Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:355

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-01-2014
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
200.110.899
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot beëindiging partneralimentatie. Getuigenverhoren. Bewijs geleverd van stalling dat de vrouw samenleeft met ander als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.110.899

(zaaknummer rechtbank Zutphen 126093)

beschikking van de familiekamer van 21 januari 2014

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in het hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. P. Buikes te Apeldoorn,

en

[verweerster ] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in het hoger beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. E.V.T.E. van der Woning te Panningen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 31 januari 2013 een tussenbeschikking gegeven en neemt de inhoud van die beschikking hier over.

1.2

Ingevolge voormelde tussenbeschikking hebben op 10 april 2013, 17 juni 2013 en 4 november 2013 getuigenverhoren plaatsgevonden. De hiervan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Het verdere verloop blijkt uit:

- een brief van mr. Van der Woning van 16 april 2013 met bijlage, ingekomen op 17 april

2013;

- een journaalbericht van mr. Buikes, ingekomen op 29 april 2013;

- een journaalbericht van mr. Buikes met bijlage, ingekomen op 29 november 2013.

1.4

Op 3 december 2013 is de mondelinge behandeling voortgezet. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

1.5

Artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

1.6

Desgevraagd heeft mr. Van der Woning ter mondelinge behandeling meegedeeld dat zij zich refereert aan het oordeel van het hof wat betreft de vraag of acht wordt geslagen op het journaalbericht van mr. Buikes met bijlage, ingekomen op 29 november 2013. Het hof heeft daarop beslist dat op het journaalbericht met bijlage acht wordt geslagen, omdat de bijlage kort en eenvoudig te doorgronden is en mr. Van der Woning zonder nadere maatregel van het hof in redelijkheid voldoende heeft kunnen kennisnemen van de bijlage en zich voldoende moet hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 31 januari 2013, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

Het hof heeft in die beschikking de man toegelaten tot het leveren van het bewijs van zijn stelling dat de vrouw samenleeft met [A] (verder te noemen: [A]) als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Iedere verdere beslissing heeft het hof aangehouden.

2.3

Het hof stelt (wederom) voorop dat ingevolge artikel 1:160 BW een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij eindigt, wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenwoning van de vrouw met een nieuwe partner in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en de ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Het uitgangspunt dient te zijn dat artikel 1:160 BW restrictief wordt toegepast. De toepassing van deze bepaling heeft immers tot gevolg dat de betrokkene definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de gewezen echtgenoot verliest.

2.4

Het hof stelt allereerst vast dat op grond van de stukken en hetgeen is verklaard tijdens de getuigenverhoren is komen vast te staan dat tussen de vrouw en [A] sprake is van een affectieve relatie van duurzame aard. Het hof overweegt daartoe als volgt. De kinderen van partijen, de moeder en de zus van de vrouw en de toenmalige vriendin van de zoon van partijen hebben ieder voor zich verklaard dat tussen de vrouw en [A] sprake is van een affectieve relatie. De moeder van de vrouw heeft verklaard dat de vrouw [A] in het najaar van 2008 heeft leren kennen via de computer en heeft verklaard dat de vrouw erg verliefd was op [A]. Volgens de moeder kregen de vrouw en [A] een relatie en heeft de vrouw op een gegeven moment tegen haar gezegd dat zij met [A] ging samenwonen in Limburg. De zoon van de vrouw en de kinderen van [A] zouden daar ook gaan wonen. De zus van de vrouw heeft verklaard dat de vrouw [A] in 2008 heeft leren kennen via internet en dat de vrouw erg verliefd was op [A]. In 2008 woonde de vrouw nog in [woonplaats] en kwam [A] eens in de twee weken een weekend langs. [A] bleef ook slapen bij de vrouw. Eind 2009 heeft de vrouw verteld dat zij in Limburg ging wonen in een huis waar zij samen kon zijn met [A]. De zoon van partijen heeft verklaard dat de vrouw [A] heeft ontmoet via Hyves en dat ze vervolgens gingen chatten via MSN. De relatie begon vriendschappelijk maar werd daarna een liefdesrelatie. De zoon woonde op dat moment bij de vrouw in [woonplaats]. In die tijd kwam [A] wel eens een weekend op bezoek en bleef dan bij de vrouw slapen in haar slaapkamer. Op een gegeven moment is de zoon met de vrouw verhuisd naar [woonplaats] om daar te gaan wonen met [A]. De zoon van [A] is daar later ook bij komen wonen. Ook de dochter van partijen heeft verklaard dat de vrouw [A] heeft leren kennen via Hyves. De dochter heeft verklaard dat de vrouw tot over haar oren verliefd was op [A]. In het begin kwam [A] om het weekend en bleef dan het weekend slapen. De dochter heeft verklaard dat ze er van uitging dat de vrouw en [A] samen in een bed sliepen omdat er geen logeerkamer was en ook [A] verliefd was. [A] en de vrouw zaten continu aan elkaar, aldus de dochter van partijen. In 2009 heeft de vrouw de dochter verteld dat ze ging samenwonen met [A] in Limburg. Het was de bedoeling dat de vrouw met [A], met de zoon van partijen en met de zoon van [A] als een gezin ging wonen. De toenmalige vriendin van de zoon heeft wel eens in Limburg gelogeerd. De vrouw en [A] deelden de slaapkamer beneden. [A] stelde zich aan haar voor als de vriend van de vrouw.

2.5

De vrouw en [A] hebben ontkend dat tussen hen sprake is van een affectieve relatie. Wel zou sprake zijn van een vriendschappelijke relatie. Volgens de vrouw hebben haar familieleden onjuist verklaard. Zij leeft al jaren in onmin met haar familie en om die reden zouden ze de belastende verklaringen hebben afgelegd. Het hof gaat hieraan voorbij. Uit de verklaringen van de moeder, de zus en de kinderen van partijen is geen enkele aanwijzing naar voren gekomen dat zij onjuist hebben verklaard. De verklaringen zijn consistent en evenmin is gebleken dat de verklaringen onjuist zijn afgelegd uit wraak of boosheid jegens de vrouw. Integendeel, de moeder van de vrouw heeft juist verklaard dat zij het heel fijn vond dat de vrouw een nieuwe man had gevonden. Uit de verklaringen van de moeder van de vrouw, de zus van de vrouw en de kinderen van partijen komt naar voren dat de vrouw [A] heeft geïntroduceerd als haar nieuwe vriend bij haar familie. Ook de aanwezigheid van [A] in het ziekenhuis waar de vader van de vrouw op dat moment in coma lag, is een indicatie voor een meer dan vriendschappelijke relatie tussen de vrouw en [A]. Voorts is van belang dat ook de naam van [A] (naast de naam van de vrouw en haar zoon) op een van de twee linten van een bloemstuk ten behoeve van de begrafenis van de vader van de vrouw was geplaatst. De verklaring van [A] dat hij dit uitsluitend had gedaan uit respect voor de familie van de vrouw acht het hof ongeloofwaardig. Het hof hecht voorts waarde aan de door [A] gemaakte tekening en de bijgevoegde begeleidende brief, waarin [A] zelf spreekt over een familie dan wel gezin waartoe de vrouw, hijzelf, de kinderen van partijen en zijn eigen kinderen behoren. Ten slotte is van belang dat is gebleken dat [A] de naam van de vrouw op zijn voet als tatoeage heeft staan. Tijdens het getuigenverhoor van [A] op 10 april 2013 is hem gevraagd naar zijn tatoeages. [A] heeft over verschillende tatoeages verklaard maar heeft deze, naar [A] zelf ook moet hebben begrepen, in deze zaak belangrijke tatoeage niet genoemd. Uit de verklaring van [B] die in opdracht van de gemeente onderzoek heeft gedaan naar de leefsituatie van [A] en de vrouw volgt dat [A] de voornaam van de vrouw op zijn voet een tatoeage heeft. Ook dit aspect duidt op een affectieve relatie. Dat sprake is van een affectieve relatie van duurzame aard volgt voorts uit het gegeven dat de vrouw en [A] volgens de getuigenverklaringen van de moeder, de zus en de kinderen van partijen zijn gaan samenwonen in Limburg.

2.6

Voorts is het hof van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de vrouw en [A] zijn gaan samenwonen op 2 maart 2010 toen de vrouw naar [woonplaats] is verhuisd. De moeder en de zus van de vrouw hebben verklaard dat de vrouw aan hen heeft verteld dat zij ging samenwonen met [A] in Limburg. De zoon van partijen heeft verklaard dat hij met de vrouw is verhuisd naar [woonplaats]. Hij woonde daar met de vrouw, [A] en de zoon van [A]. Beneden achter de keuken was de slaapkamer van de vrouw en [A]. De zoon sliep boven aan de voorkant van het huis en de zoon van [A] sliep boven aan de achterkant. Deze verklaring wordt bevestigd door de toenmalige vriendin van de zoon. Ook zij verklaart dat de vrouw en [A] beneden samen sliepen en dat de zoon van partijen en de zoon van [A] boven sliepen. De dochter van partijen heeft verklaard dat de vrouw heeft gezegd dat zij ging samenwonen met [A] in Limburg. In de loop van 2010 is de dochter op bezoek geweest bij de vrouw. De vrouw sliep met [A] beneden. In de slaapkamer beneden stond een tweepersoonsbed en boven waren de slaapkamers van de zoon van partijen en de zoon van [A]. In de slaapkamer beneden heeft zij ook persoonlijke spullen van de vrouw en van [A] gezien. De zoon heeft verklaard dat hij tot januari 2011 heeft gewoond in [woonplaats]. De gehele tijd dat hij daar heeft gewoond heeft hij nooit meegemaakt dat de vrouw en [A] niet samen sliepen.

2.7

De vrouw heeft weersproken dat zij op 2 maart 2010 is gaan samenwonen met [A]. Ook op een later moment is volgens haar verklaring geen sprake geweest van samenwonen. Ook [A] heeft in zijn getuigenverklaring van 10 april 2013 weersproken dat sprake was van samenwonen. De vrouw heeft verklaard dat zij op 2 maart 2010 in de bovenwoning aan de [adres] (nummer[..]) is komen te wonen. [A] woonde op dat moment in de benedenwoning [....b]). Na vier maanden heeft de vrouw, in verband met pijnklachten, de benedenwoning betrokken en [A] de bovenwoning. Weliswaar delen de vrouw en [A] de woonkamer, de keuken beneden en gebruiken zij gezamenlijk de wasmachine, maar er is volgens hen geen sprake van samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding. De vrouw heeft ter ondersteuning van haar standpunt gewezen op de schriftelijke verklaring van [C], de schriftelijke verklaring van [D] en het onderzoeksrapport van het UWV van 21 november 2011 waarin is vastgesteld dat geen sprake is van samenwonen van de vrouw met [A] in de periode voorafgaand aan 31 mei 2010.

2.8

Het hof hecht geen geloof aan de verklaringen van de vrouw en [A]. Indien het zo zou zijn dat er sprake zou zijn van gescheiden bewoning van de twee appartementen en de vrouw de bovenwoning ([adres]) zou hebben gehuurd en [A] de benedenwoning ([adres]) dan valt niet te verklaren waarom - zoals vaststaat - de vrouw en [A] niet aan de gemeente hebben doorgegeven dat de vrouw na een aantal maanden de benedenwoning heeft betrokken en [A] de bovenwoning. De vrouw stelt dat zij het wel heeft doorgegeven aan de verhuurder. Indien dit het geval is geweest is op zijn minst opmerkelijk dat geen aanpassing van de huur heeft plaatsgevonden. De huur voor beide appartementen was niet gelijk; de benedenwoning had een lagere huur, te weten € 387,- per maand, dan de bovenwoning, € 487,- per maand. Ondanks dit verschil van € 100,- per maand zijn de vrouw en [A], na de door hen gestelde wisseling, volgens hun eigen verklaring dezelfde huur blijven betalen en hebben zij hun huur niet aangepast aan de woning die zij naar eigen zeggen op dat moment alleen bewoonden. Het verschil in huurprijs is dermate groot dat het niet aanpassen van de huurprijs past in het licht van een affectieve relatie en samenwonen, maar niet in het licht van een uitsluitend vriendschappelijke relatie en niet samenwonen. Ook de schriftelijke verklaring van [C] kan de vrouw in dit opzicht niet baten. Uit de getuigenverklaring van [C] van 10 april 2013 volgt dat zij als gespecialiseerd thuisbegeleider uitsluitend op afspraak bij de vrouw op bezoek kwam. Opvallend is dat [C] verklaart dat zij vanaf het moment dat zij als gespecialiseerd thuisbegeleider bij de vrouw thuis kwam, dat was voor het eerst begin april 2010, heeft waargenomen dat de slaapkamer van de vrouw beneden was. Dit strookt niet met de verklaring van de vrouw en [A], die allebei hebben verklaard dat de vrouw de eerste paar maanden boven woonde en daarna pas beneden. [C] die begin april 2010, dus een maand na de verhuizing van de vrouw, voor het eerst bij de vrouw kwam, heeft verklaard dat de slaapkamer van de vrouw beneden was en dat de vrouw beneden uit die kamer, waar de vrouw haar administratie had liggen, wel eens wat moest pakken. De getuigenverklaring van [C] komt dan ook overeen met de verklaring van de zoon die heeft verklaard dat de slaapkamer van de vrouw (en van [A]) vanaf het begin beneden is geweest. De schriftelijke verklaring van [D] kan evenmin als voldoende weerlegging worden beschouwd van de affectieve relatie tussen de vrouw en [A] en hun samenwonen in [woonplaats]. Volgens de getuigenverklaring van [D] op 17 juni 2013 is [D] in de periode van maart 2011 tot eind april 2011 vijf of zes keer op afspraak bij de vrouw geweest. Zij heeft nimmer van de vrouw gehoord over [A]. Voor zover [D] heeft kunnen waarnemen bewoonde de vrouw het appartement alleen. Het hof constateert dat de verklaring van [D] de verklaringen van de vrouw en [A] deels ondersteunt maar onvoldoende gewicht in de schaal legt om te constateren dat er geen sprake is geweest van een affectieve relatie en samenwonen van de vrouw en [A]. Uit de enkele contacten tussen [D] en de vrouw, die bovendien op afspraak plaatsvonden, leidt het hof af dat [D] zich slechts een beperkt beeld van het leven van de vrouw heeft kunnen vormen, dat [D] in het kader van persoonlijke begeleiding van de vrouw was ingeschakeld en uitsluitend met de vrouw zelf heeft gesproken. Wat betreft het rapport van het UWV van 7 november 2011 merkt het hof op dat uit voormeld rapport blijkt dat in het kader van dat onderzoek uitsluitend is gesproken met de vrouw zelf en met [A] en niet met andere mogelijke getuigen.

2.9

Ten slotte is het hof van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van wederzijdse verzorging van de vrouw en [A] en dat zij een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling op 3 december 2013 verklaard dat zij met ingang van eind oktober 2013 niet meer op het adres in [woonplaats] woont. De vrouw heeft verklaard dat zij en [A] vanaf het moment dat zij in [woonplaats] kwam wonen de woonkamer en de keuken op de benedenverdieping deelde met [A]. In de keuken maakten zij gebruik van dezelfde koelkast. Daarnaast deelden zij de wasmachine. De vrouw heeft de wasmachine meegenomen toen zij in maart 2010 kwam wonen in het huis in [woonplaats]. Toen de wasmachine kapot ging, heeft [A] een nieuwe wasmachine gekocht van welke zij beiden gebruik maakten. De vrouw heeft verklaard geen vergoeding voor het gebruik van de wasmachine te betalen. De vrouw rijdt zelf geen auto. [A] brengt de vrouw met de auto van de vrouw als de vrouw ergens naar toe moet. [A] maakt gebruik van de auto van de vrouw aangezien hij zelf niet over een auto beschikt. [A] leent de auto zo gemiddeld een keer per week, aldus de vrouw. Ook naar het getuigenverhoor op 10 april 2013 en de mondelinge behandeling op 3 december 2013 heeft [A] de vrouw naar Arnhem gereden. De vrouw heeft verklaard dat zij regelmatig met [A] naar de supermarkt is gegaan. Ook hebben zij wel eens samen boodschappen gehaald met de auto. De zoon van partijen heeft verklaard dat in de tijd dat de zoon bij de vrouw en [A] woonde, de vrouw, [A], de zoon van partijen en de zoon van [A] ’s avonds samen aten. De zoon heeft verklaard dat wie het eten betaalde afhankelijk was van wie er op dat moment geld had, de vrouw of [A]. De zoon heeft verklaard dat de vrouw en [A] samen de centen deelden en bij elkaar de bankrekening via de computer bekeken. De dochter van de vrouw heeft verklaard dat toen zij in 2010 op bezoek kwam bij de vrouw, de vrouw en de dochter samen boodschappen hebben gedaan. [A] maakte het boodschappenlijstje en ’s middags hebben zij met z’n allen gegeten. Volgens de dochter stond er in de keuken op dat moment een huishoudpotje waarvan zowel de vrouw als [A] boodschappen deed. In het huishoudpotje zat geld van de vrouw en van [A]. Toen de dochter op bezoek was is ook met geld uit het huishoudpotje boodschappen gedaan. De toenmalige vriendin van de zoon heeft verklaard dat zij twee of drie keer een heel weekend bij de zoon op bezoek is geweest. In die weekenden werd door de vrouw en [A] gezamenlijk boodschappen gedaan. ’s Avonds werd er samen gegeten aan de keukentafel. Door [B], die een administratiefrechtelijk onderzoek heeft verricht in het kader van de Wet Werk en Bijstand naar het al dan niet voeren van een gemeenschappelijke huishouding door [A] met de vrouw, is verklaard dat in de woonkamer voornamelijk spullen stonden van de vrouw. [A] maakte hiervan ook gebruik. Voorts heeft [B] verklaard dat [A] het internet betaalde en de vrouw de tv. De uitkering van [A] is naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek met terugwerkende kracht beëindigd, dit met ingang van - kort na - de datum waarop de vrouw op het adres in [woonplaats] is ingeschreven. Uit al deze feiten en omstandigheden, op zichzelf en in onderling verband beschouwd, leidt het hof af dat sprake is geweest van wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding.

2.10

De vrouw heeft nog gewezen op de schriftelijke verklaring van [C] in welke deze verklaart: ‘[verweerster ] betaalt alles zelf, wat betreft haar levensonderhoud en andere kosten’. In de getuigenverklaring van 10 april 2013 heeft [C] die verklaring echter genuanceerd en aan voormelde zin toegevoegd ‘voor zover ik daarvan op de hoogte was’. Dat de vrouw en [A] ieder hun eigen huur betaalden, zij het dat als de visie van de vrouw en [A] zou worden gevolgd zij vanaf (in ieder geval) de zomer van 2010 een onjuist bedrag hebben overgemaakt, dat zij eigen aanslagen voor de gemeentebelastingen ontvingen, doet niet af aan het feit dat naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat partijen een gemeenschappelijke huishouding voerden en elkaar wederzijds verzorgden. Daarbij merkt het hof nog op dat uit verschillende getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat het steeds de intentie van de vrouw en [A] is geweest om hun samenwonen voor officiële instanties te verhullen. In dat beeld past ook dat de vrouw en [A] hun financiële administratie voor de buitenwereld gescheiden hielden. Het hof acht de hiervoor onder 2.9 genoemde feiten en omstandigheden echter voldoende om te oordelen dat feitelijk sprake is geweest van wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding door de vrouw en [A].

2.11

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de man is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat de vrouw met ingang van 1 januari 2011 samenleeft dan wel heeft samengeleefd met [A] als waren zij gehuwd, zodat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd. Hieruit vloeit voort dat de man recht heeft op terugbetaling van de door de man vanaf 1 januari 2011 aan de vrouw betaalde bedragen.

3 De slotsom

3.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grief van de man. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna zal worden vermeld.

3.2

Het hof bepaalt dat de vrouw, als de in het ongelijk gestelde partij, de kosten van de getuigen dient te voldoen. Voor het overige zal het hof de kosten van deze procedure compenseren als na te melden, nu partijen gewezen echtelieden van elkaar zijn.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zutphen van 7 mei 2012, en opnieuw beschikkende:

wijzigt de bij beschikking van de rechtbank Zutphen van 16 februari 2011 bepaalde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw,

en bepaalt dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van

1 januari 2011 is geëindigd;

bepaalt voorts dat de vrouw zal moeten overgaan tot terugbetaling van de door de man vanaf 1 januari 2011 ten onrechte aan de vrouw betaalde bedragen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de vrouw de taxe voor de getuige [D] ten bedrage van € 41,60 dient te voldoen;

bepaalt dat de vrouw de taxe voor de getuige [moeder verweerster] ten bedrage van € 11,40 dient te voldoen;

bepaalt dat de vrouw de taxe voor de getuige [zoon partijen] ten bedrage van € 11,40 dient te voldoen;

bepaalt dat de vrouw de taxe voor de getuige [dochter partijen] ten bedrage van € 11,40 dient te voldoen;

bepaalt dat de vrouw de taxe voor de getuige [C] ten bedrage van € 43,52 dient te voldoen;

compenseert voor het overige de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.H. Schulten, A. Smeeïng-van Hees en

M.L. van der Bel, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 21 januari 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.