

4.4.

Belanghebbende stelt dat uit de stukken niet blijkt dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Naar het oordeel van het Hof heeft de Ontvanger aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag over het tijdvak januari 2009 is opgelegd in overeenstemming met de door [A] gedane aangifte. Niet gesteld of gebleken is dat [A] dit bedrag op aangifte heeft voldaan. Deze naheffingsaanslag is terecht opgelegd.

4.5.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Ontvanger aannemelijk gemaakt dat [A] valse facturen in haar administratie had opgenomen en dat ten gevolge daarvan tot het nageheven bedrag te weinig omzetbelasting is aangegeven en voldaan. Het Hof acht het gestelde in het hiervoor onder 2.5 tot en met 2.5.3 aangehaalde proces-verbaal aannemelijk. Ook deze naheffingsaanslag is terecht opgelegd.

4.6.

Belanghebbende stelt dat [A] tijdig heeft voldaan aan de meldingsplicht, door op 3 maart 2009 haar betalingsonmacht te melden aan de Ontvanger.

4.7.

De naheffingsaanslag over 2008 en 2009 is opgelegd omdat [A] bij het doen van aangifte over de desbetreffende tijdvakken is uitgegaan van haar administratie waarin valse facturen waren opgenomen. Het Hof acht aannemelijk dat [A] wist dat in haar administratie valse facturen waren opgenomen en dat zij te weinig verschuldigde omzetbelasting aangaf. Het is naar het oordeel van het Hof aan haar opzet of grove schuld te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting was geheven. De termijn waarbinnen betalingsonmacht nog kan worden gemeld, te weten tot twee weken na de vervaldag van de naheffingsaanslag (artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990; hierna: het Uitvoeringsbesluit) geldt daarom in dit geval niet.

4.8.

Dat brengt mee dat de melding van 3 maart 2009 slechts tijdig was indien en voor zover zij is gedaan uiterlijk twee weken na de dag waarop de belasting diende te zijn voldaan (artikel 7, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit). Voor de tijdvakken die vallen in 2008 was de melding te laat. Voor de tijdvakken vanaf januari 2009 is de melding tijdig.

4.9.

De Ontvanger heeft zich op het standpunt gesteld dat de melding niet geldig was, omdat niet is voldaan aan de verplichting om, indien de ontvanger dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen (artikel 36, tweede lid, eerste volzin, van de Invorderingswet 1990). In verband met hetgeen hierna is overwogen, kan dat evenwel in het midden blijven.

4.10.

Voor zover de aansprakelijkheid betrekking heeft op tijdvakken gelegen in 2008 heeft [A] niet aan haar meldingsplicht voldaan. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou volgen dat het niet aan haar is te wijten dat [A] niet aan de meldingsplicht heeft voldaan. Derhalve is belanghebbende in zoverre terecht aansprakelijk gesteld.

4.11.

De belasting over het tijdvak januari 2009 diende uiterlijk 28 februari 2009 op aangifte te worden voldaan (artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). De betalingsonmacht kon uiterlijk twee weken daarna nog tijdig worden gedaan (artikel 7, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit), dus uiterlijk 14 maart 2009. Omdat belanghebbende toen geen bestuurder van [A] meer was, geldt zij als gewezen bestuurder.

4.12.

Belanghebbende betwist dat sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

4.13.

[A] heeft in haar administratie – naar het Hof aannemelijk acht – opzettelijk onjuiste facturen opgenomen. Op basis van die onjuiste facturen heeft zij te weinig omzetbelasting aangegeven. Belanghebbende was daarbij betrokken, zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld. Dat is naar ’s Hofs oordeel kennelijk onbehoorlijk bestuur. Belanghebbende heeft nog wel gesteld dat [A] ook zonder deze handelingen over onvoldoende liquiditeiten beschikte om de belasting te betalen, maar zij heeft deze stelling niet nader onderbouwd en er ook geen bewijs voor aangedragen. Tegenover de betwisting door de Ontvanger heeft zij deze stelling niet aannemelijk gemaakt.

4.14.

Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte aansprakelijk is gesteld voor de heffingsrente en de verzuimboete.

4.15.

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende – gelet op haar leidinggevende positie binnen [A] – er mede de hand in heeft gehad dat in de administratie onjuiste facturen werden opgenomen, waardoor te weinig omzetbelasting werd aangegeven en voldaan. Voorts acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende er mede de hand in heeft gehad dat [A] de omzetbelasting over januari 2009 niet op aangifte heeft voldaan. Daardoor is het aan belanghebbende te wijten dat heffingsrente en een verzuimboete werden belopen. Belanghebbende is derhalve terecht voor deze bedragen aansprakelijk gesteld.

4.16.

Belanghebbende stelt dat de Ontvanger de aansprakelijkstelling tegen beter weten in heeft gehandhaafd. Zij stelt zich op het standpunt dat zij om die reden recht heeft op een integrale vergoeding van haar proceskosten.

4.17.

Nu het Hof de aansprakelijkstelling handhaaft, ontvalt de grond aan deze stelling van belanghebbende.

4.18.

Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op een immateriëleschadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift tegen de aansprakelijkstelling is ingediend op 18 oktober 2011. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 31 januari 2013, derhalve binnen twee jaar na de indiening van het bezwaarschrift. Naar het oordeel van het Hof is daarmee de redelijke termijn niet overschreden. Het hogerberoepschrift is ingediend op 25 februari 2013. Tot de dag waarop het Hof uitspraak doet zijn minder dan twee jaren verstreken. Ook hier is naar het oordeel van het Hof de redelijke termijn niet overschreden. Daaraan doet, anders dan belanghebbende betoogt, niet af dat mogelijk een langere termijn zou zijn verstreken als het Hof de uitspraak op bezwaar zou hebben vernietigd en zou hebben beslist dat de Inspecteur opnieuw uitspraak op bezwaar zou moeten doen.

4.19.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank een juiste beslissing genomen. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

5 Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de wederpartij in verband met de behandeling van het hoger beroep voor het Hof heeft moeten maken.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, J.A. Monsma en R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. A. Klein als griffier.

De beslissing is op 23 april 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

De voorzitter,

(A. Klein)

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 mei 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EHDen Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.