Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3420

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
200.118.564
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie. Draagkracht van de man en de vrouw conform oude en nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen. Draagkrachtvergelijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.118.564

(zaaknummer rechtbank Utrecht 318365)

beschikking van de familiekamer van 24 april 2014

inzake

[verzoekster],

in haar hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen van
[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: [verzoekster],

advocaat: mr. M.B. Winthagen te Zeist,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. I. Lieberwerth te Amersfoort.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 19 september 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 14 december 2012;

- het verweerschrift, ingekomen op 25 februari 2013;

- een brief van mr. Winthagen van 21 mei 2013 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum;

- een brief van mr. Lieberwerth van 22 mei 2013, ingekomen op dezelfde datum;

- een journaalbericht van mr. Winthagen van 31 mei 2013, ingekomen op dezelfde datum;
- een journaalbericht van mr. Winthagen van 3 juni 2013 met bijlagen, ingekomen op 4 juni 2013;
- een journaalbericht van mr. Lieberwerth van 10 september 2013, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van mr. Winthagen van 13 september 2013 met bijlage, ingekomen op 16 september 2013;
- een journaalbericht van mr. P.J. Montanus (kantoorgenoot van mr. Winthagen) van 28 november 2013 met bijlagen, ingekomen op 29 november 2013;

- een journaalbericht van mr. Lieberwerth van 2 december 2013 met bijlagen, ingekomen op 4 december 2013.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 12 december 2013 plaatsgevonden. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens [de man] (hierna: de man) is [verzoekster], bijgestaan door haar advocaat, verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van de man en de vrouw is op 7 oktober 2008 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 16 september 2008 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren op [geboortedatum] 1998,

- [kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren op [geboortedatum] 2000, en

- [kind 3] (hierna: [kind 3]), geboren op [geboortedatum] 2003,

over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3

Bij echtscheidingsconvenant, ondertekend op 5 augustus 2008, zijn partijen, voor zover hier van belang, het navolgende overeengekomen:

De kinderen
Art. 2 Partijen spreken af dat er sprake zal zijn van co-ouderschap. Dit houdt in dat de verzorging van de kinderen van partijen (min of meer) gelijkelijk over partijen zal worden verdeeld. (….)
(….)
Levensonderhoud (Kinderalimentatie)
Art. 6 Partijen stellen vast dat het netto maandelijkse inkomen van de man € 2.000,00 bedraagt, terwijl het netto maandelijkse inkomen van de vrouw € 1.200,00 bedraagt. Aldus bedraagt het gezamenlijke gezinsinkomen van partijen € 3.200,00 netto per maand. Beide partijen komen overeen dat vakantiegeld geen onderdeel is van de berekening. Deze wordt buiten beschouwing gelaten en blijft bij degene die het ontvangt. Partijen spreken af dat de vrouw van de man maandelijks een bedrag van € 400,00 aan kinderalimentatie (bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding) zal ontvangen. Partijen spreken af dat het bedrag ad
€ 400,00 per maand als volgt is opgebouwd:
- een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ter zake [kind 1] van € 140,00

per maand (per kwartaal € 420,00),

- een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ter zake [kind 2] van € 140,00

per maand (per kwartaal € 420,00),

- een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ter zake [kind 3] van € 120,00

per maand (per kwartaal € 360,00).
Partijen spreken voorts af dat de man jaarlijks bij zijn aangifte IB bij de post persoonsgebonden aftrek (uitgaven levensonderhoud kinderen jonger dan 30 jaar) de hierboven vermelde kosten zal opvoeren. Partijen verwachten dat de man derhalve een fiscaal voordeel zal hebben. Partijen spreken af dat het fiscaal voordeel op basis van 50%/50% tussen partijen jaarlijks zal worden verdeeld. Partijen zijn er mee bekend dat een voorwaarde voor aftrekbaarheid van de onderhoudsbijdrage is, de omstandigheid dat de man geen recht heeft op de kinderbijslag.

Art. 7 Partijen spreken af dat zodra het inkomen van partijen of één van hen, wijzigt, zij met elkaar in overleg treden met betrekking tot de hoogte van de onderhoudsbijdrage(n) ten behoeve van de kinderen. Slechts met instemming van beide partijen kan het bedrag of de bedragen aan onderhoudsbijdrage(n) worden gewijzigd. Partijen zullen bij de vraag of de onderhoudsbijdrage(n) moet(en) worden gewijzigd, uitdrukkelijk rekening houden met de wijziging van hun inkomen of wijziging van het inkomen van één van hen. De bedoeling is en zal zijn dat beide partijen op een netto inkomen niveau zal blijven of komen, welke gelijk is aan de helft van het totale netto inkomen van partijen gezamenlijk.
(….)
Art. 10 Partijen spreken af dat de wettelijke indexering (ex art. 1:402a BW) eerst op
1 januari 2009 zal plaatsvinden. Het indexeringspercentage wordt jaarlijks van overheidswege in de maand november/december bekend gemaakt.
(…).”



3.4 Bij beschikking van 16 september 2008 heeft de rechtbank Groningen voorts bepaald dat partijen een co-ouderschap zijn overeengekomen waarbij afspraken tussen hen zijn gemaakt tussen partijen met betrekking tot de kinderen, één en ander conform de inhoud van het aan deze beschikking gehechte echtscheidingsconvenant en de aan dit convenant gehechte zorgregeling, van welk convenant de rechtbank de inhoud als ingelast heeft beschouwd en heeft de rechtbank verder nog bepaald dat de man met ingang van 7 oktober 2008 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] € 140,- per kind per maand en van [kind 3] € 120,- per maand zal voldoen.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de vastgestelde kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2012 € 152,10 per kind per maand voor [kind 1] en [kind 2] en € 130,37 per maand voor [kind 3], in totaal € 434,57 per maand in 2012. Vanaf 1 januari 2013 belopen deze bijdragen € 154,69 voor [kind 1] en [kind 2] en € 132,59 voor [kind 3], in totaal € 441,97 per maand in 2013.

3.5

[kind 1] heeft sinds 9 juni 2011 haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

3.6

Bij beschikking van 18 juni 2012 heeft de rechtbank Utrecht de kinderen onder toezicht gesteld van Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht tot 18 juni 2013, welke ondertoezichtstelling laatstelijk is verlengd tot 18 februari 2014.

3.7

Bij beschikking van 1 augustus 2012 heeft de rechtbank Utrecht bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw is en heeft de rechtbank voorts bepaald dat [kind 2] en [kind 3] om de week een weekend van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond na het eten, alsmede de helft van de vakanties, bij de man verblijven. Tussen [kind 1] en de man is geen zorgregeling vastgesteld.

3.8

Bij beschikking van 10 juli 2013 heeft de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, het verzoek van de man om hem onder curatele te stellen afgewezen, een bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de man, een mentorschap ingesteld ten behoeve van de man en [verzoekster] tot zijn bewindvoerder respectievelijk zijn mentor benoemd.

3.9

De man, geboren op [geboortedatum] 1962, vormde tot 9 juni 2011 met alle drie de kinderen voor de helft van de tijd een gezin. Van 9 juni 2011 tot 1 augustus 2012 vormde hij met [kind 2] en [kind 3] voor de helft van de tijd een gezin. De man is op 28 mei 2011 gehuwd met [verzoekster], die in eigen levensonderhoud voorziet.

De man heeft tot 1 juli 2012 gewerkt bij [X] BV. Het belastbare loon van de man bij [X] bedroeg volgens de jaaropgave 2011 in dat jaar € 61.450,-. De man heeft op 29 juni 2012 met zijn werkgever een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin is overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst per 30 juni 2012 wordt beëindigd en dat de man een bedrag van € 116.762,- als ontbindingsvergoeding zal ontvangen. De man heeft op 10 augustus 2012 samen met [verzoekster] een stamrecht (Beheer) BV opgericht. De man ontvangt met ingang van november 2012 een WW-uitkering. Het belastbaar loon uit deze WW-uitkering bedroeg in 2012 blijkens de jaaropgave 2012 € 3.677,-. De man ontving van 15 april 2013 tot en met 26 mei 2013 een Ziektewet (ZW)-uitkering van € 4.092,- bruto per maand, waarop naast loonheffing een bedrag van € 2.095,- aan “verrekening netto vorderingen” is ingehouden. Blijkens de uitkeringsspecificatie van september 2013 ontvangt de man een ZW-uitkering van € 685,85 bruto per week, te vermeerderen met vakantietoeslag.

3.10

De lasten van de man bedragen per maand:

- € 129,14 aan ziektekosten in 2012:

- € 97,43 premie basisverzekering ZVW,

- € 51,55 premie aanvullende verzekering,

- € 29,16 verplicht eigen risico;

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie

ZVW van € 49,- per maand.

3.11

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1967, woonde tot 18 november 2013 samen met [A.]. Zij vormde tot 9 juni 2011 met alle drie de kinderen voor de helft van de tijd een gezin. Met ingang van 9 juni 2011 vormt zij met [kind 1] een gezin en vormt zij met [kind 2] en [kind 3] voor de helft van de tijd een gezin. Met ingang van 1 augustus 2012 vormt zij met alle drie de kinderen een gezin.
De vrouw ontvangt een WAO-uitkering blijkens de jaaropgave 2012 van € 16.472,- bruto per jaar. Zij ontvangt blijkens de betaalspecificatie van het UWV van juli 2013 een
WAO-uitkering van € 1.209,30 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.

3.12

De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 472,- aan hypotheekrente tot 13 november 2013;

- € 47,- aan overige eigenaarslasten tot 13 november 2013;
- € 945,- aan hypotheekrente vanaf 13 november 2013;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten vanaf 13 november 2013;
- € 97,15 aan ziektekosten in 2012:

- € 97,87 premie basisverzekering ZVW,

- € 26,62 premie aanvullende verzekering,

- € 29,16 verplicht eigen risico,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 49 ,- per maand voor een alleenstaande en de zorgtoeslag van € 107,50;

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 660,- per jaar tot 13 november 2013 en vanaf 13 november 2013 € 1.320,- per jaar.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De rechtbank heeft in de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking voor recht verklaard dat de man ter zake van achterstallige kinderalimentatie aan de vrouw een bedrag van € 3.871,57 is verschuldigd. Voorts heeft de rechtbank de beschikking van de rechtbank Groningen van 16 september 2008 en daarmee het echtscheidingsconvenant van 5 augustus 2008 met ingang van 19 september 2012 in zoverre gewijzigd, dat het bedrag dat de man aan de vrouw vanaf 1 juli 2011 tot 1 augustus 2012 zal verstrekken tot verzorging en opvoeding van [kind 1] is vastgesteld op € 321,74 per maand en voor [kind 2] en [kind 3] op € 186,50 per kind per maand, en dat het bedrag dat de man aan de vrouw vanaf 1 augustus 2012 zal verstrekken tot verzorging en opvoeding van de kinderen is vastgesteld op € 325,92 per kind per maand, met afwijzing van het meer of anders verzochte.

4.2

De man is met 21 grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 19 september 2012. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De man verzoekt het hof -samengevat- de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 5 augustus 2008 op nihil wordt gesteld, dat de vrouw een betaalrekening namens de kinderen opent en beheert waarop eventueel door hem verschuldigde alimentatie wordt gestort en tevens de kinderbijslag wordt bijgeschreven, dat het de vrouw is verboden aan derden mededelingen te doen over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst van 29 juni 2012 tussen hem en zijn voormalige werkgever en dat de vrouw aan de man dient terug te betalen de ten onrechte ontvangen bedragen aan kinderalimentatie c.q. andere bijdragen betreffende de kinderen en de op de man verhaalde beslag- en executiekosten, vermeerderd met de wettelijke rente, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Grief 1 van de man heeft betrekking op de nakoming van afspraken van partijen tot betaling van kinderalimentatie op basis van het echtscheidingsconvenant.

Partijen zijn het erover eens dat de man op basis van het echtscheidingsconvenant in beginsel nog een bedrag aan de vrouw dient te voldoen uit hoofde van door hem ontvangen fiscaal voordeel in verband met door hem aan de vrouw betaalde kinderalimentatie, alsmede uit hoofde van achterstallige wettelijke indexering, een en ander zoals overeengekomen in het echtscheidingsconvenant. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat hij, naar het hof begrijpt, in redelijkheid niet aan deze afspraken uit het convenant is gehouden, omdat het tussen partijen bestendig gebruik was dat hij de verschuldigde bedragen steeds in natura voldeed. Bij een co-ouderschap zoals partijen dat hadden, is het naar het oordeel van het hof gebruikelijk dat beide ouders ook in natura bijdragen in de kosten van de kinderen. De man heeft dan ook onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waarop kan worden gebaseerd dat hij in redelijkheid niet is gehouden aan de, door hem niet betwiste, afspraken in het convenant.

De man stelt voorts in zijn grief dat de vrouw de door haar bij de rechtbank gestelde bedragen aan achterstallige indexering en aan haar toekomend fiscaal voordeel van € 871,57, respectievelijk € 3.891,57 niet heeft onderbouwd. Volgens hem gaat het bij de achterstallige wettelijke indexering om een bedrag van € 755,61 en bij het nog verschuldigde fiscaal voordeel om een bedrag van € 840,- per jaar, ofwel om € 2.520,- over drie jaar. Het hof zal de man hierin volgen, nu hij zijn betoog voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd en de vrouw hiertegenover desgevraagd ter mondelinge behandeling bij dit hof de door haar opgegeven hogere bedragen niet concreet heeft kunnen onderbouwen.

Het hof zal het verzoek van de vrouw om te verklaren voor recht dat de man aan haar achterstallige alimentatie op basis van het echtscheidingsconvenant van 5 augustus 2008 over de periode vóór 1 augustus 2012 dient te voldoen, dan ook voor niet meer dan voor een bedrag van € 755,61 plus € 2.520,- = € 3.275,61 toewijzen. Daarmee slaagt grief 1 deels.

5.2

De grieven 2, 3, 4, 14 en 19 zien op de vraag of en, zo ja, met ingang van welke datum zich in dit geval een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens de man is hiervan slechts sprake indien sprake is van inkomenswijzigingen. Dit standpunt van de man steunt naar het oordeel van het hof niet op de wet en evenmin noopt de inhoud van het echtscheidingsconvenant in het onderhavige geval tot een dergelijke beperkte uitleg van dit artikel. Hiermee faalt grief 2.

Met de grieven 3, 4, 14 en 19 betoogt de man voorts, zo begrijpt het hof, dat het zwaartepunt van de zorg en de opvoeding van de drie kinderen altijd al bij de vrouw heeft gelegen en dat meegewogen had moeten worden dat de vrouw [kind 2] en [kind 3] al veel eerder dan 1 augustus 2012 op haar adres had laten overschrijven. Om die redenen verzet de man zich tegen het onderscheid dat de rechtbank maakt in een periode van 1 juli 2011 tot 1 augustus 2012 en een periode vanaf 1 augustus 2012. Hij acht een dergelijk onderscheid niet in overeenstemming met de feiten en stelt dat [verzoekster] in de eerstgenoemde periode ten onrechte als onderhoudsplichtige stiefouder is aangemerkt.


5.3 Om de navolgende redenen is het hof van oordeel dat zich wel relevante wijzigingen in eerderbedoelde zin hebben voorgedaan.

Voor [kind 1] geldt dat zij per 9 juni 2011 volledig bij de vrouw is gaan wonen. Voorts is de man op 28 mei 2011 met [verzoekster] gehuwd, hetgeen betekent dat [verzoekster] vanaf die datum voor [kind 2] en [kind 3] onderhoudsplichtig is geworden tot 1 augustus 2012. De man heeft immers onvoldoende gemotiveerd weersproken dat hij tot 9 juni 2011 met alle drie de kinderen voor de helft van de tijd daadwerkelijk een gezin vormde en dat dit voor [kind 2] en [kind 3] tot 1 augustus 2012 heeft voortgeduurd. In zoverre falen de grieven 3, 4, 14 en 19.

5.4

Voorts heeft de man in grief 15 bezwaar gemaakt tegen de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum van de gewijzigde alimentatieverplichting. Het hof hanteert, anders dan de rechtbank, als ingangsdatum van de gewijzigde alimentatieverplichting 16 januari 2012, de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg, nu de man eerst vanaf die datum in redelijkheid rekening kon houden met een gewijzigde alimentatieverplichting. De vrouw heeft immers, hoewel [kind 1] reeds vanaf 9 juni 2011 volledig tot haar gezin behoorde, ervoor gekozen de alimentatieverplichting eerst op 16 januari 2012 in rechte ter discussie te stellen. In zoverre slaagt grief 15.

Het hof rekent tot 1 mei 2013 conform de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen, voor zowel behoefte als draagkracht, volgens de oude methode. Vanaf 1 mei 2013 rekent het hof, eveneens conform die aanbeveling, voor zowel de behoefte als draagkracht, volgens de nieuwe methode, nu zich vanaf laatstgenoemde datum wederom een gewijzigde omstandigheid heeft voorgedaan, te weten dat de man sindsdien geen omgang meer heeft met [kind 2] en [kind 3].

5.5

Grief 4 heeft betrekking op de behoefte van de kinderen. Het hof gaat, evenals de rechtbank, uit van een behoefte van € 300,- per kind per maand tijdens het uiteengaan van partijen in 2008, nu het netto gezinsinkomen van partijen in 2008 van € 3.200,- per maand, waarvan de rechtbank deze behoefte heeft afgeleid, in hoger beroep niet is bestreden. De behoefte van de kinderen bedraagt geïndexeerd in 2012 € 325,92 per kind per maand, en in 2013 € 331,46 per kind per maand.

Het hof heeft in het onderhavige geval onvoldoende aanknopingspunten om, in afwijking van de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" die behoort bij het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen, voor de berekening van de behoefte, zoals de man verzoekt, uit te gaan van - kort gezegd - het halve verschil in inkomen tussen hem en de vrouw in 2008, volgens hem neerkomend op € 400,- per maand voor de drie kinderen samen, zoals vermeld in het echtscheidingsconvenant. Naar het oordeel van het hof ziet de man eraan voorbij dat dit bedrag destijds tussen partijen is overeengekomen in de situatie waarin was voorzien in co-ouderschap van de ouders met betrekking tot alle drie de kinderen. Het handhaven van voormelde, in het echtscheidingsconvenant opgenomen betalingsafspraak in de onderhavige situatie, waarin immers van een co-ouderschap - met betrekking tot [kind 1] sedert 9 juni 2011 en met betrekking tot [kind 2] en [kind 3] sedert 1 augustus 2012 - feitelijk geen sprake meer is, acht het hof niet op zijn plaats. In zoverre faalt grief 4.

Vanaf 18 november 2013 strekt op deze behoefte wel het kindgebonden budget van € 183,- per maand (waarover hierna in r.o. 5.21 meer) in mindering, zodat vanaf die datum een behoefte resteert van € 270,46 per kind per maand.

5.6

De man stelt voorts dat de vrouw ook dient bij te dragen in deze behoefte van de kinderen. Het hof overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. Het hof zal dan ook ieders draagkracht vaststellen. Ook [verzoekster] dient als stiefouder van [kind 2] en [kind 3] over de periode van 16 januari 2012 tot 1 augustus 2012 naar rato bij te dragen.

5.7

De grieven 5 tot en met 10 en 16 tot en met 18 zien (mede) op de draagkracht van de man. De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om de vastgestelde bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te betalen. De vrouw betwist dat.

5.8

Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.9 en 3.10 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

5.9

De man heeft tot 1 juli 2012 recht op de arbeids- en de algemene heffingskorting. Vanaf 1 juli 2012 heeft de man recht op de algemene heffingskorting. Om redenen van doelmatigheid zal het hof tot 1 augustus 2012 met de arbeids- en de algemene heffingskorting rekening houden en vanaf 1 augustus 2012 alleen nog met de algemene heffingskorting.

5.10

Het hof gaat evenals de rechtbank uit van het inkomen van de man volgens de jaaropgave 2011, nu van hem in redelijkheid kan worden gevergd dat hij zijn ontbindingsvergoeding aanwendt ter aanvulling op zijn uitkering teneinde te kunnen voldoen aan zijn onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen. Dat de man de ontbindingsvergoeding, die hij heeft ondergebracht in een stamrecht B.V. en die hij aanvankelijk - naar hij nog heeft gesteld in grief 18 - had bestemd om te dienen als pensioenvoorziening, naar ter zitting is gebleken, inmiddels onverplicht volledig heeft uitgeleend aan [verzoekster], die dit bedrag op haar beurt heeft aangewend om een deel van de hypotheekschuld op de op haar naam staande (echtelijke) woning af te lossen, dient voor zijn rekening en risico te blijven en mag niet ten laste van de kinderen komen.

Op de door de man ontvangen ontbindingsvergoeding van € 116.762,- zal het hof bij de berekening van zijn draagkracht nog wel € 20.483,- (= viermaal het maandsalaris van de man in 2011 van € 5.120,- bruto) in mindering doen strekken, nu de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vier maanden in 2012 (van 1 juli 2012 tot 1 november 2012) geen inkomsten heeft gehad en de ontbindingsvergoeding moet worden geacht dit ontbreken van inkomen te compenseren. Dat brengt de resterende ontbindingsvergoeding op € 96.279,-.

Het hof gaat op basis van de beschikbare gegevens voorts ervan uit dat man over de periode van 1 november 2012 tot 15 april 2015 aanspraak heeft (gehad) op de volgende uitkeringen:

  • -

    een WW-uitkering van € 3.677,- bruto over de maanden november en december 2012 (zie jaaropgave 2012);

  • -

    een WW-uitkering over de periode van 1 januari 2013 tot medio april 2013 van € 6.434,75 bruto (= € 3.677,- bruto : 2 maanden x 3,5 maand);

  • -

    een Ziektewet-uitkering van (€ 685,85 bruto per week x 52 weken, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag =) € 38.517,33 op jaarbasis, neerkomend op:

  • -

    € 27.406,56 (= € 38.517,33 : 52 weken x 37 weken) over de periode van 15 april 2013 tot 1 januari 2014 ;

  • -

    € 38.517,33 over de periode van 1 januari 2014 tot 1 januari 2015;

  • -

    € 11.110,77 (= € 38.517,33 : 52 weken x 15 weken) over de periode van 1 januari 2015 tot medio april 2015, nu de man naar verwachting tot 15 april 2015 recht heeft op een Ziektewet-uitkering.

Na 15 april 2015 zal de man naar verwachting geen recht meer hebben op een uitkering, nu hij gehuwd is met een partner die inkomsten uit arbeid geniet.

Aldus moet worden uitgegaan van een inkomen van de man over de periode van 1 november 2012 tot 15 april 2015 van in totaal (€ 3.677,- + € 6.434,75 + € 27.406,56 + € 38.517,33 + € 11.110,77 =) € 87.146,41

Indien laatstgenoemd bedrag aan inkomen over de periode van 1 november 2012 tot 15 april 2015 wordt vermeerderd met de resterende ontbindingsvergoeding van € 96.279,-, die - zoals hiervoor is overwogen - dient te worden aangewend ten behoeve van de kosten in het levensonderhoud van de kinderen, heeft de man over de desbetreffende periode de beschikking over in totaal € 183.425,41. Dit betekent dat de man in deze periode hoe dan ook in staat moet worden geacht zijn inkomen te suppleren tot aan het salarisniveau dat hij in 2011 bij zijn laatste werkgever genoot (in 2011 een bruto jaarinkomen van € 61.450,-).

Dit wordt niet anders indien de man vrijwillig zou afzien van een hem toekomende Ziektewet- of andere uitkering, zoals [verzoekster] namens de man ter zitting heeft aangekondigd. Een dergelijke afstand zou naar het oordeel van het hof immers neerkomen op verwijtbaar inkomensverlies.

5.11

De man stelt verder dat bij de berekening van zijn inkomen, anders dan de rechtbank heeft gedaan, geen rekening mag worden gehouden met neveninkomsten van € 2.005,- per jaar.

Het hof oordeelt als volgt. De man heeft in 2010 neveninkomsten tot dit bedrag ontvangen wegens het ontwerpen en onderhouden van enkele internetsites en het vervaardigen van een poster. Nu de man zijn stelling dat hij deze neveninkomsten over het voor de draagkrachtberekening relevante jaar 2012 niet meer genoot, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, houdt het hof - evenals de rechtbank - over het jaar 2012 rekening met deze neveninkomsten. In 2013 is de man evenwel ernstig ziek geworden, zodat voldoende aannemelijk is geworden dat hij deze neveninkomsten vanaf dat jaar niet langer kon genereren. Grief 6 slaagt in zoverre.

5.12

Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen betreft, houdt het hof, evenals de rechtbank, voor [kind 1] vanaf 16 januari 2012 rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen in verband met artikel 1:400 lid 1 BW aanbevolen draagkrachtpercentage van 70. Voor [kind 2] en [kind 3] houdt het hof van 16 januari 2012 tot 1 augustus 2012 rekening met de norm voor een co-ouder en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 52,5. Vanaf 1 augustus 2012 houdt het hof rekening met dezelfde norm voor [kind 2] en [kind 3] als voor [kind 1].

Het hof verdeelt de aldus berekende draagkracht gelijkelijk over alle kinderen voor wie de man onderhoudsplichtig is, nu gesteld noch gebleken is dat die behoefte verschillend is.

5.13

Anders dan de man in grief 7 betoogt, dient het feit dat hij met [verzoekster] de woning van [verzoekster] bewoont, welke woning met een hoge hypotheekschuld was belast en waarop - na aflossingen sedert januari 2012 - per 28 november 2013 nog een hypotheekschuld rust van € 231.022,13, niet in de berekening van zijn draagkracht te worden betrokken. Dit is namelijk een omstandigheid die voor zijn eigen rekening dient te blijven en derhalve niet ten laste van de kinderen dient te komen. Van enige noodzaak voor de man om bij [verzoekster] in te trekken, is onvoldoende gebleken. Deze grief faalt dus.

Het hof houdt daarom tot 1 mei 2013, evenals de rechtbank, rekening met de lasten van de woning waarin de man woonde voordat hij bij [verzoekster] introk, te weten de helft van de hypotheekrente (= € 5.250,- per jaar) en de helft van het eigen woningforfait (= € 872,- per jaar).

Vanaf 1 mei 2013 houdt het hof ter zake de woonlasten van de man, conform de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen, rekening met een forfaitair percentage van 30% van het netto maandinkomen van de man.

5.14

Het hof houdt naast de basis- en de aanvullende premie ziektekosten rekening met het eigen risico van € 29,- per maand, nu partijen het erover eens zijn dat de man dit vanwege zijn ziekte volledig aanwendt.

5.15

Het hof houdt van 1 augustus 2012 tot 1 mei 2013 rekening met de kosten omgangsregeling van € 5,- per kind per dag voor [kind 2] en [kind 3]. De man had eens in de veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot zondagavond omgang met hen, zodat het hof rekening houdt met (€ 20,- x 26 weken = € 520,- : 12) € 43,- aan kosten omgangsregeling per maand. In zoverre slaagt grief 17.

Nu de man vanaf 1 mei 2013 feitelijk met geen van zijn kinderen meer omgang heeft, houdt het hof vanaf die datum geen rekening met de zorgkorting in verband met de omgangsregeling.


5.16 Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties hiervan heeft de man met ingang van:

I. 16 januari 2012 tot 1 augustus 2012 draagkracht voor een bijdrage van € 534,20 per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en € 415,55 per kind per maand van [kind 2] en [kind 3];

II. 1 augustus 2012 tot 1 januari 2013 draagkracht voor een bijdrage van € 504,- per kind per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (in verband met de beëindiging van de co-ouderschapssituatie ten aanzien van [kind 2] en [kind 3], alsmede het wegvallen van de arbeidskorting van de man);

III. 1 januari 2013 tot 1 mei 2013 draagkracht voor een bijdrage van € 521,- per kind per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (in verband met het wegvallen van de neveninkomsten van de man en de jaarlijkse wijziging van het fiscaal regime);

IV vanaf 1 mei 2013 volgens de formule 70% x [netto besteedbaar inkomen – (0,3 x netto besteedbaar inkomen + € 850,-)], hetgeen in het onderhavige geval neerkomt op 70% x [€ 3.173,-,- aan netto besteedbaar inkomen -/- (€ 951,90 (= 0,3 x € 3.173,-,- aan forfaitaire woonlasten) + € 850,- aan overige forfaitaire lasten)] = 70% van € 1.371,10 = € 959,77. Dit laatste bedrag dient te worden vermeerderd met het fiscaal voordeel kinderalimentatie van € 205,- = in totaal een draagkracht van € 1.164,77 : 3 = afgerond
€ 388,- per kind per maand.

Nu de man over de periode van 16 januari 2012 tot 1 augustus 2012 wordt geacht volledig in de behoefte van de kinderen te kunnen voorzien, bestaat geen aanleiding om, zoals de vrouw in eerste aanleg heeft verzocht, het aandeel waarmee [verzoekster] in de behoefte van de kinderen kan voorzien over deze bewuste periode vast te stellen. Hiermee is deze stelling van de vrouw uit de eerste aanleg en zijn de grieven 5 tot en met 10 en 16 tot en met 18 van de man, voor zover deze betrekking hebben op de draagkracht van de man voldoende besproken.


5.17 De grieven 5, 11, 12, 13, 16 en 19 zien (mede) op de draagkracht van de vrouw. Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw uit van de hiervoor onder 3.11 en 3.12 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

5.18

Nu het de vaststelling van de draagkracht van de vrouw voor de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen betreft, houdt het hof - evenals de rechtbank - voor [kind 1] vanaf 16 januari 2012 rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen in verband met artikel 1:400 lid 1 BW aanbevolen draagkrachtpercentage van 70. Het hof verdeelt de aldus berekende draagkracht gelijkelijk over alle kinderen voor wie de vrouw onderhoudsplichtig is, nu gesteld noch gebleken is dat die behoefte verschillend is.

Voor [kind 2] en [kind 3] houdt het hof tot 1 augustus 2012 rekening met de co-ouderschapsnorm en het daarbij behorende percentage van 52,5. Vanaf 1 augustus 2012 houdt het hof rekening met dezelfde norm voor [kind 2] en [kind 3] als voor [kind 1].

5.19

Het hof houdt aan de zijde van de vrouw uitsluitend rekening met inkomsten uit een

WAO-uitkering, nu de vrouw aan de hand van door haar overgelegde medische verklaringen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij met haar chronische lichamelijke klachten (HMSN type 2 en MS) niet in staat is inkomsten uit arbeid te verwerven, zoals ook blijkt uit het feit dat de vrouw al vanaf 1991 een WAO-uitkering ontvangt. Het hof acht voorts voldoende aannemelijk dat de fotoshoots van de vrouw een hobbymatig karakter hebben en - anders de man stelt in grief 12, doch niet onderbouwt - geen inkomsten opleveren. Anders dan de man voorts in deze grief aanvoert, houdt het hof geen rekening met inkomsten uit vermogen van de vrouw, nu het spaarsaldo van de vrouw blijkens de aangifte IB over 2012 op 1 januari 2012 € 25.889,- en op 31 december 2012 € 12.248,- bedroeg. Hiermee heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in snel tempo inteert op haar vermogen, mede doordat zij financieel zorgdraagt voor de bij haar wonende kinderen. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding rekening te houden met enig rendement uit het vermogen van de vrouw.

5.20

Het hof houdt tot 1 mei 2013 rekening met de woonlasten van de vrouw zoals die uit de overgelegde aangifte IB blijken, zoals hiervoor in 3.12 vermeld. Vanaf 1 mei 2013 houdt het hof ter zake, conform de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen, hierna rekening met de nieuwe rekenmethode.

5.21

Aan de hand van de jaaropgave 2012 van de vrouw en de cumulatieven op de loonstrook van november 2011 van haar fiscaal partner, [A.], (fiscaal loon van 1 januari 2011 tot en met 30 november 2011 € 19.807 + € 1.851,72 aan belastbaar maandloon in december 2011 + € 1.604,- aan eindejaarsuitkering/dertiende maand =) € 23.262,72 is volgens de “Proefberekening toeslagen” van de belastingdienst het kindgebonden budget waarop de vrouw recht heeft in 2012 en tot 18 november 2013 nihil. Na het verbreken van de relatie met haar fiscaal partner heeft de vrouw vanaf 18 november 2013 recht op de alleenstaande ouderkorting en een kindgebonden budget van € 183,- per maand in 2013. Het laatstgenoemde bedrag strekt in mindering op de behoefte van de kinderen.

5.22

Het hof houdt aan de zijde van de vrouw rekening met de basis- en de aanvullende premie ziektekosten, met de zorgtoeslag van € 107,50 per maand en, evenals bij de man, met het verplicht eigen risico van € 29,- per maand. Grief 15 faalt dus.

5.23

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de vrouw:

I. met ingang van 16 januari 2012 tot 1 mei 2013 geen draagkracht om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;

II. vanaf 1 mei 2013 tot 18 november 2013 volgens de nieuwe rekenmethode van de Expertgroep Alimentatienormen, met een netto besteedbaar inkomen lager dan € 1.250,- (in het geval van de vrouw € 1.031,-) per maand, een minimumdraagkracht van € 50,- per maand, derhalve € 17,- per kind per maand, en

III. vanaf 18 november 2013, eveneens met een netto besteedbaar inkomen lager dan € 1.250,- (in het geval van de vrouw € 1.110,-) per maand, een minimumdraagkracht van € 50,- per maand, derhalve € 17,- per kind per maand.

5.24

Het hof zal conform de aanbeveling van het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen de draagkracht van de man en de vrouw volgens de formule ieders draagkracht/totale behoefte vergelijken:

I. van 1 mei 2013 tot 18 november 2013.

aandeel man 1.165/1.215 x 994,38 = 953,45

aandeel vrouw 50/1.215 x 994,38 = 40,92
II. vanaf 18 november 2013
aandeel man 1.165/1.215 x 811,38 = 777,98

aandeel vrouw 50/1.215 x 811,38 = 33,39

Vergelijking van ieders draagkracht leert dat de man vanaf 1 mei 2013 met € 317,81 per kind per maand en vanaf 18 november 2013 € 259,50 per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De grieven 5, 11, 13, 16 en 19, voor zover deze grieven betrekking hebben op de draagkracht van de vrouw, slagen in zoverre.

5.25

Het hof stelt voorop dat, nu de vrouw geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, de man niet slechter mag worden van het door hem ingestelde hoger beroep. Gelet op dit uitgangspunt en voorts in aanmerking genomen de verdeling van de behoefte van de kinderen naar rato van ieders draagkracht, betekent al het voorgaande dat de man:

I. van 16 januari 2012 tot 1 augustus 2012 met een bedrag van € 321,74 per maand voor

[kind 1] en met een bedrag van € 186,50 per kind per maand voor [kind 2] en [kind 3];

II. van 1 augustus 2012 tot 1 mei 2013 met € 325,92 per kind per maand;

III. van 1 mei 2013 tot 18 november 2013 met € 317,81 per kind per maand, en

IV. vanaf 18 november 2013 met 259,30 per kind per maand

dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

5.26

Het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets slaagt niet. De man heeft immers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij en [verzoekster] zich in een financiële noodsituatie bevinden die het hen onmogelijk maakt om te komen tot terugbetaling door [verzoekster] aan de man van het onverplicht aan haar geleende geld, zodat de man aan zijn alimentatieverplichting kan voldoen.

5.27

Met het voorgaande zijn de grieven 1 tot en met 19 afdoende besproken. Het gedeeltelijk slagen van de grieven leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en de door de man aan de vrouw te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal vaststellen als hierna te melden. Het hof ziet daarbij geen aanleiding om, zoals door de man onder 2. in het petitum van het beroepschrift verzocht, te bepalen dat de vrouw ten onrechte ontvangen bedragen aan kinderalimentatie zal terugbetalen. De reden daarvoor is dat de vrouw ter mondelinge behandeling bij dit hof als verweer daartegen heeft aangevoerd dat zij de ontvangen kinderalimentatie reeds ten behoeve van de kinderen heeft besteed, hetgeen het hof gezien haar lage inkomen aannemelijk voorkomt. Evenmin ziet het hof aanleiding tot toewijzing van het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw andere bijdragen die betrekking hebben op de kinderen en voorts de op hem verhaalde beslag- en executiekosten aan hem terug zal betalen, reeds omdat iedere onderbouwing van dit verzoek ontbreekt.

5.28

Grief 20 van de man, gericht tegen de afwijzing van zijn verzoek te bepalen dat hij de onderhoudsbijdragen dient te voldoen op een door de vrouw te openen en te beheren betaalrekening waarop tevens de kinderbijslag dient te worden bijgeschreven, faalt. Voor dit verzoek bestaat immers geen wettelijke grondslag. Voorts heeft de man onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat hij er een voldoende rechtens te respecteren belang bij heeft dat de vrouw hiertoe een speciale betaalrekening opent. Het “financieel welbevinden” van de kinderen vormt zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt, hiervoor onvoldoende grond. Aan dit alles doet niet af dat in het echtscheidingsconvenant wel is voorzien in het openen van een speciale betaalrekening. Inmiddels is een nieuwe situatie ontstaan, waarin dergelijke “contractuele afspraken”, nog daargelaten of zij op hun plaats zijn als het gaat om kinderalimentatie, niet onverkort gelden.

5.29

Anders dan de rechtbank, zal het hof bepalen dat het de vrouw is verboden aan derden mededelingen te doen over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst van 29 juni 2012 tussen de man en zijn voormalig werkgever, nu de man bij dit verbod een rechtens te respecteren belang heeft. Het desbetreffende verzoek van de man is, gelet op artikel 29 lid 1, aanhef en sub b, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, toewijsbaar. Daarmee slaagt grief 21 van de man.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven deels. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna vermeld.


6.2 Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan de uit die relatie geboren kinderen betreft.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft voor de perioden tot 1 mei 2013 berekeningen van de draagkracht van de man en de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 19 september 2012, en opnieuw beschikkende:

verklaart voor recht dat de man aan de vrouw ter zake van achterstallige alimentatie op basis van het echtscheidingsconvenant van 5 augustus 2008 over de periode vóór 1 augustus 2012 € 3.275,61 aan de vrouw dient te voldoen;

wijzigt de beschikking van de rechtbank Groningen van 16 september 2008 en het daarvan deel uitmakende echtscheidingsconvenant van 5 augustus 2008 als volgt:

bepaalt dat de man van 16 januari 2012 tot 1 augustus 2012 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dient te betalen € 321,74 per maand voor [kind 1] en
€ 186,50 per kind per maand voor [kind 2] en [kind 3];

bepaalt dat de man van 1 augustus 2012 tot 1 mei 2013 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 325,92 per kind per maand dient te betalen;

bepaalt dat de man van 1 mei 2013 tot 18 november 2013 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 317,81 per kind per maand dient te betalen;

bepaalt dat de man aan de vrouw vanaf 18 november 2013 met € 259,30 per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat het echtscheidingsconvenant van 5 augustus 2008, met in achtneming van al het voorgaande, voor het overige tussen partijen onverkort van kracht blijft;

bepaalt dat het de vrouw is verboden aan derden mededelingen te doen over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst van 29 juni 2012 die de man met zijn voormalige werkgever heeft gesloten;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, P.M.M. Mostermans en
B.F. Keulen, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 24 april 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.